We schrijven het jaar 2003 als James Hansen (de man die in 1988 in zijn Congressional testimony de Amerikanen had verwittigd van een fundamentele, door de mens ver­oorzaakte klimaatverandering) belangwekkend onder­zoek publiceert. De NASA-wetenschapper beschrijft als eerste de mogelijkheid dat de zeespiegel versneld zal stijgen, mede door het zogenaamde albedo-effect. Als wit gletsjerijs verdwijnt, weerkaatst minder zonlicht en absorbeert de aarde meer warmte. Daardoor smelten de ijskappen alleen maar sneller. Hansen voorspelt dat de wereldwijde zeespiegelstijging weleens vijf à zes meter kan worden. Iedereen lacht hem uit.

In 2020, twee decennia later, wijst onderzoek van een team wetenschappers uit Amerika, Delft en Utrecht uit dat het smelten van de Groenlandse ijskap onomkeer­baar is. Ze zeggen netjes dat er een nieuwe ‘dynamic state’ is ontstaan, wat wil zeggen dat het smelten onver­minderd zal doorgaan, ook al zouden we kunnen terug­keren naar het klimaat van 1990.
Het KNMI voorspelt in 2006 dat de zeespiegel aan het eind van de eeuw maximaal 35 centimeter kan stijgen, een nogal andere inschatting dan de NASA enkele jaren eerder had gedaan. Ook in de scenario’s van 2015, de meest recente, schat ons nationale weerinstituut in dat het bij maximaal 80 centimeter zal blijven in de periode 2071-2100. Steken we in Nederland onze kop in het op­spuitzand? Cru gesteld: brengt het KNMI onze veilig­heid in gevaar door onderschatting? En denken we dus te kunnen volstaan met dijken verhogen, iets waarin we goed zijn en dus maar in blijven volharden? Of hebben we in de laatste vijftien jaar onszelf heruitgevonden en zijn zandmotors, Marker Wadden en dubbele dijken gemeengoed geworden?
Het denken in dit soort alternatieve oplossingen voor onze kustveiligheid is ook in Noord-Nederland niet onopgemerkt gebleven. We waren ons al vroeg bewust van de mogelijke gevolgen van een versnel­de zeespiegelstijging. Een verhoogd risico, zelfs als de dijken voldoen aan de nieuwste deltahoogtes, bestand zijn tegen de verdergaande verzilting van de vruchtbare Groningse klei en het onder water lopen van de Waddenzee, ook bij eb. Toen de Gasunie in 2006 een ontwerpteam liet nadenken over een duurzame energievoorziening (jawel!) in Noord-Nederland bleek al snel dat de toekomst onzeker was, maar dat we met zekerheid konden zeggen dat er grote veranderingen aanstaande waren. Een versnelde zeespiegelstijging zou zomaar eens grote delen van het Noorden onder water kunnen zetten en vergaande plannen zouden nodig kun­nen zijn om daaraan het hoofd te bieden. Zo bedachten we dat een extra rij Waddeneilanden een grotere lagune kan creëren en daarmee betere bescherming.
Dit, vooral door ingenieurs hevig bekritiseerde idee, werd eenvoudig naar het rijk der fabelen verwezen, onder verwijzing naar de toen voorspelde slechts zeer beperkte zeespiegelstijging.
Inmiddels heeft onderzoek aan de zandmotor en de natuurlijke ontwikkeling van de Marker Wadden laten zien dat meebewegen met de natuurlijke dynamiek wis en zeker zin heeft. De weerbaarheid van de kust wordt, door de natuur zelf, vergroot. Zo toonde in 2020 een team Nederlandse onderzoekers onder leiding van Ralph Temmink aan dat kunstmatige en zichzelf ontwikkelende processen de kustverdediging danig kunnen helpen ver­stevigen.
Daarvoor is het echter wel nodig dat we afstand durven nemen van onze bestaande benaderingen. Immers, vol­harden in de oplossingen die goed bruikbaar waren voor omstandigheden uit het verleden bieden weinig garan­ties voor een volledig veranderende toekomst. In plaats van tegenhouden zullen we moeten meebewegen.

Kustdoorbraken

In het plan voor een overstroombare Eemsdelta is dit principe toegepast. Wat als we nu eens niet wachten op een eventuele dijkdoorbraak, maar de onzekerheid geen kans geven door het zeewater alvast toe te laten in het Groningse landschap? Dan kan de natuur zelf ons veiligheid bieden. Een klein gaatje in de dijk bij Delfzijl volstaat om het water langzaam en gecontroleerd binnen te laten. Met het water komen ook klei en zand­deeltjes mee, die het maaiveld langzaam laten meegroeien met de zeespiegelstijging. Daardoor ontstaat een nieuw, aantrekkelijk en veilig landschap, waarin we kunnen wonen en recreëren, en zilt voedsel kunnen ver­bouwen. Dat dat in de toekomst meer zal opleveren dan suikerbieten en aardappels lijkt een minder gewaagde voorspelling dan dat de zeespiegelstijging onder een meter zal kunnen blijven.

