Het water stroomt straks weer in het Geelbroek
Vernatting valt slecht bij bewoners en boeren
Gebied kent eeuwenlange historie van twisten

De oplettende automobilist ziet tussen Assen en Hooghalen het indrukwekkende TT- monument pro­minent op een heuveltje staan. Vlak daarachter ligt het TT-circuit. Wat de meeste mensen niet zullen doorhebben, is dat dit megalithische monument precies op de grens staat van de oude Drentse rechtsgebieden van het Rolder Dingspil en het Beiler Dingspil. Al eeuwen­lang is dit weidegebied, het Geelbroek, het decor van ruzies over grenzen, gebruik en inrichting. Vandaag de dag staan boeren en bewoners er tegenover de provincie Drenthe, Staatsbosbeheer en het Nationale Park Drentsche Aa. Twistpunt is het plan Vernatting van het Geelbroek. In tijden van klimaatverandering moet dat het landschap veer­krachtiger maken en de verdroging aanpakken.

Vroege historie

‘Een woeste plaats vol kreupelhout, tusschen Beilen en Assen’ lezen we in de Drentse Volksalmanak van 1844, ‘de koeien, die aldaar te grazen gaan, dragen bellen aan de hals, ten einde heur spoor te kunnen ontdekken, indien ze in ’t kreupelhout mochten verdwalen.’
Deze beschrijving is nog steeds actueel. Het Geelbroek behoort tot het stroomgebied van de Drentsche Aa, al millennia door verschillende volkeren bewoond. Na de Romeinse tijd raken de hogere gronden van Drenthe begroeid met eiken­bos, terwijl elzenbroekbos en veen de beekdalen grotendeels overwoekeren.
In dit dichtbeboste landschap vestigen zich vanaf ongeveer 500 na Christus de Saksen, de voorouders van de huidige Drenten. Daar waar het eikenbos wat opener is, kan hun vee grazen en leggen ze akkertjes aan. Zo ontstaan de voorlopers van de Drentse esdorpen. Ook om het Geelbroek verrijzen verscheidene kleine nederzettingen, maar het laag­gelegen Geelbroek zelf blijft onbewoond.
De beekdalen met kwelwater zijn vergeleken met de omliggende zandgronden vruchtbaar. Daarom dient het Geelbroek al vroeg als ‘compascuum’, een weidegebied voor gezamenlijk ‘vrediglyk’ gebruik. Met de groei van de bevolking in de volle Middeleeuwen neemt de vraag naar weidegrond toe. Boeren uit verschillende dorpen proberen zich grond toe te eigenen in het Geelbroek. Ook de kloosters, onder andere die van Assen en Ruinen (Dickninge), krijgen er land in bezit. De grens tussen de invloedssferen van beide kloosters, en daarmee ook de grens tussen het Rolder Dingspil en het Beiler Dingspil, loopt ergens dwars door het natte beekdal. Herders met hun kudden dwalen vaak per ongeluk af en belanden op gronden die door anderen worden geclaimd. Zo ontstaan geschillen over het afgelegen Geelbroek. We weten daar vanaf door bewaard gebleven notulen van rechtszaken (Etstoel). En ook in oorkonden uit 1473 en 1474 is sprake van twisten over dorpsgrenzen en markestenen. Zelfs de abten en de drost, de hoogste gezagsdragers in Drenthe, bemoeien zich met de grenzen in het Geelbroek.
De volgende drie eeuwen blijft het rommelen tussen de verschillende boermarken en de kloosters. Over en weer wordt vee dat de vermeende grens is overgestoken ‘geschut’. Pas nadat de eigenaar schutgeld heeft betaald, kan hij het weer ophalen. Het lijkt erop dat pas in 1719 een akkoord wordt bereikt over het verloop van deze grenzen. Met enige goede wil vallen op schetskaarten van 1742 de huidige gemeentegrenzen te herkennen. Eén van de grenspalen, de Haalder Bake, stond op de plaats van het huidige TT-monument langs de A28.

Versnippering te lijf

Als in 1832 het kadaster wordt opgemaakt, lijkt ook de eigendomssituatie van de boeren in het Geelbroek grotendeels uitgekristalliseerd. De extreme versnippering valt op. Boeren uit alle omgevende gehuchten en dorpen hebben perceeltjes in het Geelbroek. In het oostelijke Bolderbroek gaat het vooral om boeren uit Balloo, Rolde, Amen en Ekehaar, terwijl het in smalle stroken verdeelde Broek zo’n 25 eigenaren had, vooral uit Assen, Anreep en Witten.

In de tweede helft van de twintigste eeuw wil de overheid de land­bouw moderniseren. Daarom moeten ruilverkavelingen een einde maken aan die versnippering. Maar dat blijkt niet eenvoudig. De eer­ste ruilverkaveling waar het Geelbroek mee te maken krijgt, is die van Hooghalen (1965). De vele grondeigenaren zijn het zo met elkaar on­eens dat ze die afstemmen. Daarna volgt de ruilverkaveling van Rolde (1966-1985). Ondanks felle protesten van de boeren wijst de minis­ter grote arealen aan als natuurgebied. Ook het oostelijke gedeelte van het Geelbroek met zijn karakteristieke verkavelingspatroon blijft gespaard als terrein met grote natuurwetenschappelijke waarde. De derde ruilverkaveling, Laaghalen, begint in 1986 en duurt tot na 2000. Het Geelbroek krijgt ook hier het label ‘natuurreservaat’. Maar het is wel een natuurgebied met grote problemen: het lijdt onder verdroging en het aantal weidevogels loopt zorgwekkend terug. Met herstelmaat­regelen zou dat kunnen verbeteren. Veel aanbevelingen uit de derde ruilverkaveling blijven onuitgevoerd – ook nu weer door tegenwerking van boeren.

