• Plattelandsidylle in Drents Museum is contramal van huidige lelijkheid en vervreemding
  • Noordelijke landschapsschilders verbinden ‘expats’ met hun wortels
  • Drents landschap weerspiegelt introvert gemoed

Anneke en Chris Leeuwe ken ik van de Kweekschool met den Bijbel in de H.W. Mesdagstraat te Groningen. Een halve eeuw later trof ik ze weer in Amsterdam: en of ik een keer langskwam in Lelystad. Hij had gewerkt in het openbaar bestuur, zij was bestuurder en toezichthouder geweest. Eten, drinken, de wederzijdse lotgevallen, hoe de wereld veranderd was, beregezellig. Maar het sterkst bijgebleven de volgende dag bleek de beeldende kunst die ik had gezien in hun huis. En dan vooral het ‘noordelijke’ ervan, het Noord-Nederlandse zoals we dat kennen van de Groningse en Friese expressionisten.

Die kunst kwam weer sterk bij me op door de tentoonstelling ‘ Barbizon van het Noorden. De ontdekking van het Drentse landschap 1850- 1950’. Het Drents Museum werkt daarvoor samen met de 75-jarige stichting Het Drentse Landschap. Grotendeels hangen er werken uit de eigen collectie, van gerenommeerde kunstenaars als Jozef Israels, Anton Mauve, Max Liebermann, Hendrik Willem Mesdag, Julius van de Sande Bakhuyzen. Zij kwamen in de tweede helft van de negentiende eeuw naar Drenthe om er de idylle van d’Olde Landschap te schilderen. Schaapskudden op de hei, lieflijke zanddorpen, rustiek boerenleven: romantische natuur als tegenwicht van de rauwe, vervreemdende actualiteit van de Industriële Revolutie.

‘We moeten oppassen voor inlegkunde’

Ook dit is/was Noord-Nederlands landschap, maar wat een wereld van verschil! Nogal wiedes natuurlijk. De Groningse en Friese expressionisten van De Ploeg verbeelden een moderne, twintigste- eeuwse kijk op de wereld, terwijl de expositie in het Drents Museum vooral een negentiende- eeuws wereldbeeld presenteert. Wat verklaart het succes van die tentoonstelling, de grote publieke belangstelling en mooie besprekingen, ook in de landelijke media? ‘Deze tentoonstelling hadden we twintig jaar geleden niet kunnen maken’, zei museumdirecteur Harry Tupan in Dagblad van het Noorden. Te oubollig, clichématig; het zoetige en eenvoudige leven zoals verbeeld op oma’s koekjestrommel, te gezellig, nostalgisch. Wat is er de afgelopen twintig jaar veranderd in onze appreciatie van niet alleen de verbeelding van het landschap maar misschien ook van het landschap zelf?

Als ik groot ben…

In de milieus waarin Anneke en Chris opgroeiden werd wel gelezen en naar muziek geluisterd, maar beeldende kunst was nog terra incognita. Die begonnen ze te leren kennen in hun middelbareschooltijd door kunstgeschiedenis en museumbezoek (en er bleken tantes te zijn met een abonnement op Openbaar Kunstbezit).

