Ik ben Joost de Ruiter (23). Overdag werk ik als tekstschrijver, maar ’s avonds sta ik regelmatig op de planken: ik ben amateuracteur. In mijn theater – het Shakespearetheater in Diever – zitten de zalen iedere zomer vol. Voor mij is toneelspelen de normaalste zaak van de wereld, maar hoe meer ik me verdiep in het amateurtheater van Noord-Nederland, hoe meer me opvalt hoe bijzonder de cultuur is. Ik neem je daarom graag mee in mijn onderzoek naar deze traditie. Mijn eerste aflevering – over de rederijkerskamers van Groningen – vind je hier. In mijn tweede aflevering – over de openluchttheaters van Drenthe – onderzocht ik de identiteit van de amateuracteur, die aflevering vind je hier. In mijn derde artikel nam ik het Friese locatietheater onder de loep, dat stuk lees je hier terug.

Nu ik alle provincies van het noorden heb bezocht wil ik wat ik er heb geleerd voorleggen aan experts. Ik heb daarom afgesproken met Ben Smit, Koos Smit (geen familie) en Luuk Eisema. Ben Smit kent u wellicht nog uit het artikel over rederijkerskamers, als theateradviseur bij het Kunstencentrum Groningen (tegenwoordig: Vrijdag) coördineerde hij namens de provincie het Groninger theaterlandschap. Koos Smit deed hetzelfde soort werk, maar dan – als werknemer van de stichting Kunst & Cultuur Drenthe – in, u begrijpt het al, Drenthe. Eisema doet het werk nog steeds, in Friesland, bij de stichting Keunstwurk. Lachend: “Mijn baan is een fossiel.”

Ik sprak met ze over theater in Noord-Nederland.


Herkennen jullie je in het beeld dat ik van ons theaterlandschap heb geschetst in mijn artikelen?

Luuk Eisema:  “Wat me in het artikel over Friesland – mijn provincie – opviel, is dat je drie heel verschillende mensen gesproken hebt. Dat geeft aan hoe groot de variëteit in ons theater is. Vroeger bestond het Friese theaterlandschap uitsluitend uit amateurverenigingen, tegenwoordig zie je dat veel van die clubs worden opgeheven. Een ontwikkeling van de laatste tijd is juist dat jonge professionele theatermakers zich in onze dorpen vestigen. Ze worden hier dan onderdeel van de gemeenschap en gaan op eigen houtje theaterproducties ontwikkelen, buiten een toneelvereniging om. Dat vind ik interessant. De Friese theatertraditie – een toneelvereniging die jaarlijks een stukje speelt voor de inwoners van het dorp – komt daarmee wel onder druk te staan. In het begin vond ik dat erg, maar nu een stuk minder. Door die beweging ontstaat immers een vernieuwing en dat was artistiek inhoudelijk wel nodig in Friesland.”

“Door die beweging ontstaat immers een vernieuwing en dat was artistiek inhoudelijk wel nodig in Friesland.”

Ben Smit: “Kijk, de maatschappij verandert, het is logisch dat dorpen mee veranderen. Mensen richten hun leven anders in tegenwoordig, ze willen niet meer structureel bij een vereniging zitten. Sommige van die verenigingen blijven wel overeind, zoals de rederijkerskamers bij mij in de provincie. Toch zie je ook in Groningen dat niet ieder dorp drie toneelclubs meer heeft. Wat je ervoor terugkrijgt zijn dus die locatieprojecten waarin professionals met amateurs samenwerken. Dat is alleen maar goed voor de ontwikkeling van ons theater.”

Koos Smit: “Ik speel zelf op dit moment in Hoogezand mee in De Dochter van Martenshoek, dat is zo’n grote locatietheaterproductie. Pieter Stellingwerf, die je voor je Friesland-artikel gesproken hebt, regisseert het. Wat me opvalt is dat mensen die zichzelf zien als amateuracteur meedoen aan zo’n project. Dat vind ik het sterke aan nu: in de regio worden grote theaterproducties met inhoudelijk sterke verhalen opgezet, waar je als amateur toch aan mee kunt doen. Ik vind die samenwerking met allerlei verschillende niveaus hartstikke leuk.

In Drenthe – mijn provincie, dus – zie ik overigens exact dezelfde trend als in Groningen en Friesland. Kleine verenigingen verdwijnen, grote theaterprojecten zijn in opkomst.”

