De lucht kleurt vele tinten grijs als natuurbeheerders Jan Beekman en Alwin Hut van Het Groninger Landschap op een middag hun wekelijkse ronde maken in het Hunzedal, ten zuidoosten van de stad Groningen. Het Zuidlaarder- en Foxholstermeer zijn in de verte zichtbaar. Hut speurt de lucht af. ‘Hé, een blauwe kiek!’ Een buitenstaander zou de zeldzame blauwe kiekendief missen die langs zeilt. Even later determineert Beekman een zwart stipje in de verte als een jonge vrouwelijke sperwer. 

Deze polders in het rivierdal van de Hunze heeft Het Groninger Landschap aangekocht, in totaal 1.900 hectare. Hut: ‘Vijftien jaar geleden graasden hier nog koeien en hooiden boeren hier links en rechts vrolijk. De overheid zocht toen ruimte voor waterberging.’ Paniek zoals in 1998 moest worden voorkomen. Het Groninger Museum – op een eiland in een kanaal – wapende zich toen met zandzakken tegen het wassende water. Desondanks stroomden de kelders vol. 

foto Harry Cock

Otterpoep

Hut verdwijnt in het struikgewas. Zijn getrainde oog valt op beverpaadjes, otterslaapplekken en andere diersporen. ‘Ruik eens’, klinkt het opgetogen als hij terugkomt met een grijze klodder op een takje. De geur van visolie wijst op otterpoep. Sinds enkele jaren leven er weer otters in dit natte gebied. In de jaren tachtig waren ze uitgestorven in Nederland. Hut werkt mee aan het verzamelen van DNA, zodat de wetenschap de verspreiding van het besnorde beest kan volgen. 

Twintig jaar geleden had niemand gedacht dat het er hier weer zo uit zou kunnen zien. Bijna zoals rond 1900, toen het in de winter en het voorjaar drassig was als de Hunze buiten zijn oevers trad. Het Groninger Landschap zorgt nu in dezelfde periode voor nattigheid. Het laat water uit de meren in de zomerpolders ten noorden en westen van het Zuidlaardermeer stromen. 

‘Ik kwam hier in 1979 om kleine zwanen te tellen’, zegt bioloog Jan Beekman, sinds 2018 hoofd rayon zuid bij Het Groninger Landschap. ‘Ik las toen dat de laatste otter was geschoten rond 1940 en dacht: die komt nooit meer terug. Tegen alle verwachtingen in zitten hier nu weer otters, veel bevers, dassen en sinds kort zelfs zeearenden. Weidevogels komen massaal hun honger stillen, en er zijn weer kemphanen. De veldleeuwerik broedt hier nog, terwijl die voor 95 procent is verdwenen in Nederland.’ En dan vergeet Beekman nog bijna de moerassterntjes en de kolonies geoorde futen. Die kleine zwarte futen met rode oogjes zijn in Nederland dun gezaaid. 

Beekman laveert zijn Volkswagen over het smalle fietspad om de Oostpolder te inspecteren. Door het autoraam regent het zachtjes naar binnen. Een grote zilverreiger staat roerloos in het land. Hut lepelt vanaf de achterbank nog meer wapenfeiten op: ‘In het gebiedje aan de Osdijk dat we hebben aangekocht zitten in de schemering tweehonderd van die witte vogels aan het water, samen met aalscholvers. En een jaar geleden liep hier een wolf langs, op driehonderd meter afstand. Machtig mooi!’ 

Droogte: voordelen

Over de droogte praten de mannen opvallend ontspannen. Beekman wijst op velden vol pitrus, een grasachtig gewas dat andere planten overwoekert. ‘Door de droogte konden we eindelijk ingrijpen, met een maaier op rupsbanden. Normaal zak je hier op het laagste stuk van de polder tot je nek in het veen. Als de overgebleven pollen in de winter onder water komen te staan, sterft de pitrus af.’ De mannen hopen dat er zegge en lisdodde voor in de plaats komen. Meer moerasvogels en de waterspitsmuis volgen dan hopelijk.  

‘Zie je die gele vlek in het water?’ Beekman wijst. ‘Dat zijn gekiemde moerasplantjes, die nu kunnen doorgroeien.’ Het tweede voordeel van de droogte: uitbundig bloeiende moerasplanten vormden in de zomer zaden, die dankzij de droogte konden kiemen. De overvloed aan zaden is goed voor eenden, maar die kunnen zaad alleen onder water opslobberen. ‘De eenden waren blij toen we voor het eerst weer water in de polder lieten lopen. Van de ene dag op de andere zag het zwart van de vogels. Bij een telling waren het er 18 duizend.’   

foto Harry Cock

Water: lust of last? 

Beekman beent over de dijk langs het meer, naar een van de oude Amerikaanse windmolens die dit gebied rijk is. Vandaag gaat daar de waterinlaat open, om de Westerbroekstermadepolder onder water te zetten. Zwetend draaien de mannen beurtelings langdurig aan de kraan. In hun groenbruine buitenkleding vallen ze niet op in deze omgeving. Pas na talloze rondjes staat de inlaat helemaal open: water bruist aan hun voeten de polder in. Beekman: ‘Veiligheid is belangrijk: water weghouden van bebouwing. Maar wij houden van nattigheid, voor dieren en planten. Eenden en steltlopers en veel andere soorten vinden hier eten en rust. Die beesten hebben straks weer weken te eten.’ 

De voorziene waterberging bij wateroverlast bleek al in 2012 nodig. Hut: ‘We vingen hier toen 15 miljoen kuub water op. Vee haalden we er in no-time uit, het waterschap groef dijken door en liet de polders vollopen, spectaculair. Dit had een geweldig effect: allemaal waterdiertjes en insecten die nieuwe vogelsoorten trokken. De zeldzame witwangstern broedde hier toen voor het eerst, de enige plek in West-Europa.’     