Na de Kweekschool zijn ze blijven studeren, in eerste instantie naast hun onderwijsbanen in Delfzijl. Anneke Nederlands en Chris pedagogiek-onderwijskunde. In Delfzijl belandde Chris voor de PvdA in de politiek. Anneke werkte er in het voortgezet onderwijs en had bestuursfuncties, onder andere als lid van de tentoonstellingscommissie van Molen Adam. Idem in Oud- Beijerland (Zuid-Holland), waar ze daarna kwamen te werken. Nu wonen ze in Lelystad, in een huis waar de bezoeker aan hun verzamelde beeldende kunst kan zien dat ze oorspronkelijk ‘weg komen’ uit het Noorden, een soort zielslandschap.
Anneke: ‘Als ik later groot ben, heb ik heel lang gedacht, wil ik een echt schilderij. Geen idee waarom. Het bleek dat Chris dat ook wou…’
Chris: ‘Het werd een werk van Roelf Jansema uit Appingedam. Een amateurschilder, leerling van Jan van der Zee. Hij wordt vermeld in het fameuze schilderslexicon van Pieter Scheen.’
Anneke: ‘Zo kwamen we bij Jan van der Zee thuis…’
Chris: ‘… aan de Kapteynlaan in Groningen.’
Anneke: ‘… kijken, om te kopen.’
Chris: ‘En kregen we de smaak van kunst kopen te pakken.’
Ze zagen Groningse Ploeg-schilders in Molen Adam te Delfzijl, Friese expressionisten in Galerie Vis te Harlingen, noordelijke schilders in galerie Wiek te Groningen, Pictura aan het Martinikerkhof, galerie De Valk te Harlingen, Kunsthandel Van Hulsen te Leeuwarden, Mebius te Noordhorn, en meer. Zochten ze bewust noordelijke kunst?
Chris: ‘Het ging vanzelf die kant op. We zijn met kunst begonnen in het Noorden en dan krijg je vanzelf ook de noordelijke landschappen. Dijken, lange lijnen, hoge luchten, een zekere hoekigheid.’
Anneke: ‘En het licht. Nergens is het licht pregnanter dan aan de kust.’
Chris: ‘Overziend wat we hebben kun je vaststellen: weinig abstractie, wel realisme en figuratief: havens, kerken, landschappen. Werken die herkenbaar en figuratief zijn maar dan meer of minder vervormd.’
Anneke: ‘Het is nooit bewust een Noord-Nederlandse lijn geweest die we volgden. Op een expositie in Schagen ontdekten we Dirk Breed. Ah, zie je wel, zeg je dan: Noord-Holland, ook landschappen met kust en oevers, ook veel water.’

‘Heel precies geschilderd hoor, vast en zeker goede kunst’

Drenthe is geen kustland, het tegendeel. Typerend voor de expositie in het Drents Museum is dat de meeste aandacht uitgaat naar het vertrouwde beeld van de zanddorpjes van d’Olde Landschap met ‘zijn gemoedelijke bevolking’. Veelzeggend is de gouden gloed waarmee Julius van de Sande Bakhuyzen zijn ‘Rustende koeienhoeder aan oever van door bomen omzoomde waterkant’ tot iets paradijselijks heeft gemaakt – het is het omslagbeeld van de catalogus en het affiche van de tentoonstelling Het veen- en turfland in het zuidoosten van Drenthe, landschap dat nogal wat gemeen heeft met de uitgestrektheid en leegte van het Noord-Nederlandse kustgebied, is slechts te zien op een paar schilderijen. Van Taco Mesdag onder andere, ‘Landschap met turfhopen en 3 vrouwen’, en twee van Vincent van Gogh: ‘De Turfschuit’ en de onlangs samen met het Amsterdamse Van Gogh Museum aangekochte ‘Onkruid verbrandende boer’. Ook negentiende-eeuws en met herkenbare realiteit, maar toch heel anders. Niet zo besloten en naar binnen gekeerd als de beelden van het ‘schilderachtige’ Drenthe.
Anneke: ‘Heel precies geschilderd hoor, vast en zeker goede kunst. Maar voor mij te zoet en te braaf, te veel naar binnen gericht.’
Chris: ‘Daarom houden de Ploeg-achtigen misschien een grotere eeuwigheidswaarde. Omdat ze extraverter zijn, uitdagender en veel expressiever.’
Drenthe heeft niet of nauwelijks, zoals Groningen en Friesland, noordelijke expressionisten voortgebracht. Komt dat mede door het landschap?
Anneke: ‘Ho ho, toch geen Blut und Boden?’
Chris: ‘Weidsheid en ruimte, die heb je er niet. Bos of geen bos lijkt me nogal een verschil. Ik zou me kunnen voorstellen dat de beslotenheid van het Drentse landschap als vanzelf leidt tot een introverte gemoedstoestand.’
Anneke: ‘Wij hebben altijd aan het water gewoond. Groningen is een waterwegenstad. Delfzijl heeft een haven. Oud-Beijerland: vlak onder Rotterdam aan het Spui. Lelystad: ingepolderd land op zee, aan het Marker- en het IJsselmeer.’
Chris: ‘Ja, ver weg kunnen kijken, luciditeit: misschien is dat ook medebepalend geweest voor het type kunst waarvan we houden.’

