Begin jaren twintig van de vorige eeuw maakten de Friese onderwijzers Bakker en Rusch een nieuwe serie landkaarten voor het lager onderwijs. Kinderen moesten beter kunnen zien wat er allemaal in ons land gebeurde en hoe dat verband hield met de natuurlijke omstandigheden. Iedere provincie kreeg twee kaarten. De eerste toonde wat er allemaal bovengronds gebeurde (landbouw, veeteelt, scheepsbouw of industrie). Op de tweede kaart lieten heldere kleuren duidelijk zien hoe de bodem was samengesteld (zeeklei (pistachegroen), laagveen (lila), dalgrond (roze) of zand (fel geel)).  

Heerlijk voor het hoofd: heldere kleuren, goede pictogrammen, je begrijpt direct wat er gebeurt. Toegegeven, de nuance ontbreekt, maar de boodschap is duidelijk. Hier wonen wij, dit is onze bodem en dit is dus wat wij verbouwen en maken. 

Op de kaart van Drenthe staan rechts bij de letter e van Emmen een hunebed en een textielfabriek. Iets daarboven, in Groningen midden in het akkerbouwgebied waar aardappelen en tarwe verbouwd worden, staan de aardappelzetmeelfabrieken en strokartonfabrieken. De connectie is helder. Vanaf de tarwe staat een pijl met rode letters richting de fabriek. Stro staat erboven. Nog hoger in het Eemsgebied komen er over de lichtblauwe zee dunne zwarte pijlen van buiten: hout en kunstmest. Wat er met zwarte pijlen uit Nederland vertrekt, is zout, soda, aardappelmeel en karton. In Friesland is er veeteelt, worden de schelpen geoogst voor de kalk, zijn er fiets- en schaatsfabrieken en een speelgoedfabriek te IJlst. 

Dat we ooit veel gewoon in eigen omgeving konden maken, zijn we al lang vergeten. Toch zijn de sporen ervan zijn nog steeds in ons landschap te zien. Bovengronds herinneren kanalen, kalkovens, oude steenfabrieken langs de rivieren, ijzeroer-afgravingen, tichelbosjes en grienden ons aan de traditionele productie van onze spullen. Ook ondergronds vinden we nog de sporen. Soms duizenden jaren oud, zoals vuistbijlen, pijlpunten en aardewerk van lokale zeeklei of de houten kano van Pesse.

Op de zeventiende eeuwse kaarten van Blaeu vallen in beperkte mate ook de sporen van de Nederlandse grondstoffen en de Nederlandse makers te zien. In Drenthe zien we jagers, veengravers en kuddes schapen, in de Friese stad IJlst zijn scheepsbouwers aan het werk en in Workum staan grote ovens aan de kust. In Groningen zien we binnen de stadsmuren de linnen hemden en stoffen liggen op de bleek. Wat verder opvalt: meer natuur en minder wegen.

Pijlen van overzee

Wie nu een Bakker & Rusch kaart van Nederland wil maken met daarop de relatie bodem, grondstoffen en makers, heeft een lastige klus. Konden Bakker & Rusch nog volstaan met een dunne pijl voor hout en kunstmest vanuit het buitenland, wij hebben een zee vol pijlen. 

Bijna al onze spullen komen van ver en de grondstoffen daarvoor worden van over de hele wereld ingevlogen. De grondstoffen en goederenstromen zijn enorm gecompliceerd geworden.

Op onze kaart lopen de zwarte bogen op zee vanaf de aardewerkfabrieken in Thailand, de kledingfabrieken in China en Indonesië, de leerlooierijen uit Zuid-Amerika en de wol uit Australië en Nieuw-Zeeland. Op het land blijft het overzichtelijk. Daar maken we nog maar weinig. Wel tekenen we een strak netwerk van snelwegen vanaf de havens en vliegvelden naar de distributiecentra en de winkels aan de randen van onze grote steden.

De aparte kaart voor de bodemsoorten kunnen we weglaten. Onze natuurlijke omgeving is niet langer relevant voor onze grondstoffen en onze spullen. Woonwijken, bedrijfsterreinen en raaigras namen de plek in van vlas, hennep, grienden en bossen.

Facelift

Twee generaties terug aten mensen nog van borden gebakken van klei uit de buurt, net zoals de makers van het ondergrondse aardewerk van duizenden jaren geleden. Twee generaties terug sponnen boerenarbeidsters in het noorden van Friesland nog met de hand het op het land van hun baas verbouwde linnen. Het ging naar de wever en kwam terug als stof, voor onder meer kleding. De arbeidsters waren de laatsten in een lange traditie. En dat we die traditie loslieten was niet zonder reden. Onze traditionele natuurlijke grondstoffen waren dan wel dichtbij, maar vaak lastig te telen, te winnen en te verwerken. Een stengel vlas verandert niet zomaar in een linnen laken. Dat vroeg om vele uren werk. Bovendien moet je om natuurlijke grondstoffen te verwerken veel kennis en ervaring hebben. De wisselende kwaliteit van de grondstoffen, door de invloed van het weer bijvoorbeeld, maakte dat ambachtslieden vaak hun geoefende ogen en handen nodig hadden voor een goed resultaat.

