Het gelaat van de Friese gedeputeerde spreekt boekdelen als ik hem vraag hoe hij zou reageren als  een Brabantse varkensboer zijn begerige oog laat vallen op een natuurkavel in Gaasterland. ‘Dat zou me wel zorgen baren’, zegt hij dan voorzichtig. Douwe Hoogland heeft net een stuk nieuwe natuur in de Séfonsterpolder te koop gezet

Iedereen kan toehappen. Een buurboer bijvoorbeeld. Of een grote melkveehouder van verderop. Ook een grondspeculant kan een bod uitbrengen. Of een Chinese investeerder die naast de Friese  melkveebedrijven die hij heeft aangekocht ook natuurgebieden wil bezitten. Of een boer die elders in het land een intensief vleesveebedrijf heeft en van die duizenden dieren karrevrachten gier overhoudt. Die heeft wel belang bij hectares waarmee hij de balans tussen stront en grond kan verbeteren. 

De gedeputeerde mag bij de verkoop van natuurgrond geen onderscheid maken tussen de ene en de andere burger – en datzelfde geld voor boeren. Hij moet open en transparant zijn en alle burgers gelijk behandelen. Dat hoort bij zijn ambtsplicht en is verankerd in de wet; hij is bestuurder van alle Friezen. Bovendien past het goed bij de poldermentaliteit: je spreekt met iedereen die ergens een belang bij heeft alsof hij/zij je even lief is. 

Maar er is ook een andere waarheid: Fryslan heeft dit land tegen het Rijsterbos aan niet voor niks aan de landbouw onttrokken. Met publiek geld aangekocht van degene die er boerde en heringericht: deze grond is voortaan onderdeel van het NatuurNetwerkNederland. Hier krijgen wilde dieren en planten weer meer kans. Bij die nieuwe bestemming hoort natuurvriendelijk beheer. En de samenleving betaalt daarvoor. Daarom verkocht de provincie heringericht boerenland eerder aan een grote natuurbeheerder.

Maar nu brengen provincies natuurland op de markt. De provincie zoekt, zo zegt de gedeputeerde, een koper  ‘die gevoel voor natuurbeheer’ heeft. Dat klinkt uiterst verstandig; de vraag is hoe komt hij aan zo’n beheerder? Want op de vrije markt mag iedereen inschrijven, niet alleen idealistische natuurbeheerders. Het antwoord van de gedeputeerde is: regels en voorwaarden. In dit geval: een bestemmingsplan, een koopcontract en  controlemechanismen. Plus een stevige dosis vertrouwen dat de koper zich aan de voorschriften houdt en niet op de oude wijze blijft doorboeren op dit stuk land.

Douwe Hoogland lijkt me een integere man. Hem geloof ik, maar toch ervaar ik zijn benadering als naïef. Er zijn geen politiemannen genoeg om onze steden veilig te houden, dan ga je toch niet menskracht inzetten om te controleren of een boer wat verboden mest over een natuurlandje strooit? Dat wil je toch ook niet! Daarbij: valt natuurvriendelijke beheer eigenlijk wel in regels te vatten? Dan krijg je weer zo’n te nauw omschreven dwingend regelboek dat boeren belemmert om hun werk goed te doen. De natuurboer worstelt er net zo goed mee als de ‘productieboer’. Hoe onderscheid je de ene boer die de regels oprekt om weidevogels te helpen van de andere die de voorschriften aan zijn laars lapt om meer productie van het land te halen? Ik voorzie hopeloze rechtszaken van boeren die tegen ‘het systeem’ knokken. En daar boos van worden. 

Ben ik nou zo’n achterdochtige burger geworden? 

In een recent artikel van wetenschappers van de Radboud Universiteit las ik een analyse waaruit ik opmaak dat mijn wantrouwen terecht is, maar niet functioneel; het helpt de wereld niet vooruit. Het artikel beschrijft eerst dat we het ‘redelijk normaal vinden dat we onze natuurlijke leefomgeving naar eigen goeddunken gebruiken. Dat zit diep verankerd in onze cultuur.’ Maar nu onze leefomgeving daaraan ten onder gaat, moet het fundamenteel anders. We hebben een systeemverandering nodig. Klimaatopwarming, biodiversiteitsverlies, luchtkwaliteit en stikstof – noem de bedreigers maar op. Natuurlijk zijn er verbeteringen mogelijk: je kunt via luchtwassers, ander veevoer – strengere regels of technologie – de stikstofuitstoot omlaag krijgen. Maar omdat we aan de grens zitten van wat de aarde kan dragen, volgt er steeds sneller een volgende crisis. Stalbranden, dierziekten, verzin het maar. 

De richting waarin we het nieuwe systeem moeten zoeken is duidelijk: met meer respect voor de aarde. Maar hoe komen we in beweging? In de innovatiewetenschap gebruiken ze het begrip ‘padafhankelijk’ om te beschrijven wat ons afremt. ‘Door de tijd heen zijn machtsverhoudingen gegroeid tot een ingewikkeld systeem van afhankelijkheden. Binnen dat systeem worden bedreigende signalen van buitenaf ofwel genegeerd, ofwel zodanig vertaald dat de bestaande verhoudingen steeds weer bevestigd worden’, leggen de Radboud-wetenschappers uit.  