Heel Holland Bakt

Er zijn cultuurbeschouwers die de grote veranderingen in de wereld – globalisering, migratie, machtsverschuiving, klimaat, digitalisering – als verklaring aanvoeren voor de herleving van zogenaamd oude waarden als huiselijkheid, gemeenschapsgevoel, regionaal bewustzijn, gezelligheid, natuurbeleving, een simpel bestaan, het klein geluk van Heel Holland Bakt, bordspelen met Sinterklaas en Kerstmis, identiteitsvragen: restauratie in plaats van experiment. Zoals de in december met de P.C. Hooft-prijs bekroonde Maxim Februari (pseudoniem van de in Coevorden geboren Maximiliaan Drenth) schreef: ‘Door het veld wandelen en de zon zien weerspiegelen in een waterplas: het is allemaal op de rand van kitsch natuurlijk, ware het niet dat het wereldnieuws op de achtergrond schettert en dat je er expliciet toestemming voor nodig hebt om adem te halen en te ontspannen.’

Gingen in de tweede helft van de negentiende eeuw daarom Franse schilders uit Parijs naar het lieflijke dorpje Barbizon en hun Nederlandse broeders en een enkele zuster naar vergelijkbare plattelandsidylles als Laren, Bergen, Oosterbeek en Drenthe – weg uit de drukte van de stad, weg uit de lelijkheid en vervreemding van de door de industriële revolutie veranderende wereld? Is er bijna anderhalve eeuw later sprake van eenzelfde soort stemming, tijdgeest, waardoor het Drents Museum nu wel een grote expositie over het vooral romantische Drentse landschap aandurfde en twintig jaar geleden niet?
Anneke: ‘Het is zeker een periode van retro waarin we leven, een hang naar vroeger. Je ziet het overal om je heen.’
Chris: ‘Het zou kunnen dat voor veel mensen de ontwikkelingen in de grote wereld zodanig zijn dat ze behoefte hebben aan vertrouwde patronen die ze vanaf hun jeugd al kennen.’
Anneke: ‘We moeten oppassen voor inlegkunde, he.’
Chris: ‘Ja, we moeten oppassen voor inlegkunde. Het hoeft trouwens ook niet zo te zijn dat men zich per se identificeert met die rustgevende overzichtelijkheid. ’

Onkruid verbrandende boer
Was Drenthe voor Nederlandse schilders wat Barbizon was voor Parijse kunstenaars? Vincent van Gogh was diep onder de indruk van het Drentse landschap. Met name hei- en veengebieden trokken hem aan. In 1883 schilderde hij de ‘Onkruid verbrandende boer’. Uit een brief aan zijn broer: ‘Ik zit nog steeds op dat onkruidverbrandertje, dat ik wat toon aangaat in een geschilderde studie beter heb dan vroeger, zóó dat het meer de grootheid der vlakte en het vallen van den avond geeft en ’t vuurtje ’t eenige lichtstipje is met ietwat rook. Ik ging er telkens ’s avonds voor buiten kijken.’

Barbizon van het Noorden.
De ontdekking van het Drentse landschap 1850-1950
tot 22 maart 2020 in het Drents Museum, Assen
drentsmuseum.nl