Peter Breukink laat zijn voetsporen na op de stoffige vloer van de Sebastiaanskerk in Bierum. De directeur van Stichting Oude Groninger Kerken (SOGK) leest terwijl hij door het gangpad stapt als het ware het verhaal van de kerk. Hij ziet de sporen die de afgelopen eeuwen hebben achtergelaten: de oorlogen die ze heeft doorstaan, de renovaties van de afgelopen centennia en actueler: de aardbevingen. Alles bij elkaar vertelt het verhaal van een dertiende-eeuwse kerk in herstel. De binnenkant is ingepakt in mat plastic voor asbestsanering. Door de hoge smalle ramen in de toren valt veelkleurig licht naar binnen. Dwarrelend stof trekt diagonale strepen.

Temidden van de werkzaamheden loopt Breukink (67) dolenthousiast rond. Hij staat in het hart van zijn passie. Zijn levenswerk. Waar een ander wellicht een oud stoffig gebouw in plastic ziet, ziet Breukink al de pracht van het herstelde godshuis. Dit is waar alles voor hem om draait. ‘Dit is ons werk.’ Weinig is voor hem zo bevredigend als waken over de oude kerken die de provincie Groningen rijk is.

Liefst 32 jaar zet hij zich in voor de Groninger godshuizen. Eigenlijk is hij de pensioenleeftijd al gepasseerd, maar dit lustrumjaar, het vijftigjarig bestaan van de stichting, wil hij niet missen. Op de ochtend van het interview krijgt hij in een mailtje de naam van zijn opvolger door (zie kader). Dat bericht vervult hem tot zijn verbazing met een vlaag van weemoed.

Het eindigt nu toch echt.

Sluipmoordenaar

Peter Breukink stapt de kerk uit. Hij is op deze frisse dag in oktober gekleed in een krijtstreep pak. Achteloos klopt hij het stof van zijn jas. Breukink is lang. Kalm. Statig. De man staat als een toren. Hij spreekt in lange zinnen, met warme stem en met iedereen: bouwvakkers, passanten, de fotograaf. Hij luistert intens. De directeur denkt en schakelt snel. Hij is de beslisser. Als blijkt dat een interview in de kerk niet mogelijk is door de bouwwerkzaamheden, stapt hij op de voorman af. Of we niet even in de bouwkeet mogen.

De directeur neemt de tijd. In de bouwkeet praat hij over de 600 vrijwilligers die bij de stichting betrokken zijn. Over de 91 kerken die de SOGK inmiddels in beheer heeft. Over vroeger. Als hij spreekt over de aardbevingsproblematiek verandert de blik in zijn ogen. Die gaat hem aan het hart, zoveel is duidelijk. De bevingen blijken voor zijn begeerde kerken een sluipmoordenaar te zijn.

‘We maakten ons zorgen na de eerst grote beving van Huizinge’, vertelt hij. ‘Er vond scheurvorming plaats in de kerken. Onnatuurlijke scheurvorming.’ De eeuwenoude kerken zitten van nature vol scheuren: van oorlogen en stormen. Die hebben de gebouwen allemaal overleefd. Maar de bevingen zijn anders. En dan die onvoorspelbaarheid – of en wanneer er weer een komt. Dat is gekmakend. Zestig procent van de kerken in het beheer van de stichting heeft inmiddels aardbevingsschade. ‘We wilden niet te snel in paniek raken’, zegt Breukink. ‘Eerst maar kijken wat er gebeurt. Niet meteen handelen is geen sloomheid. Neem de kerk van Eenum. We hadden die net hersteld. En toen volgde een nieuwe beving.’

Dat wilden ze niet weer bij SOGK. Breukink is een man van de lange adem. Bezint eer ge begint, is zijn lijfspreuk. Al heeft dat credo ook een keerzijde. Afwachtend zijn kan te passief overkomen. ‘Na de beving verwachtten mensen dat we sneller in actie zouden komen en meteen zouden handelen. Wij wilden meer weten voordat we verregaande besluiten over herstel zouden nemen. Deskundigheid opbouwen. En ja, dat komt misschien traag over.’