De afwisselende hoge en lagere waterstand heeft een groot effect. Beekman: ‘Voor boeren wordt het waterpeil vaak erg laag gehouden. In ons eigen gebied doen we dat gelukkig anders.’ 

foto Harry Cock

Droogte: risico’s

Over de droogte praten de natuurbeheerders niet alleen maar relativerend. Hut stapt in het riet: ‘Kijk, een droge bodem. Vossen en marterachtigen kunnen nesten van moerasvogels leegroven.’ Riet verdwijnt als het lang droogstaat. Grassen en struiken nemen de boel dan over, waardoor er een moerasbos of zelfs gewoon bos ontstaat. ‘Daarom plaggen we riet af zodat het weer in het water staat. Onze moerasvogels, zoals de roerdomp, hebben waterriet nodig.’ Beekman: ‘Ook in de polders moet je niet te vaak langdurige droogte hebben. Dan kruipt bodemleven dieper weg, waardoor weidevogels niet meer bij hun eten kunnen. Gelukkig valt de droogte bij ons mee. En we werken goed samen met het waterschap om onze veenweidepolders nat te houden.’ 

Het extreme weer zet natuurbeheerders wel aan het denken: hoe gaat dit in de toekomst? Hete zomers vragen om meer drinkwater, en als bedrijven dan ook nog veel extra koelwater nodig hebben, waar komt dat dan vandaan? Toch niet uit deze natuurgebieden?

Fabriekspijpen langs het Foxholstermeer braken grijze rook uit. Naar het zuiden toe strekt het polderlandschap zich uit rond het Zuidlaardermeer. Hut wijst op een ‘vliegende deur’, een zeearend, die overvliegt met een forse vis tussen zijn poten. Dit imposante beest broedt sinds enige jaren ten westen van het meer. Even later begroeten de mannen een groepje Schotse Hooglanders: ‘onze collega-natuurbeheerders’. Deze voddige grazers zorgen dat bomen en struiken geen kans krijgen om te groeien en het landschap op deze plek openblijft. 

foto Harry Cock

Spelen met water

Natuurlijk gezuiverd water uit de zomerpolders moest in 2018 vanwege de droogte naar een verdorrend veenweidegebied met grazend vee worden gepompt in het westelijke Hunzedal. Zonde, vindt Beekman. Die polders hebben dat heldere water hard nodig, want anders komt de gewenste groei van moerasplanten niet op gang. Dit schetst een dilemma: waar gaat bij droogte het kostbare water naartoe? Het Groninger Landschap werkt nu aan onafhankelijke waterinlaten voor beide gebieden, zodat schoon water uit de overstromingsgraslanden niet opnieuw hoeft te worden ‘verspild’. 

Boven vijf graden Celsius groeien bacteriën in het water. Beekman: ‘Dan wordt water te voedselrijk voor broedvogels, met stikstof en fosfaat uit de landbouw. Brandnetels en grote grassen houden daarvan, maar wij niet. Daarom laten we de zomerpolders alleen bij lage temperaturen volstromen met schoon, voedselarm water. Die polders zijn zo nat dat dit volstaat.’ De veenweidegebieden daarentegen zijn zo dorstig dat ze in droge tijden extra water nodig hebben, ook al is dat voedselrijker. Uitdroging van het veen moet worden voorkomen, want die betekent dat het voor altijd verdwijnt.

Met pretoogjes verhaalt de natuurbeheerder over het jagende stel zeearenden boven zijn hoofd gisteren, een polder verderop. Eerder wees hij aan de westkant van het gebied op een plek die favoriet is bij grote groepen smienten en brilduikers. Hij verhaalt van de lepelaars die in het Hunzedal aanschuiven aan de rijk gedekte tafel en hopelijk ooit blijven om kleintjes groot te brengen. Een buitenstaander duizelt het inmiddels van de uiteenlopende soorten vogels en planten. Beekman glundert. ‘Door te spelen met water kun je veel bereiken.’ 

De Hunze: van Drenthe tot Wad

In de jaren negentig smeedden Het Drentse Landschap en Het Groninger Landschap met het Wereld Natuur Fonds plannen om de oude loop van de Hunze te herstellen. Inmiddels hebben de partijen de klus in Drenthe geklaard en werken ze aan het Groningse vervolg: Hunzewater opnieuw langs de stad naar de Waddenzee laten stromen. De rivier slingert weer herkenbaar door het land in het Zuidlaardermeergebied, na een jarenlang bestaan als kaarsrechte bruine sloot in landbouwgebied. Verder richting de stad en het Wad kun je de oude loop soms nog zien, bijvoorbeeld in de Hunzezone, waar groothandel Makro uittorent boven industrieterrein Euvelgunne. 

Middeleeuwers leidden al Hunzewater naar de stad, waardoor de oude bedding droogviel. ‘Een meanderende Hunze biedt verkoeling in een geasfalteerde, bebouwde omgeving’, zegt Rob Reintsema, planoloog en kwartiermaker bij Het Groninger Landschap. ‘Zo’n stromende beek voert water af bij wateroverlast en zorgt voor bijzondere natuur. Je moet in de stad rekening houden met tal van wegen, kanalen en woningbouw, dus het is lastig hier door te zetten. Maar de gemeente en bedrijven zijn inmiddels enthousiast. We hebben net stadse grond kunnen overnemen van een stichting die ons wat gunde. Het vergt geduld, maar we komen langzaam verder.’