We spreken Adriaan Geuze, landschapsarchitect en een van de oprichters van ontwerpbureau West 8, op de dag van het Groninger landschap. Die staat in het teken van een uitwisseling tussen onderzoekers, studenten en professionals. Adriaan Geuze is er om te inspireren en mee te denken met de studenten. Hij wordt de hele dag aan zijn jasje getrokken om zijn mening te geven, om even snel mee te kijken of om op de foto te komen. Hij laat zich gewillig en met een glimlach meevoeren.

In 2018 hield hij de Jan Abrahamse-lezing voor Noorderbreedte. Daarin bracht hij een ode aan het Friese landschap met zijn terpen, water, het wad en de openheid. ‘Het landschap is Bach en Rembrandt’, zei hij toen. Ook nu doet hij een beroep op het gevoel van de studenten en professionals. En ook nu bejubelt hij de vele wierden en de bijzondere ontstaansgeschiedenis, dit keer van de provincie Groningen.

Je zou bijna denken dat Geuze de wereld door een roze bril ziet, maar wie doorvraagt hoort dat hij zich wel degelijk zorgen maakt. Over de situatie in Groningen bijvoorbeeld: ‘Er moet nu echt iets gebeuren.’ Tegelijkertijd is hij er ook van overtuigd dat we als mens altijd wat vooruit zullen aanklungelen. In ‘megalomane plannen’ gelooft hij in ieder geval niet.

Geen megalomane plannen dus, maar wat dan wel?

‘Ik kom uit een ingenieursfamilie: dijkenbouwers, werktuigbouwkundig ingenieurs. Ik heb een Wageningse opleiding. Als landschapsarchitect werk ik vanuit een verbinding met je eigen grond, met de regio en de continuiteit van de geschiedenis. Waar je mij ook aan het werk zet, ik zal altijd vanuit die bron proberen te werken. Als je iets wilt bereiken moet je je afvragen: wat is er eigen aan dit gebied? Wat zijn de waardes en de culturele ankers?

‘Het is een feit dat wij een duizend jaar lange traditie van landmaken hebben, wij hebben het plannen bedacht. In de vroeg twintigste eeuw bereikte deze traditie een climax. De Zuiderzeewerken en de Berlagiaanse stedenbouw zijn internationaal gezien het hoogtepunt van de fine Dutch tradition. De plannenmakers van toen kozen een groots perspectief, ze werkten samen met bestuurders, universiteiten en bedrijfsleven. Elk volgend plan werd beter. Politici namen de leiding over de uitvoering en regelden de democratische verankering. Die traditie werd de basis voor de wederopbouw, de Deltawerken en de grote landbouwhervormingen. ‘Gek genoeg verbrak de babyboomgeneratie deze traditie. In de jaren zeventig werd een nieuwe “ruimtelijke ordening” geintroduceerd die gestoeld is op beleid en procedures. Dit leverde een impotente planningsindustrie met juristen en managers. Zelfs de beste advocaten van de Zuidas kunnen deze procedures niet meer duiden. De maatschappij levert visies en perspectieven, die als spaghetti uit de procedurele molen komen. Bestuurders voelen zich niet verantwoordelijk voor de uitkomst van plannen. Voor hen gaat het om de bezweringen van beleid en procedures. In deze nieuwe planningswerkelijkheid van Nederland zijn decentralisatie en marktwerking de mantra’s. Regels zijn hindermacht. Voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis leven we zonder “toekomst”. Dat klinkt misschien raar, maar is wel de situatie. De lobby’s van de bouw en ontwikkelaars, natuurorganisaties, transport en logistiek, landbouw en energiesector bepalen hoe het Nederland van de toekomst eruit ziet.

‘In mijn Wageningse studietijd volgde ik colleges bij Ed Taverne in Groningen. Hij doceerde de geschiedenis en de gelaagdheid van het landschap. Verandering van het landschap vereist een maximale sensitiviteit. Het is een kwestie van transformatie en mededogen. ‘Dat laatste zijn we in Nederland kwijt. Er heerst een protestantse morele perceptie, waarin gesproken wordt over “de grote opgaves”. Het landschap moet alles oplossen, er is immers een “opgave”. Daarin slaan we door. We moeten beseffen dat er ook zoiets bestaat als culturele legacy.

‘Groningen is een paradijs met zijn jonge zeeklei. Dat is de beste bodem. Je kunt er van alles op telen. Mooi land en zo waardevol dat je denkt: waar hebben we het aan te danken? Het Groningse landschap is verpletterend en troostrijk. We hebben het Reitdiep, een fossiele kreek dwars door het oude Hogeland, Winsum, het gemaal bij Electra en Zoutkamp. Die zullen altijd ontroeren.’

Hoe hou je wél rekening met die culturele legacy?