Hij zag de bezorgdheid en angst over het erfgoed bij anderen. Hij ondervond die aan den lijve. Die bezorgdheid maakte soms plaats voor boosheid. En verwijten. ‘Waarom doen jullie nou niks?’ Harde actievoerders lieten zich horen. ‘Het heeft me erg geraakt dat mensen zeiden dat we onder een hoedje speelden met de NAM.’ Het herstelprogramma heeft inmiddels vaart gekregen: ‘We weten precies wat we willen en kunnen.’ Het zijn de goede resultaten die volgens de directeur laten zien dat de doordachte aanpak de wijste was. ‘ Uiteindelijk hebben we het gelijk aan onze kant gekregen.’

Breukink zucht kort. Hij zegt: ‘Ik neem straks ook afscheid van de problematiek, maar de kerken zijn er nog lang niet vanaf. Die staan pas aan het begin.’ De bevingen brengen ook een ander probleem met zich mee: hoe houd je de bedehuizen warm? Breukink vertelt over de kerk vanLeermens. ‘Die konden we op temperatuur krijgen als we zouden verwarmen met gas.’ Hij gaat meer rechtop zitten. Dan stellig: ‘Dat doen we niet. Geen gas in kerken. Daar staan we voor.’ De gaswinning heeft volgens de directeur zoveel schade berokkend, ‘en dan staat er zo’n bord voor de kerk: hier worden gasleidingen getrokken. Dat is totaal ongeloofwaardig.’

Toch verwarmt SOGK nog altijd kerken met gas. ‘We willen er graag vanaf, maar we zijn technisch nog niet zover. Het is wachten op ontwikkelingen. We willen het vanuit onze idealen, maar technisch zijn we er nog niet.’ En liever wachten en het in een keer goed doen dan halve maatregelen. Geduld en ausdauer, zoals Breukink het noemt.

De toren van Peter

Peter Breukink had al vroeg affiniteit met kerken. En met actievoeren. In de jaren zeventig streed hij voor de kerk in zijn geboortedorp Dieren. Hij was een jaar of twintig en wist het dorp te mobiliseren. De toren is uiteindelijk blijven staan en kreeg een nieuwe bestemming: er kwamen een kantoor in, een bibliotheek en een kiosk. In het dorp noemden ze het gebouw voortaan de toren van Peter. Het vervult hem nog altijd met ongemak. Te veel eer.

Peter Breukink (1952) deed een opleiding voor leraar geschiedenis en Engels maar werd hoeder van historische Groningse kerken. Bij zijn afscheid, na 32 jaar, heeft de Stichting Oude Groninger Kerken 91 godshuizen in beheer.

Breukink wil van betekenis zijn, maar hij wil liever niet dat mensen hem daarom prijzen. De maatschappij dienen drijft hem. Misschien niet gek. ‘Mijn vader pleegde veel inzet op sociaal gebied. Ook voor mij is het belangrijk om iets bij te dragen, om me nuttig te maken voor de omgeving.’ Zijn vader overleed toen Peter Breukink achttien was. ‘Ik vraag me nog altijd af wat hij van dingen zou vinden.’

Dat hij in de erfgoedwereld is terechtgekomen, komt door zijn beide ouders. ‘Ze sleepten ons als kinderen mee langs oude gebouwen. Er is daardoor een lichte afkeer ontstaan, maar ik denk dat de vonk ook is overgeslagen.’ Ook Peter sleepte op zijn beurt zijn kroost langs oude gebouwen tijdens de familievakanties.

Wuivend graan in Groningen

Als dertiger werkte Breukink als pr-medewerker in de stedelijke musea van Zutphen. In 1986, vlak voor zijn vrouw zou bevallen, besloten ze naar Groningen te gaan voor een korte vakantie. ‘Het was midden in de zomer. We hadden ons voorbereid op een toeristenstroom, maar er was niemand. We reden door het wuivende graan van dorp naar dorp. En dan die kerken. Wat een kwaliteit. Mijn mond viel open van verbazing.’