De continuïteit in theaterproducties die de toneelverenigingen garandeerden, valt door de opkomst van grote projecten wel weg. Hoe vang je dat op?

LE: “Alhoewel hun aantal afneemt, hebben we nog altijd 140 van die toneelclubs in Friesland. Dat is belangrijk want zij zorgen voor de structuur van het theaterlandschap. Eigenlijk, vind ik, moet je ernaar streven dat in ieder dorp ten minste één vereniging overeind blijft.”

“Je moet ernaar streven dat in ieder dorp ten minste één vereniging overeind blijft.”

BS “Dat hoeft geen toneelvereniging te zijn hè, dat kan ook gewoon de dorpsvereniging zijn. Het gaat erom dat er structuur in een dorp blijft waardoor je snel een beroep op dingen kunt doen.”

KS “Maar wie gaat in het bestuur van die verenigingen? Moeten dat dan betaalde functies worden? Er is bijna niemand die die verantwoordelijkheid nog op zich wil nemen.”

LE “Dat wordt een behoorlijke puzzel. Bij mij in het dorp dreigde het jaarlijkse feest niet meer door te gaan omdat er niemand was om het te organiseren. Het zittende bestuur was ermee gestopt, na een paar decennia. We hebben toen een groep jongeren zover gekregen om de organisatie op zich te nemen, mits er de garantie was dat een andere groep het jaar erna het stokje van hen zou overpakken. Mijn punt is: jonge mensen willen best iets doen, zolang ze er maar niet te lang aan vastzitten. Je gaat naar een minder hiërarchische en meer dynamische vorm van besturen toe.”

De verenigingen die ik de afgelopen maanden heb bezocht waren toch behoorlijk grijs…

KS: “Dat merk ik ook. Oudere mensen zijn gehecht aan hun toneelvereniging, terwijl jongeren die clubs meer gebruiken als springplank. Het jaar erop spelen ze misschien ergens anders. Daar loopt de vereniging tegenaan, de vergrijzing gaat gewoon door. De vereniging wordt niet overgenomen door een nieuwe generatie acteurs.”

BS: “Daar kunnen verenigingen zelf iets aan doen. Ze moeten acteurs vroeg aan zich binden, als ze zeven of acht zijn, dan moet je ze al hebben.”

KS: “Kleine verenigingen kunnen dat niet opzetten, die zijn al blij als ze ieder jaar weer een voorstelling op de planken krijgen. Waar kunnen ze aankloppen voor hulp bij het werven van nieuwe leden?”

LE: “We hebben overigens een hele leuke oude generatie – waar wij zelf deel van uitmaken, haha – die heel actief is. Je moet die mensen niet afschrijven. Ze spelen voorlopig nog een grote rol in ons theaterlandschap.”

Hoe betrek je jongeren dan toch bij het theater?

LE: “Amateurtheater heeft een imagoprobleem, het is niet populair. Als je zegt: ‘ik ga toneelspelen’, vinden mensen dat leuk. Zeg je: ‘ik speel bij een amateurvereniging’, dan zijn de reacties minder positief.

“Amateurtheater heeft een imagoprobleem, het is niet populair”

Bij de nieuwe generatie leeft dat sentiment nog meer dan bij de oude. Dat komt omdat jongeren tegenwoordig ambitieuzer zijn dan wij dat vroeger waren. Ik gaf laatst als invaller les op een zomeracademie voor muziek, theater en dans voor jonge, talentvolle kinderen vanaf een jaar of twaalf. Ze wilden allemaal op de voorgrond treden en een hoofdrol spelen. Toen wij klein waren begonnen we op de derde rij bij een orkest, we zouden wel zien of we ooit nog een belangrijke rol kregen. Op diezelfde manier willen jonge mensen nu niets meer te maken hebben met een amateurvereniging, ze kunnen er niet doen wat ze willen, het is niet cool. Je moet dus iets veranderen aan het imago van het amateurtheater om die jongeren weer aan die verenigingen te binden.”

KS: “Ik geef tegenwoordig les op een mbo, bij mij op school merk ik dat er ontzettend veel jonge mensen – van 16 tot 18 – met kunst bezig zijn. Die groep zou je kunnen interesseren in van ons amateurtheater. Maar dan moet je het wat mij betreft geen amateurtheater noemen. Er is toch geen bandje dat zegt: wij zijn amateurmuzikanten. We moeten het onderscheid tussen professioneel en amateurtheater volledig loslaten.”

