Ik neig te zeggen dat fietsen mij de meeste voldoening schenkt als er sprake is van een duidelijke bestemming. Er moet een doel zijn, iets in het vizier liggen, op minstens tien kilometer afstand. Ik wil van huis gericht naar de bestemming, én van de bestemming weer terug naar huis. 
Bovendien moet deze bestemming iets bijzonders bezitten. Cultureel erfgoed. Natuurschoon. Of een heugelijk terras. In mijn vrijetijdsbesteding zit blijkbaar een calvinistische gedachtegang: eerst de inspanning van het fietsen, daarna de bestemming als beloning. 
De afgelopen maanden houd ik steeds vaker vast aan dezelfde bestemming: het gemaal ‘de Heining’ op de waddendijk, nabij het dorp Hallum. 

Afstand

Vanaf het centrum van Leeuwarden, waar ik en mijn vriendin wonen, trekken we noordwaarts. Langs de militaire vliegbasis, de dorpen Jelsum, Cornjum en Britsum, en het grotere dorp Stiens. Net buiten Stiens steken we de N357 over en plots voelt alles anders. Dit is de laatste grote weg die als één uitgestrekte bocht langs de laatste grote dorpen tussen Leeuwarden en Holwerd trekt. Voor ons rest nog één stuk land tot aan de zeedijk. Een land van stilte en leegte. Niet dat alles compleet verlaten is, maar alles staat voortdurend op afstand van de bezoeker.  
Zo bespeuren we in de verte een oude man te midden van weilanden en akkers. Haast bewegingsloos gebukt op de fiets, als een film in slow motion. Daarachter snelt een rode bestelbus voorbij een oude molen. Weer verderop twee jonge meisjes op de fiets, hun felgele jassen flapperend in de wind. In dit frappante gebied lijkt niemand te fietsen of te rijden, maar te glijden. Te glijden over het vlakke land, in hetzelfde trage of snelle tempo, voortdurend op afstand voorbijtrekkend, alsof men er altijd al was. Toch zullen deze passanten eveneens een bestemming hebben, net als wij het gemaal voor ogen houden. 
In de resterende plaatsjes, die amper de naam ‘dorp’ kunnen dragen, loopt niemand over straat, noch is er beweging achter de ramen. Alleen een hond blaft, in één van de hooguit twintig omheinde tuinen. De zon breekt door het lichtgrijze wolkendek. Een smalle straal licht de diepbruine aarde van de akkers op.   
Ik realiseer me opeens dat ik eigenlijk betrekkelijk weinig weet van dit land. Ik ken de gewassen niet, de dorpsnamen evenmin, laat staan de mensen die er wonen. 

Windmolens

We fietsen ongeveer een kilometer voor het gemaal een grasrijke verhoging op, waarschijnlijk een restant van de oude zeedijk. Aan onze linkerhand begint het Bildt, een eigenzinnig gebied, waar van oorsprong geen Friezen wonen maar Hollanders en Zeeuwen die dit land in de 16e eeuw hebben gewonnen van de zee. De zogenoemde Bilkers schoven de dijk meters naar voren en gaven haar de huidige vorm. Aan onze rechterhand omsluiten bomen het blikveld waartussen de eerste bebouwing van Hallum zicht toont, het volgende dorp aan de provinciale N357. Soms steekt de kerk erboven uit, dat geldt ook voor het enkele kilometers verder aan de weg gelegen Ferwerd, met zijn fraaie robuuste romaanse toren.
Tussen enkele resterende huizen en boerderijen langs de dijk lopen de schapen zonder haast. Ze grazen zonder tijdsgevoel. En toch vindt hier, aan het einde van Nederland, wel degelijk verandering plaats. De schapen, de bruine aarde en de kerktorens van Hallum en Ferwerd mogen zich dan al eeuwen aan dit land hebben gekluisterd, dat geldt niet voor de oprukkende windmolens, verspreid over het gebied. Het decor van de kerk op de terp, als hoogste plek, als ijkpunt in laaggelegen kleiland, is daarmee ten einde gekomen. Ook hier rijzen de witte reuzen van de energietransitie op. En daarmee verandert de verhouding in het landschap, de harmonie van het pittoreske: de dijk, de schaapjes, het kerkje, de fietsers en de bestelwagen. Zij zijn allen nog kneuteriger in het aangezicht van de grote turbines. Hoewel je weet dat deze molens een goed doel dienen, blijven ze voelen als een onvermijdelijke invasie: opeens staan die reuzen er. Ze houden geen rekening met idyllische vergezichten, teder natuurschoon of de menselijke maat. De toekomst is neergeplempt en ik kijk ernaar. 
Toch blijf ik stiekem hopen dat deze molens slechts een speldenprik in de tijd zijn. Het is wachten op een alternatief en dan kunnen ze weer even snel worden weggehaald als dat ze werden opgetuigd. 