Per toeval vond hij later in de trein een uitgescheurde advertentie. ‘Directeur gezocht voor de Stichting Oude Groninger Kerken.’ Hij besloot een poging te wagen. De SOGK was 32 jaar geleden al een gerespecteerde organisatie, zegt Breukink, al viel dat aan de grootte van het kantoor in Groningen niet af te lezen. ‘Zo klein! Het was een halve kelder (ik hoor netjes souterrain te zeggen). Er werkten maar drie mensen.’

Hij wist: ‘De kracht ligt niet op kantoor. De kracht ligt in de provincie. Bij de betrokkenheid van bewoners. Het was mijn eerste taak: werken aan draagvlak. We moesten een stichting voor iedereen worden.’ Breukink valt even stil. ‘Ik laat een stichting achter die daarin grote stappen heeft gezet. En daar ben ik trots op. Maar we zijn er nog niet. Er is nog veel werk te doen voor mijn opvolger.’

Wat begon als een organisatie van gebouwen, is nu meer een organisatie van mensen geworden. ‘Onze zeshonderd vrijwilligers kennen de gebouwen het best.’ De blik van de directeur verandert als hij over hen praat. Zijn ogen stralen. Hij gebruikt zijn handen meer. ‘Mensen zijn het mooiste wat er is. Onze vrijwilligers zijn autonoom en betrokken. Ze zijn nuchter, betrouwbaar en trots op hun kerken, op de bakens in het landschap.’ Juist omdat de vrijwilligers zo autonoom zijn, laat de directeur hen vrij: Breukink schept de voorwaarden door anderen aan te moedigen, door hen bij te sturen en door beslissingen te nemen.

En hij waakt over zijn vrijwilligers. Breukink vertelt over een vrouw uit Den Haag die hem op een dag belt. Ze heeft een band met Groningen en zegt zich zorgen te maken over de aardbevingen en de kerken. De vrouw vraagt: ‘Wat kan ik doen?’ De directeur besluit het Herstelfonds Getroffen Kerken op te zetten. Om met onder andere de donatie van de vrouw de puntjes op de i te kunnen zetten nadat de kerken hersteld zijn van aardbevingsschade. Want – en hier is hij erg stellig over – ‘donateurs mogen absoluut niet opdraaien voor schade die door een ander berokkend is. De veroorzaker betaalt. Tot de laatste cent.’ De gulle geefster is onlangs in Groningen geweest om te kijken bij de herstelde kerken. ‘Dat geeft ook weer een extra impuls om nog trotser te zijn op ons erfgoed.’

Inmiddels hebben vijftig kerken in de provincie hun deuren altijd open. Dat heeft de drempel – in deze tijd van secularisering – letterlijk verlaagd. ‘Het is belangrijk om gewoon binnen te kunnen stappen.’ Er blijft volgens Breukink ook in deze tijd behoefte aan meditatie en rust.

Adequaat gehandeld?’

Nu hij aan het einde van zijn loopbaan is gekomen, kijkt hij geregeld achterom. Hij overdenkt zijn eigen historie. ‘Hoe gaan we de geschiedenis in? Hebben we adequaat gehandeld?’ Het zijn vragen die Breukink bezighouden. ‘Ik ben altijd integer geweest’, zegt hij ten slotte. ‘Integer en transparant.’ Het is voor Breukink tijd om af te zwaaien en zijn geliefde stichting achter zich te laten. De tijd is daar. De erfgoedwereld verlaat hij, maar zijn dienstbaarheid blijft deel van hem. Breukink wil ook na de SOGK de samenleving dienen. Al weet hij nog niet precies in welke vorm.

NIEUWE DIRECTEUR

Patty Wageman (Groningen, 1967) wordt per 1 februari 2020 de nieuwe directeur van de Stichting Oude Groninger Kerken. Op het moment is ze directeur van museum De Buitenplaats in Eelde. Daarvoor was zij zakelijk leider en hoofd Collecties & Onderzoek bij museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam en van 2001 tot 2010 werkte ze bij het Groninger Museum, onder meer als adjunct- en ad-interimdirecteur.