BS: “Dat dacht ik vroeger ook, maar nu niet meer, het is eigenlijk gewoon onzin. Met het weghalen van het woordje amateur poets je het stoffige imago van je toneelvereniging heus niet weg. Amateur betekent liefhebber, in België gebruiken ze dat woord nog steeds. Ik vind dat mooi, amateurspeler moet je wat mij betreft zien als een geuzenaam. Het is uiteindelijk ook een woord dat je alleen in beleidsstukken tegenkomt. Niemand zegt: ‘Schat, vanavond ga ik naar het amateurtheater.”

KS: “Er is maar een kleine groep mensen die het label amateuracteur als een geuzennaam draagt, voor de rest werkt het belemmerend. Het imago van onze toneelverenigingen moet veranderen, alle kleine beetjes die daaraan kunnen bijdragen moet je aangrijpen. Het verwijderen van het woordje ‘amateur’ is daar een van.”

Laten we even de glazen bol erbij pakken. Hoe ziet ons theaterlandschap er over 25 jaar uit?

KS: “De lokale schouwburg programmeert al bijna geen toneel meer. Er is niet genoeg vraag naar en voor een kleine schouwburg is het onbetaalbaar. Ik denk dat we toegaan naar een tijdperk waar minder theater wordt gemaakt, voorstellingen worden meer een uitwisseling van verschillende disciplines. Dat is helemaal niet erg, maar meer een constatering. Ik vind theater leuk, dus ik vind het belangrijk om mensen erin te blijven opleiden en ze ervoor te blijven enthousiasmeren. Maar hoe het zich de komende tijd ontwikkelt? Geen idee.”

LE: “Ik denk dat de ontwikkeling die we zojuist hebben beschreven – de opkomst van lokale, verenigingoverstijgende theaterproducties op locatie – zich zal doorzetten. En net zoals de winkels leeglopen, zullen theaterzalen ook leeglopen, als ze niet meer doen om een nieuw publiek uit te nodigen.”

“Net zoals de winkels leeglopen, zullen theaters ook leeglopen”

BS: “Ik ben optimistischer. Theater verandert niet, slechts de techniek verandert. Fantasieën over wat je kunt in het theater worden werkelijkheid. Dat zie je nu al, maar de technische mogelijkheden blijven zich ontwikkelen. Manieren om een scènewisseling tot stand te brengen waar we vroeger over droomden, zijn straks opeens te realiseren.”

LE: “Ik ben The Game van Alessandro Baricco aan het lezen, dat boek gaat over de invloed van het internet op het menselijk denken. Hij denkt dat we een nieuw kunsttijdperk ingaan, ik ben dat ten dele wel met hem eens. De ontwikkeling van nieuwe techniek gaat inderdaad heel hard, dat biedt ongelofelijke mogelijkheden. Als ik nu bij een theatervereniging kom om advies te geven, gaat het direct over geluidszenders en videoprojecties. Hoe de techniek zich komende tijd gaat ontwikkelen, gaat bepalen hoe ons theater er in de toekomst uit gaat zien. Maar ik denk nog steeds dat de behoefte aan theater in zijn klassieke vorm drastisch af zal nemen. Mensen zijn tegenwoordig zo gewend om snelle en spectaculaire dingen te zien op hun iPad of telefoon. Dat willen ze dus ook terugzien in het theater.”

BS: “Dat zeiden ze dertig jaar geleden ook al. Goede verhalen blijven, over 25 jaar zijn we Shakespeare heus nog niet vergeten. En die grote locatieprojecten gaan het kleine klassieke toneel ook niet opslokken. Sterker nog: ze kunnen een inspiratiebron zijn. Iemand die van zo’n grote productie in de regio genoten heeft, gaat vervolgens in z’n eigen dorp proberen ook een toneelstukje op te voeren.

Ik blijf erbij dat theater de meest belangrijke kunstvorm is die er bestaat, omdat het het enige echte medium is dat je exclusief live beleeft. Ik ben er daarom ook van overtuigd dat in dorpen voorstellingen gemaakt blijven worden, want het is zo vreselijk leuk om de buurman, de slager of de bakker te zien spelen. Daardoor blijft een dorp een dorp. En zolang we regisseurs opleiden, blijven zij de behoefte hebben om dingen te maken.”

“Ik blijf erbij dat theater de meest belangrijke kunstvorm is die er bestaat”

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor Jonge Journalisten (www.fondsbjp.nl).