Nieuwe wereld

De dijk waarover we fietsen eindigt bij de bredere zeedijk. Sinds enkele jaren wordt deze dijk onderbroken door het gemaal, een betonnen constructie ingebouwd tussen gras en schapen. We parkeren onze fietsen en nemen de trap omhoog, langs de vijzels en een omsluitend dak van metalen schubben, de dijk op. De beloning van onze fietsarbeid is niet alleen het indrukwekkende gemaal zelf, maar veeleer het uitzicht dat we krijgen als we op er bovenop staan. 
Een nieuwe wereld openbaart zich dan, een wereld die nog niets van zichzelf had verraden, terwijl we fietsten over het vlakke land met haar bruine aarde en windmolens. Deze nieuwe wereld is in al haar ruimtelijkheid on-Nederlands. Eindelijk zie je geen gebouwen of bomen meer die het vergezicht beperken, maar een uitgestrekte kwelder, ironisch bezien dan weer een woord dat alleen het Nederlands kan baren. In dit groene niemandsland treft men polders in verticale richting, enkele hekken, de zeekraal en de lamsoor, én zwarte vlekken. Bijeenkomsten van grazende ganzen. 
Achter de kwelder verschijnt de zee. Vanaf het gemaal is echter niets anders zichtbaar dan een blauwgrijze gloed en de veerboot, die dezelfde rust uitstraalt als de fietsers die gleden over het vlakke land. Het is daarom vreemd te bedenken dat daarginds duizenden wadvogels zoeken naar miljoenen schelpdieren. 
Achter de zee doemt het grootste deel van Ameland op. Dit eiland is een nieuwe wereld op zichzelf. Vreedzaam ligt het in het water, alsof het zich niet druk maakt over wat er op het vasteland gebeurt. Daar mogen dan de windmolens verrijzen, hier blijft de vuurtoren en de kerk het enige dat de hoogte ingaat, voor de rest is alles in deze ruimte horizontaal. Gladgestreken. 
Is er eigenlijk wel een plek die een nog schitterende gelaagdheid kent dan de wereld van de Waddenzee? De brede donkergroene kwelder, de smalle grijsblauwe zee, het vaalgrijze eiland en een lichtgrijze hemel. Deze verstilde gelaagdheid valt te abstraheren tot de schilderijen van Rothko. 
Ik hoef me slechts om te draaien en het horizontale landschap verdwijnt weer even snel als dat het tevoorschijn kwam. Ik ben weer terug in de wereld van de vlakpatronen; van percelen weiland en bruine aarde. 

Palingen

Na minutenlang de gelaagde wereld te hebben aanschouwd, lees ik altijd het informatiebord. Het herinnert mij aan het gegeven dat dit het grootste kweldergebied van Europa is. Midden in dit gebied stroomt de geul, die van het gemaal naar de zee. Wanneer de meren, kanalen en vaarten van de Friese boezem te veel water hebben, zullen de twee vijzels van het gemaal hun werk doen. Zij zullen liters wegdragen, naar de geul, zodat de zee uiteindelijk het binnenlandse water tot zich neemt. Zoet wordt zout. 
Waar de dijk een scheiding vormt tussen twee werelden, is het gemaal dan ook een verbinder. Slechts bij het betonnen intermezzo van de dijk raken zij elkaar. 
Deze verbinding is niet alleen noodzakelijk voor het beheren van de binnenlandse waterstand. Via een passage in het gemaal verplaatsen vissen zich van de ene wereld naar de andere. Neem nu de paling. Naar het schijnt paait deze slangachtige vis in de Sargassozee, aan de zuidoostkust van de Verenigde Staten. Terwijl de ouders na hun daad sterven, verlaten de jonge larven al snel hun geboortegrond. Massaal trekken zij erop uit, door de Atlantische oceaan richting Europa, om daar te verblijven. Tijdens hun lange avontuur groeien ze uit tot glasalen. 
Van alle ontelbare binnenwateren die dit continent rijk is, kiest elk jaar een aantal glasalen voor de Friese meren, kanalen en vaarten. Het is dan bij dit gemaal dat zij voor het eerst, na een tocht van duizenden kilometers, de geneugten van het zoete Friese water ervaren. Hier bij het gemaal komt de paling, na een reis van maanden, eindelijk thuis. Niet alleen ik, maar ook de paling heeft zijn bestemming bereikt.

Thomas van de Ven (1989) is docent Filosofische vaardigheden aan de Rijksuniversiteit Groningen.