De natuur zelf vergroot de weerbaarheid van de kust

Op eenzelfde manier kunnen we ons denken verzetten voor het Reitdiepgebied. (Zie bijvoorbeeld het plan Reitdiep Valley op pagina 26 tot 28 van dit nummer.) In de geschiedenis is de verbinding van de stad naar de zee steeds verder gerationaliseerd en bedijkt, met als voorlopig laatste wapenfeit de afsluiting van de Lauwerszee. Inmiddels is de Groningse bodem gedaald, het noordelijke zeekleigebied steeds meer verzilt, de bescherming op Deltahoogte gebracht en de biodiversiteit gedecimeerd. Dit brengt niet alleen risico’s met zich mee voor de leefomgeving en de ecologie, maar ook voor de economische veerkracht van de landbouw. Daarbovenop krijgt het landschap te maken met verdroging. Die is in Noord-Groningen nu nog niet zo hevig als in sommige andere delen van het land, maar ook hier zal het denken om moeten. Niet zoet water snel afvoeren naar de zee maar het benutten om de bodem vochtig te houden en gewassen te laten groeien. Dat we daarbij een oneindige bron kunnen, misschien wel moeten benutten, lijkt evident: de zee.
Het plan Ademende Kust wil zeewater gebruiken om de oude loop van het Reitdiep in ere te herstellen. Het water brengt sediment en hoogt het land op. Het brengt ook water tot diep in de provincie. Daar kunnen we het gebruiken voor een nieuwe lokale voedselproductie: zilte aquacultuur van kreeft en garnaal, in combinatie met zeewier (zeer geschikt als klimaatneutraal veevoer) en algen (voor schone energie). De natuur vaart er wel bij. Het landschap krijgt zijn oude gradiënten terug en nieuwe Nederlandse mangrovebossen verhogen de biodiversiteit en dempen de kracht van de binnendrin­gende zee tot hanteerbare proporties. En de mens woont er in schone lucht, eet gezond van het eigen land, profiteert van de nieuwe economie van exclusief voedsel, en is veilig voor de zee, hoe snel die ook stijgt. Bovendien geeft de getijdenrivier weer betekenis aan het land, want de historische patronen, dorpen en vluchtplaatsen liggen precies daar waar ze bedoeld waren.

Afscheid

Waarom is het toch zo moeilijk om afscheid te nemen van het geloof in de dijkenbouwers uit het verleden. Natuurlijk, het spook van 1953 hangt nog altijd boven ons hoofd. Maar langzaam wordt duidelijk dat onze ingenieurskunst alleen niet meer vol­doende is. We hebben meer dan goede kennis ontwikkeld die ons laat begrijpen dat de natuur altijd sterker is dan wijzelf. Een mui in zee kan de sterkste zwemmer meesleuren de dood in, tsunami’s kunnen kerncentrales ontwrichten en orkanen zullen de kusten blijven teisteren. De natuur zelf begrijpt de oplossing, kan zichzelf organiseren om te overleven, ons te laten overleven. Aan onze bestuurders, beleidsmakers en ontwerpers om deze nieuwe kennis ook echt in de praktijk te durven brengen.
In tijden van onzekerheid is het lang gebruikelijk geweest om niet veel te veranderen aan onze aanpak. Tijden zijn echter veranderd, want risico mijden verhoogt het gevaar. Dus zelfs als we verwachten dat de zeespiegel niet zo hard stijgt als James Hansen voor­spelde, is het nog beter het zekere voor het onzekere te nemen. We hebben immers te maken met onomkeerbare processen in onze ecosystemen en die nopen ons de groot­ste onzekerheden als uitgangspunt te nemen voor onze toekomstplannen. Dat die ook aantrekkelijk kunnen zijn, laten de voorbeelden zien. Plannen maken voor de meest ex­treme toekomst kan de risico’s verkleinen. Dat is geen paniekzaaierij, maar verantwoord beleid. En het kan bovendien nog een aantrekkelijker kustgebied opleveren.

Rob Roggema is lector Ruimtelijke Transformaties bij de Hanzehogeschool. Hij is landschapsarchitect en houdt zich bezig met duurzame stedenbouw, klimaatadaptatie, energielandschappen en stadslandbouw.

Aankomende twee weken zet Noorderbreedte de vraag ‘Prikken we de dijk door?’ centraal. Moeten we land loslaten? Wat vind jij? We horen graag van je. Stuur een reactie naar redactie@noorderbreedte.nl.