Dat zien we nu ook duidelijk bij de boerenorganisaties en de politieke partijen. Neem Marc Calon, de voorzitter van de LTO. Vele malen ben ik van tv-kanaal geswitched als hij weer buisvullend in beeld werd gebracht. Altijd is die man boos op de overheid, die dit heeft nagelaten of juist dat heeft gedaan. Hij is er een meester in om de grootschalige natuur- en landschapsvernietiging van de laatste decennia te ontkennen en van het bord van de boeren af te schuiven. Het verwarrende is dat Calon deels gelijk heeft: boeren zijn belangrijke beheerders van onze leefomgeving. Maar zodra er kritiek is op de effecten daarvan op ons aller leefmilieu, zit hij thuis en kijkt hij naar het plafond. Terwijl wij moeten toezien hoe de biodiversiteit uit onze leefomgeving wordt gejaagd.

De Nijmeegse wetenschappers verklaren de heftigheid van dat ontkenningsmechanisme: Het poldermodel heeft ons jarenlang verleid om hard te onderhandelen. ‘Het PAS-arrest laat zien wat er misgaat als je conflicterende belangen onder het tapijt van een rekenmodel probeert te vegen.’ De waarheid raakt verhuld en we verliezen ons in een strijd over metingen en sommetjes.

Gelukkig heeft Calon een achterban en dat zijn de boeren die veelal dagelijks ervaren dat het misgaat. Velen betreuren het dat de omgeving steeds minder biodivers is, of ze merken dat de buren erover klagen. Sommige boeren strijden voortdurend tegen knellende en veranderende regels – een demotiverende bezigheid. De helft, zo bleek recent uit een enquête, wil werken aan voedsel in een gezonde omgeving. Als dat kan door door te ontwikkelen naar een systeem met meer balans tussen natuurlijke en cultuurlijke krachten, dan is dat de route. En dat signaal heeft Calon eindelijk ook opgepakt. In Nijkerk op 26 november zei hij: ‘In tegenstelling tot wat veel boeren zeggen, dat er geen echt stikstofprobleem is, maar een politiek probleem, heeft de Nederlandse landbouw weldegelijk een stikstofprobleem. De uitstoot moet daarom omlaag. De stikstofcyclus is uit balans.’ 

Mijn hart maakte een sprongetje: het probleem wordt eindelijk gedeeld. Dat is belangrijk al zijn we er nog niet. Calon trok zijn boodschap schielijk in toen de andere helft van zijn achterban met tractoren op weg ging naar zijn voordeur. Veranderen is niet eenvoudig. En het vergt moedige bestuurders.

De Nijmeegse wetenschappers betogen dat we de verandering van het ‘systeem’ kunnen vlot trekken door een ‘waardendiscussie’ met elkaar te voeren. Niet eerst in gesprek gaan over de route en de instrumenten, maar over het fundament. Wanneer je los komt van de regels en de knelpunten kun je met elkaar bespreken wat we eigenlijk willen. Via die aanvliegroute kun je het vaak eerder eens worden. Ik herken dat. De individuele boeren waarmee ik in gesprek ga, zijn steeds mensen die goed voedsel willen produceren in een aantrekkelijk en gezond biodivers landschap. Zodra het gaat over ‘dat vak’, vinden we elkaar. En ja, daar wil ik dan ook een eerlijke prijs voor betalen. 

Daarna komen we bij een enorme hobbel. Regels en techniek kunnen dienstbaar zijn. Overheden ook – al moeten die eerst uit hun oude padafhankelijkheid komen. Maar geldt dat ook voor de agro-industrie en de voedselketens? Dat is ‘de vrije markt’ waarop boeren hun producten aanleveren en wij ze kopen. Ik heb twijfel ten aanzien van wat de ‘vrije markt’ vermag. Die rekent vooral in euro’s, staat onder druk van aandeelhouders en gaat voorbij aan zaken zonder prijskaartje. 

Daar zit ook mijn wantrouwen tegenover het ‘in de markt zetten’ van percelen natuur. Dat verengt natuurbeheer tot een zakelijke transactie – en dat zie ik echt anders. De provincie definieert wat ze wil en zoekt daar op de vrije markt een ‘uitvoerder’ bij. Ik vertrouw het oordeel van gedeputeerde Douwe Hoogland – hij zal vast een koper kiezen met ‘gevoel voor natuurbeheer’ – , maar ik verwacht niet dat de gedeputeerde in de toekomst kan kijken. De koper, diens erfgenaam of latere bedrijven die de grond overnemen kunnen altijd voor hun ‘welbegrepen eigenbelang’ kiezen en primair doen wat goed is voor hun eigen portemonnee. 

Hoogland zelf weet dat natuurlijk ook. Daarom deed hij vroeger zaken met de natuurorganisaties die in hun statuten verankerd hebben dat hun werk in dienst staat – en tot het einde der tijden ook blijft staan – van de natuur. Vanuit die veilige basis hoef je niet alles af te rekenen en in regels te vatten. Het liefst zou hij de Séfonsterpolder gunnen aan ‘een collectief’, bekent hij. Een collectief van Friese boeren. Daar zit meer continuïteit in, want dan houden de beheerders, en hun bestuur, elkaar aan de afspraken. En, vrij naar de Nijmeegse innovatiewetenschappers: met zo’n collectief kun je een waardendiscussie voeren.

Want alle boeren zijn gelijk, maar een collectief van natuurboeren is voor de Séfonsterpolder toch net iets gelijker.

Lees hier alle blogs van Ineke.