Daarbij kwamen dan nog — niet te zien op de kleurige, overzichtelijke kaarten van Bakker & Rusch — de vaak onderbetaalde, zware arbeid, de vervuiling en de stank. In de omgeving van  leerlooierijen en strokartonfabrieken of de sloten waar het vlas te van roten (rotten) werd gelegd, rook het vaak niet erg lekker.

Aanvankelijk leek de industriële revolutie een uitkomst te bieden. We sloten de werkplaatsen van de ambachtslieden en bouwden fabrieken. Deze fabrieken verwerkten onze lokale grondstoffen stukken sneller. Maar ontwikkelingen stonden niet stil en machines bleken uiteindelijk nog sneller en goedkoper te kunnen produceren met nieuwe, minder bewerkelijke materialen: kunststoffen. 

Uiteindelijk sloten we ook de fabrieken. Slecht betaalde arbeid verplaatsten we uit het zicht naar lagelonenlanden. We lieten onze spullen voortaan aanvoeren van ver. We maakten een onzichtbare nieuw verband van onze spullen met landschappen en makers hier ver vandaan. Een goed idee leek het. Veel goedkoper en stukken minder gedoe. Alle rimpels van het harde werken, de overlast en het ongemak van de natuurlijke materialen gladgestreken. De witte en blauwe vlasvelden, ooit een derde van het Friese landbouwareaal, verdwenen. De grienden raakten in onbruik, de tichelbosjes werden niet langer bijgehouden en de gaten waaruit ooit ijzeroer werd gewonnen, raakten begroeid. De eeuwenlange link tussen ons landschap en onze spullen werd verbroken.

Een tijdje was het fijn. De dikke handgebreide wollen kriebelsokken werden heerlijk lichte, gladde nylonkousen. Zwaar henneptouw werd een handig elastiekje, gemaakt van Aziatisch rubber en nog later werd het gaffertape of een tiewrap. Het touw dat bleef, veranderde in onverslijtbaar plastic. Arbeidsintensieve rieten manden van wilgenteen werden veel handigere stapelbare kartonnen dozen gevuld met bubbeltjesplastic.

Hardnekkige zintuigen

Maar nu, na ongeveer honderd jaar blijkt de facelift van onze maakindustrie minder goed te werken dan gedacht. De botox van de vooruitgang is uitgewerkt. We horen verhalen over wantoestanden in verre fabrieken. Piepschuim korrels uit containers vervuilen de duinen op de Wadden. De microplastics van onze nylonkousen vervuilen het water en blijken in onze longen en ons bloed terecht te komen. De biodiversiteit loopt sterk terug. Onze inheemse insecten kunnen niet wonen op bubbeltjesplastic. Ze hebben de wilgen in de geriefbosjes en de grienden nodig. De ontkoppeling blijkt ontwrichtend voor de natuur. 

Ook onze hersenen hebben het er moeilijk mee.Ondankbaar zou je ze kunnen noemen, onze zintuigen. We geven ze trevira, dralon, polypropyleen, trespa, pvc, mdf, skai, melamine. En wat doen ze? Ze gaan zweten, ze vinden het niet lekker zitten, ze vinden het niet lekker ruiken. Ze vinden het te glad of te hard. Of ze vinden dat het niet lekker genoeg ritselt of ruist.

Onze zintuigen kunnen het niet helpen. Ze missen de structuur van het hout en linnen, de geur van het leer, het onregelmatige glazuur van handgebakken aardewerk, de ademende warmte van wol. Ze snappen het niet. ‘Handig’, ‘goedkoop’, ‘onverslijtbaar’ en ‘makkelijk te onderhouden’ zijn geen begrippen waarmee ze iets kunnen. Ze zijn hardnekkig. Ze willen gewoon wat ze gewend waren. Ook de marketing begint dat te begrijpen.

Kijk naar wat er in de winkels ligt. Een vloerkleedje bij Ikea bijvoorbeeld. Het ziet er uit als een schapenvacht, maar het is gemaakt van honderd procent polyester. De etiketmarketing doet haar best de zintuigen tot aanschaf te bewegen. ‘Het TOFTLUND vloerkleed is warm, zacht en lekker om op te lopen of te zitten.’ Pas dan richt de etiketmarketing zich direct tot het gezonde verstand: ‘Machinewasbaar, makkelijk schoon te houden.’ 

