37.000 hectare nieuw bos in Nederland? Dat wordt lastig
Bestuurlijke moed is daarvoor nodig
Noord-Nederlandse bosambities zijn bescheiden

Geen boom is waardevoller voor de wereld om ons heen dan de nederige wilg. Van alle bomen op onze erven en in onze tuinen staat hij mijlenver bovenaan als het gaat om de soortenrijkdom die erbij gedijt. Daarbij is hij de makkelijkste boom denkbaar: steek een tak in de grond en wacht tot je boom groeit. Het beste van de wilg: waait hij om, dan zaag je er een stukje af en de wilg richt zich op alsof er niets is gebeurd. Wortelen doet hij in een mum van tijd op niet meer dan een kale tak, en dan is er geen houden meer aan. In vijftien jaar bereikt de wilg de maximale hoogte, om na veertig tot vijftig jaar het leven te laten.

De iconische wilg aan de waterkant, zo scheef gegroeid dat hij zó lijkt te kunnen omvallen, is de schietwilg. Top je deze wilg, dan ontstaat een knotwilg – wat is Nederlandser dan een knotwilg aan de waterkant met een broedende eend in het hart? Je kunt hem onze beste natuurinnovatie noemen. In een waterrijk gebied waar weinig andere bomen goed willen groeien, hebben we de welwillendste krachtpatser zo bewerkt dat hij ons jaar na jaar op manshoogte mooie dunne, rechte takken van de juiste dikte levert. Of je nou bindtouw nodig hebt, een mand, een visfuik of een klomp, met een wilg aan de sloot zit je altijd goed.

Natuurlijke aspirine

Op nagenoeg ieder boerenerf stond vroeger een rij wilgen. Langs boerensloten stonden ze in geknotte vorm. Onmisbaar waren ze ook voor grazende koeien. Wij denken dat die alleen gras willen eten, maar een koe die de keus heeft, kiest voor houtige hapjes. Misschien ontdekten onze jagende en verzamelende voorouders door runderen de pijnstillende werking van wilgen­bast. Als je op de takjes kauwt, komt salicylzuur vrij, natuurlijke aspirine.
De schietwilg is maar één van de driehonderd wilgensoorten. Vanwege de decoratieve paas­takken zijn de kronkelwilg bekend en zijn broertje de krulwilg, met gekruld blad. De treurwilg met zijn hangende takken, zwiepend in de wind, kan monumentale proporties aannemen. Lager blijven struikwilgen als de geoorde, grauwe en amandelwilg, uitermate nuttig om de buigbare jonge takken.

De wilg is een pioniersoort en vestigt zich zonder menselijke bemoeienis graag op nieuwe gronden. Daarbij is hij niet bang voor natte voeten. Sterker nog, in het natuurlijke evenwicht in natte natuurterreinen speelt de wilg een belangrijke rol. Denk aan het Lauwersmeergebied, de Oostvaardersplassen en de Biesbosch.
Om de kracht van deze pionier nog meer te benutten hebben mensen hem in keurige rijen dicht bijeen geplant op wilgenakkers, grienden, meer nog in de rest van Nederland dan in het Noorden. De snijgrienden leverden jaarlijks dunne tenen op en de hakgrienden driejaarlijks stevige dikke takken voor rijshout. Van het wilgenrijshout werden wiepen gemaakt: meterslange bundels wilgentakken voor het zinkwerk dat het fundament heeft gevormd van de polders, de Afsluitdijk en de Deltawerken. Op wilgen is ons halve land gebouwd.

Wilgenplatvoetje

Eeuwenlang gingen in grienden en langs sloten economie en biodiver­siteit ongemerkt hand in hand, totdat de vooruitgang het overnam en veel wilgen verdwenen. En dat terwijl de ecologische waarde van de wilg moeilijk valt te overdrijven. Ruim 450 soorten diertjes bewonen de boom. Als die elk met hun familie van en op de wilg leven, biedt zo’n boom eten en onderdak aan al gauw een miljoen beestjes.
Het aantal soorten dat voor zijn voortbestaan volledig afhankelijk van de wilg is, is groot. Zo zijn daar het twintigstippelig wilgenhaantje (en zijn nichtjes bronzen en roodbruin wilgenhaantje). Zo zijn daar de zweefvliegen als het wilgenelfje en het wilgenplatvoetje – het is ongelogen waar. Behalve voor de honingbijen is de wilg de belang­rijkste drachtplant voor wilde soorten als de donkere en de lichte wilgenzandbij, de grote zijdebij en het roodbuikje.
Van alle mijten, torretjes en vliegjes die in symbiose met de wilg leven, zijn lang niet alle soorten geïdentificeerd. Zo zijn er van de kleine bloemvliegen, die hun larven in de katjes leggen, recent acht nieuwe soorten ontdekt waarvoor nog een sprekende naam moet worden verzonnen. En dan zijn er nog de wilgenwespvliegen, de wespvlinders, sluipwespen, sluipvliegen, snipvliegen en bladwespen. Tel daarbij een leger plantensoorten, waaronder alleen al een onnoemelijke rij padden­stoelen – de gele wilgengordijnzwam om er maar één te noemen. Zo kom je wel aan 450 soorten.

Vele soorten zijn voor hun voortbestaan volledig afhankelijk van de wilg

De wilg onderhoudt net zo goed ontelbare soorten die niet zichtbaar zijn voor het oog als tot de verbeelding sprekende vlindersoorten. Zo is de achteruitgang van de grote vos en de kleine weerschijnvlinder een direct gevolg van de teruggang van de boswilg. Dit is bovenal een ode aan de dode wilg. Bomen groeien een leven lang omhoog en een leven lang omlaag, zo wordt gezegd, tot ze tot stof vergaan zijn. Als de wilg gracieus is neergezegen in een grandioze storm en de kans krijgt ter plaatse te ontbinden, is het aantal planten en dieren dat erop leeft nauwelijks nog te tellen. In het zachte houtkruim van de dode wilg vinden jonge vlier en wilgenroosjes een onovertroffen bakermat.
Het beton- en asfaltfetisjisme en onze collectieve dwangneurose voor gevallen blad, gras van ongelijke lengte en natuurlijk gedrag in het algemeen hebben al menig insectensoort de kop gekost. Wees dapper. Omarm slordige blaadjes op je gazon. Vlinders, spinnen, mijten en andere beestjes gedijen in een rommelige tuin.
Droom je van gehakkelde aurelia’s in de tuin en wil je in één beweging de biodiversiteit voor de komende honderd jaar een duwtje geven, plant vandaag nog een wilg. Het kost je geen cent en nauwelijks meer dan een kwartier van je tijd. Namens het twintigstippelig wilgenhaantje alvast veel dank.

Met medewerking van Heilien Tonckens