Op 2 mei 2020 was er op twintig kilometer afstand weer een beving; in Zijldijk met een kracht van 2,5. ‘Hoe bizar: aardbevingen in Nederland! En toch, het is niet eens nationaal nieuws meer’, verzucht Ellen Braaksma, de derde in de ‘Vier op een rij’ aan de Kollerijweg in Woltersum. Het KNMI houdt de lijst met aardbevingen nauwkeurig bij en laat zien dat die ‘gewoon’ doorgaan.

Het is nu bijna een jaar geleden dat Braaksma en haar buurmannen besloten samen op te trekken. Zij willen strijden tegen de terreur van regels en onmacht omzetten in daadkracht. Inzet: een gezamenlijk plan, met bevingsbestendige, eigentijdse huizen en een nieuwe impuls voor Woltersum.
Haar leefruimte heeft ze inmiddels teruggebracht tot een derde van haar huis. Dat is het enige deel waar Braaksma nu nog komt. ‘Ik heb het er gezellig gemaakt met een nieuw behangetje en bloemen. Maar ik doe er verder niets meer aan. Ik investeer niet meer, omdat ik niet weet wat er gaat gebeuren. Het huis is van mij, maar zo voelt dat niet meer.’ Ongevraagd zijn privé-eigenaren met onherstelbare fysieke schade aan hun woningen, zoals Braaksma en haar buren, ‘onder curatele’ gesteld. De Nationaal Coördinator Groningen fungeert als ‘curator’. Hij is aangesteld door degene die deze schade mede veroorzaakt heeft: de overheid. Zo zijn getroffen burgers handelingsonbekwaam verklaard als het gaat over de toekomst van hun eigendom. Ze staan geregis­treerd bij het schadeloket van Tijdelijke Mijnbouwschade Groningen. Alle correspondentie en inspecties zijn terug te vinden in dit ‘curatele register’
Braaksma: ‘Het is hier niet de overheid die zich moet verantwoorden, maar wij moeten dat. Waarom? Dit is de wereld op zijn kop. Ik wil, net als iedereen, veilig wonen. Het gevoel van veiligheid zit niet alleen in de bouwtechnische aspecten, maar misschien nog wel meer in het respecteren van mijn grenzen.’
Dan gaat het om de grens tussen publiek en privé-terrein: het tuin­hek, de voordeur. Om de grens van wat nog redelijk en billijk is om van gedupeerden te vragen. ‘Het huis aan de Kollerijweg 8 is van mij. Op papier ben ik eigenaar, maar gevoelsmatig ben ik onteigend. Onderschat niet wat het voor mij betekent wanneer mensen niet op mijn initiatief door mijn huis heen lopen en in alle krochten ervan komen. Alsof dat vanzelfsprekend is. Dat is het niet. Elke keer moet ik de schade opmeten, melden en mijn huis opnieuw openstellen.’ Braaksma’s woning is een uitpuilend schadedossier geworden. Er is nog weinig privacy over. Alles willen de instanties weten. ‘De laatste keer dat ik schade heb opgegeven, was begin dit jaar. Voor mij betekent dat weer een nieuwe vreemde binnenlaten die mij dan confronteert met feitelijkheden over hoe het pand ervoor staat. Zo’n inspecteur die heel droog uitlegt wat er gebeurt. Ongevraagd krijg ik een scenario geschetst over de mogelijke instortingsgevaren door de nieuwe scheur. Maar het is wel mijn huis waarover hij het heeft! Vreselijk.’
Braaksma vindt Woltersum nog altijd ‘een geweldig dorp’. Vraagt iemand om hulp, dan staat zij klaar. Maar mede vanwege de intensieve sociale contacten die zij heeft door haar werk als verpleegkundige, is zij ‘een beetje een kluizenaar en graag alleen’. Helaas is een teruggetrokken leven leiden door de bevingsproblematiek nagenoeg onmogelijk geworden.

Daadkrachtige buurmannen

Braaksma is nu beland in een ondoorgrondelijke wereld van afkortingen, protocollen, versterkingsadviezen en voortdurend wijzigende normen. ‘Ik ken de (ongeschreven) regels niet en weet niet hoe de hazen lopen. Ik moet afkortingen uit mijn hoofd leren om te kunnen volgen wie wat is en wat doet. Het vraagt van mij een studie van iets waarin ik mij hele­maal niet wil verdiepen. Zonder hulp van mijn daadkrachtige buurman­nen zou ik niet zo ver zijn gekomen. Vier kunnen en weten meer dan één. Samen verzetten wij veel werk. En wij houden elkaar op de hoogte. Waar de overheid het laat afweten, staan wij samen sterk. Ik kan mij goed voorstellen dat mensen moedeloos raken van de hele tijd maar schade opgeven, zonder perspectief. En in de balken van het plafond een uitweg zien.’
De schokken van een aardbeving in je eigen huis voelen, is een heftige, onwerkelijke ervaring. Maar de uitzichtloosheid veroorzaakt het groot­ste leed, de onzekerheid over de toekomst. Ieder moment kan alles weer anders zijn. Nieuwe poppetjes, nieuwe richtlijnen, of een stop op eerder aangekondigde financieringsstromen. Het is de overheid die de bevingsproblematiek ingewikkeld vindt. Ze zit vast in eigen regels en inflexibele structuren en raakt geregeld klem in haar eigen positiespel.
‘Wij worden niet gehoord. Misschien veroorzaken we dat deels zelf en is dat wel Gronings: alleen binnenshuis erover spreken, boosheid en verdriet verwerken achter gesloten deuren. Groningers klagen niet. Die gaan pragmatisch door met een houding van: we zien wel, het wordt toch beslist in Den Haag.’
De onvrede zit diep. ‘Ik kan niet begrijpen waarom wij niet begrepen worden. Je hebt iemand nodig die dat kan doorbreken. Die met de vuist op tafel slaat en zorgt dat we niet in de bodemloze put van vergetelheid vallen maar gehoord worden, net als is gebeurd in de trieste kinder­opvangtoeslagaffaire. Iemand moet opstaan en de overheid wakker schudden. Tot hier en niet verder. Dat is wat Vier op een rij doet.’
Met z’n vieren boeken ze voorzichtig kleine successen. Steeds meer beleidsdeuren gaan open. Niels Feddema, architect uit Bedum, is ge­start met de eerste schetsontwerpen. Maar tot de definitieve plannen en toezeggingen zwart-op-wit staan, blijven de vier permanent waak­zaam. ‘De overheid moet vóór ons werken, maar werkt ons tot nu toe vooral tégen. Helpen is mogelijkheden creëren en faciliteren, niet voor anderen hun toekomst gaan invullen. Bovendien wil ik geen nieuw huis. Ik wil een veilig huis. Morgenochtend om negen uur komt de architect. Nadenken over wat ik wil, wat ik belangrijk vind, hoe voor mij een veilige woning eruitziet, maakt me blij. Tegelijkertijd ga ik praten over iets waarvan ik niet weet of het doorgaat. Maak ik mezelf blij met een dode mus? Voor de zoveelste keer?’