Oog en tast missen het hout. Ik lees op de Karwei-website de reviews bij Rustiek Laminaat Nina, met tastgroeven. Klant Ilse schrijft: ‘Hartstikke mooi en net echte planken met voelbare structuur. En klant Joris zegt: ‘Ben zeer blij met hoe het laminaat eruit ziet. Zeer mooie houtlook.’ 

‘Eén spraytje vult de kamer met de heerlijke nostalgische geur van natuurlijk leder.’ Ook handig voor lederwarenwinkels, schrijft een webwinkel. ‘Met één spraytje bij de ingang ruikt uw hele winkel naar leer zodat uw klanten onmiddellijk uw winkel associëren met kwaliteits leder producten.’ De neus wil geen skai en heeft van al onze zintuigen het meest direct toegang tot ons geheugen. 

Een nadeel van onze hardnekkige zintuigen is ook dat ze onze nieuwe grondstoffen niet goed kunnen lezen. De kankerverwekkende stoffen in onze meubels, in de lucht – onze ouderwetse zintuigen zien, voelen en ruiken de nadelen van de nieuwe materialen niet. 

Plastic bijvoorbeeld. Ik heb het niet gezien, niet geroken, en niet geproefd, maar volgens een recent onderzoek van het Wereldnatuurfonds heb ik op het moment dat ik dit schrijf al het volume van dertig creditcards aan microplastics gegeten en ingeademd. Mijn ANWB-lidmaatschapskaart, mijn bankpasje, mijn rijbewijs, ik heb het niet gemerkt.

Zintuigen die duizenden jaren aardewerk van klei uit de omgeving gewend zijn, ruiken geen bpa’s en microplastics. Ze lijken een dode hoek te hebben voor alles wat niet in de natuur voorkomt.

Het spoor vooruit

Eeuwenlang hadden we een model dat we met wat aanpassingen goed zouden kunnen gebruiken. Wat mij betreft schakelen we om. De oplossing voor het klimaatprobleem en onze overconsumptie ligt in het verleden.

Om te onderzoeken wat er nog over is van dat oude model en om te kijken hoe we dat weer in zouden kunnen zetten voor een bestendige toekomst, reisde ik afgelopen anderhalf jaar door Nederland met een boodschappenlijstje. Ik ging op Expeditie sok. Op mijn lijstje staan vijftien heel gewone dingen als een wollen sok, een bord van klei en een stukje touw van hennep. Eeuwenlang heel gewoon, maar nu vaak niet meer te vinden.

Ik werk aan mijn reisverslag en schrijf een boek, want wat ik tegenkom is hoopgevend. Er is veel verdwenen, maar veel is er ook wel. En er zijn veel oude en nieuwe losse eindjes. Mensen zijn zuinig geweest op de oude materialenkennis en hebben die ervaring en kennis nog in hun handen. Jonge Nederlandse ontwerpers onderzoeken oude en nieuwe natuurlijke materialen van dichtbij.

In mijn hoofd werk ik ondertussen aan de Bakker & Rusch kaart van Nederland in 2050. Achter de zwaarverhoogde dijken is het druk. Het lege landschap is weer een lappendeken van verschillende gewassen geworden. En de bodemkaart is terug. Want het heideschaap woont op de zandgronden en het melkschaap op de klei. De meekrap weer aan de Waddenkust. De kleuren zijn prachtig. Het blauwe vlas groeit goed, ook bij de nieuwe hogere temperaturen. Op mijn kaart liggen de linnen hemden weer te drogen, groeit de hennep en zijn er nieuwe spinnerijen. De scholen leiden weer makers op en de nieuwe technieken blijken wonderwel te werken met de eeuwenoude grondstoffen. Al onze kapotte spullen kunnen gerepareerd of op de compost. In een hoek van mijn kaart, in het donkergrijze stuk, is een stuk afgezet met rode linten. Daar liggen, goed afgesloten, de plastics en de kunststoffen in quarantaine. We laten ze waar ze zijn, zodat ze water en lucht niet verder kunnen vervuilen. De dikke zwarte lijnen op het land en de gebogen pijlen in de zee zijn verdwenen. De lucht is schoon en over het algemeen ruikt het heerlijk in 2050. 

Toegegeven, het gerote vlas en de composthopen stinken wel als de wind verkeerd staat en het is hard werk, maar onze hardnekkige zintuigen zijn tevreden. De bijen zoemen en de wilgen ruisen in de wind.

En gek genoeg is er niemand die taalt naar de nostalgische geur van vers polyethyleen of de rustieke uitstraling van kliklaminaat met tastgroeven.