Natuur in de moderne tijd

De waarde van het Geelbroek, zowel het natte beekdal als enkele bossages, komt in 1965 op de natuuragenda door het zogenaamde Gedachtenplan. Deze studie, uitgevoerd in opdracht van Staatsbosbeheer, vormt de basis van de bescherming van het stroom­gebied van de Drentsche Aa als natuurgebied – het huidige Nationaal Park Drentsche Aa. Met dit gedachtenplan in het achterhoofd begint Staatsbosbeheer in de jaren zeventig alvast om land in het Geelbroek aan te kopen.
Daarmee verandert het karakter van het gebied. De natuurbeheerders kunnen in het beekdal de oude boerenpraktijk met traditionele bemes­ting en kleinschalige hooioogsten niet volhouden. Ze kiezen voor een passiever beheer. Het eerder extensief beheerde boerenland verruigt en raakt gaandeweg begroeid met pitrus. Voor weidevogels valt er steeds minder te halen. Typische weidevogels als kievit, grutto, wulp en watersnip gaan vanaf 1980 snel in aantal achteruit. Ook de plantenrijkdom heeft te lijden onder het nieuwe beheer. De verruiging van het gebied zorgt opnieuw voor spanningen tussen de bewoners en de nieuwe beheerders. Onder de vroegere boeren deden de weidevogels het veel beter, mopperen de Geelbroekers. En waar blijft nou die beoogde betere biodiversiteit?

Verzet kan in het Geelbroek nog lang nagalmen, zo weten we uit de geschiedenis

Een mix van factoren speelt een rol bij de tegenvallende natuurresultaten: het Geelbroek verdroogt, er zitten veel predatoren, de traditionele bemesting is gestopt en er wordt minder hooi geoogst. Dat alles maakt het beekdal minder aantrekkelijk voor weidevogels. Daar staat tegen­over dat vogelsoorten die van ruigte houden (zoals gras­mus en merel) in aantal toenemen.

De provincie neemt geen genoegen met de verarming van de biodiversiteit in dit inmiddels Europees beschermde natuurgebied (Natura 2000). In 2010 maakt de provincie samen met Staatsbosbeheer, het Nationaal Park en Prolander een plan om het Geelbroek te vernatten. De grondwaterstand moet omhoog zodat diepe kwelstromen terugkeren in het veld. Het waterschap wil meer regen­water in het Geelbroek vasthouden om veerkrachtiger te zijn in tijden van extreme neerslag en droogte. Voor­stellen uit de ruilverkaveling Laaghalen komen weer uit de bureaula. Opnieuw zijn bewoners en boeren tegen. Deze herinrichting en de hogere grondwaterstand zullen effect hebben op het omliggende land; boeren vrezen voor wateroverlast. En in het gehucht Geelbroek verwachten bewoners dat de funderingen van hun huizen eronder gaan lijden. Ook zijn ze bang voor meer steekmuggen.
Maar nu zet de provincie door en trekt ze de buidel. Na 25 jaar van gesteggel bereiken de betrokkenen in 2019 uiteindelijk overeenstemming. Het ziet ernaar uit dat de bulldozers in 2021 aan het werk kunnen om nieuwe natte natuur te creëren. Bewoners, boeren en de provincie zijn het schoorvoetend eens geworden over de maatregelen en compensatie. Maar traditiegetrouw zullen er vermoedelijk nog wel bezwaarprocedures uit voortkomen – verzet kan in het Geelbroek nog lang nagalmen, zo weten we uit de geschiedenis.
Met de vernatting zal het landschap opnieuw een ander karakter krijgen. Sporen van duizend jaar ontginning en boerenbedrijvigheid zullen in de nieuwe natte natuur mogelijk kopje onder gaan. Wel heeft het waterschap moeten beloven om karakteristieke verkavelingspatronen ‘zo veel mogelijk’ in stand te houden. Ook de natuur zal veranderen. Grootschalige natte natuur biedt ruimte aan andere planten en vogels dan weides waar vee graast. De stap naar natuurvriendelijk weidebeheer van het beekland is in Geelbroek gepasseerd. De lyrische beschrijvingen van de grote natuurwaarde van het Geelbroek hadden in het verleden telkens betrekking op planten en dieren die voorkwamen in samenhang met kleinschalige boerenexploitatie. Maar dat is binnenkort ook in het Geelbroek allemaal grotendeels verleden tijd.

Wytse Sikkema (1956) studeerde af als landschapshistoricus aan de RUG op de mas­terscriptie Hoe de grutto verdween uit het Geelbroek. Hij woont vlak bij dit fascinerende gebied.