‘Sociaaleconomisch kun je van alles willen, maar doe het in relatie tot het cultuurlandschap. Die combinatie is voor Nederlanders existentieel. Nadenken over de toekomst van Groningen is fundamenteel want de regio verdient nieuwe perspectieven. Doe het in kleine stappen. Veranderingen vragen om finesse en accuratesse, op de grote schaal en op lokaal niveau. ‘Het huidige tijdsgewricht is interessant als je kijkt naar het contrast tussen de Stad en het Ommeland. Er heerst grote euforie over de stad Groningen die zich explosief ontwikkelt en die ook innovatief is. De stad Groningen is de onmiskenbare metropool van Noord-Nederland. Voor het prachtige Ommeland lijkt het tegenovergestelde te gelden. In de agrarische sector werken steeds minder mensen. In het Noorden is dit goed zichtbaar. De landbouw als economische pijler van de regio heeft het terpen- en wierdenland kwetsbaar gemaakt. Het platteland en hogeropgeleiden trekken weg, het voorzieningenpeil daalt. Terwijl in de rest van Nederland de huizenprijzen stijgen, verliezen de woningen in deze regio juist aan waarde. De aardbevingsproblematiek komt hier overheen. Het Groningse platteland kraakt in al zijn voegen. Mensen hebben grote zorgen over hun bestaan. Hun mentale gezondheid wordt ondermijnd. Vaak wordt vergeten dat deze regio ook trauma’s kent uit het verleden. De geschiedenis van de veenkoloniale uitbuiting en diepe armoede, de “ graanrepubliek”, het sluiten van de naoorlogse industrie, de achterstelling van de periferie in de media en de politiek zijn geen kleine zaken.

‘Het moment is nu. Het trauma is maximaal, iedereen in Nederland gunt het de Groningers’

‘Om nu je vraag te beantwoorden: het moet altijd gaan over mensen! Dit vraagt echt een attitude van kleine stapjes en denken in gelaagdheid. We gaan proberen met de Groningers een, door het Nationaal Programma Groningen gevraagd, toekomstbeeld voor de regio te ontwikkelen. We moeten op zoek naar een goede naam voor deze aanpak waarin bottom-up kan worden gewerkt en waarbij de kracht van de regio het uitgangspunt is. In het Gronings is er het mooie woord toukomst.’

Hoe gaan jullie het anders aanpakken?

‘We zijn begonnen met inventariseren van eerst wat er al aan plannen is en wat er leeft. Onze methode is erop gericht de gemeenschappen in de regio op te zoeken en met hen te discussieren over hun beeld van de toekomst. Daarvan maken we een online toukomst-platform. We zoeken een dertigtal aanjagers in de gemeenschappen en daarnaast gaat een groep Hanzehogeschool-studenten met de jeugd in debat, dat doen we aan de hand van een spel dat we aan het maken zijn.

‘Maar ik besef dat het niet vanzelf gaat. Wij hopen dat er nieuwe allianties geboren worden, zodat kleinere initiatieven kunnen worden samengevoegd en opgeschaald. Uiteindelijk kiezen de bewoners welke plannen uitgevoerd worden. Dus niet de bestuurders. Het moment in Groningen is nu. Het trauma is maximaal, iedereen in Nederland gunt het de Groningers.’

Moeten de perspectieven altijd van de burger komen?

‘Ik ben nog niet lang genoeg bezig om die vraag te beantwoorden. In elke samenleving heb je een voorhoede, die nieuwe perspectieven formuleert. In het ideale geval corresponderen die met de behoeftes en realiteit. Er wordt veel in sectorale opgaven gedacht. Het klimaat, de wateropgaven, onze energievoorziening en de herijking van de landbouw zijn weliswaar opgaven, maar de vraag is of dit voor de Groningers zelf ook geldt.

‘Als je met Groningers praat, dan hoor je dat ze zich zorgen maken over hun kinderen die de dorpen verlaten. Ze maken zich zorgen over hun baan of bedrijfsopvolging. Velen uiten hun zorg over het onderwijs, de relatie tussen wat je kunt leren en de aansluiting op de arbeidsmarkt. Er zijn veel thema’s die te maken hebben met emancipatie en zelfbeschikking. Het bestuur lijkt hiervan vervreemd. We leven op de rand van de vulkaan, mensen trekken het niet meer.

‘De vraag die je bij al je ingrepen zou moeten stellen: Wat levert dit op voor de Groningers? In Groot-Brittannie wordt bij elk ontwikkelingsproject berekend hoeveel banen het oplevert. Als het er te weinig zijn kan zo’n project niet doorgaan. Stel, we hebben windmolens in Groningen gezet, het landschap is besmeurd, het heeft geen banen opgeleverd. Heb je dan wel echt een probleem opgelost? ‘Sinds kort zijn er subsidies voor natuurinclusieve landbouw. Kunnen we dat geld op zo’n manier besteden dat het regionaal verankerd is? Komen er banen bij? Heeft de jeugd er wat aan? Trekken er daardoor meer mensen uit de Stad naar het Ommeland? Zo zou je elke sectorale vraag moeten aanpakken. Letterlijk.

‘Dit is het moment waarop elke Nederlander achter een plan voor Groningen zal gaan staan. Vergelijk het met de mijnsluiting, of de storm in 1953, toen hebben we met z’n allen gezegd: dat nooit meer. Als de Groningers een plan willen van 10 miljard zullen de andere Nederlanders zeggen: dat gaan we doen. Maar dit heeft alleen maar zin als er nu uit Groningen ook perspectieven ontstaan voor die toekomst.’