Met een beetje fantasie kan zijn woning doorgaan voor een schip. Op de achtste verdieping van het appartementencomplex heeft Bas aan de Wiel (71) een weids uitzicht over de Eemsmonding. Links in de verte de Wadden, rechts de haven van Delfzijl en de Dollard, aan de overkant Duitse windmolens.

Achter de dijk stroomt het water de wereld in. Met je vinger in de atlas trek je zo de lijn: Waddenzee, Noordzee, Atlantische, Indische en Grote Oceaan. Het zijn vertrouwde namen voor Aan de Wiel, een robuuste man met ogen zo blauw als een tropische lagune. Decennia werkte hij bij Smit Lloyd en Smit Internationale, offshorebedrijven die booreilanden bevoorraadden en versleepten. Hij kwam overal, van Noorwegen tot Venezuela, van Ierland tot Indonesië. Saai was het nooit, vertelt hij. Gevaarlijk zelfs, af en toe, met piraterij. In 1979 raakte de kapitein in West-Afrika voor het eerst in een crisis, toen de oliemaatschappij ‘troubles’ kreeg met de Nigeriaanse regering. ‘’s Nachts zijn we stilletjes de rivier af geslopen en vervolgens op volle kracht naar Ghana gevaren. Onze vlucht naar huis ging via Nigeria. De KLM kreeg een seintje dat het daar voor ons gevaarlijk was. Bij de tussenstop zaten we in de cockpit.’
Twee jaar later voer Aan de Wiel over Aziatische wateren. Hij had er net een klus van drie maanden op zitten, voor een booreiland in de Golf van Thailand. In Singapore zou hij worden af­gelost. Maar onderweg kwam zijn schip wederom midden in de geopolitieke actualiteit terecht.

Vrouwen en kinderen

De melding kwam rond het middaguur, ter hoogte van Pulau Tioman, een eiland voor de Maleisische kust. Aan de Wiel zat te eten toen zijn stuurman beneden kwam: er was vlakbij een bootje gezien. Eerst doorvaren, gelastte de kapitein, dan zou hij zo wel boven komen kijken. Zijn schip voer al wat langzamer, zo dicht bij de eindbestemming en tussen eiland en vasteland. ‘De officiële route is buitenom, maar ik glipte liever binnendoor. Dat was de kortste weg.’ Die kortste route verkoos de geboren Dordtenaar ook ooit naar zee. Van de mulo gestuurd op zijn dertiende, belandde hij op de Oranje Nassauschool voor kust-, Rijn- en binnenvaart in Amsterdam. Hij ging aan de slag bij Wagenborg in Delfzijl, waar hij zijn vrouw ontmoette, en vervolgde zijn opleiding aan de zeevaartschool in Rotterdam. Maar de grote vaart bleek niks voor hem: ‘Te veel op de rangen, allemaal in uniform. Ik hield meer van het rouwdouwen.’ Zo begon hij in 1973 bij Smit Lloyd, een ‘vrijgevochten bende’ die goed bij hem paste. Drie jaar later was hij ‘kaptein’.
Als gezagvoerder moest hij beslissingen nemen, zoals die dag in februari 1981 na het middag­maal. Eenmaal boven op de brug zag hij het ook: een houten vissersbootje dat steeds dichterbij kwam. Hij liet zijn schip eromheen cirkelen om te peilen of het geen piraten waren. ‘Maar toen zagen we ook vrouwen en kinderen aan boord. Dan twijfel je niet. We lieten hen langszij komen. Achterin lagen we laag, een paar potige matrozen trokken de magere Vietnameesjes zo van die boot af.’
Van tevoren op kantoor had zijn rederij instructies gegeven: kom je vluchtelingen tegen en zijn ze niet in nood, dan geef je ze water, voedsel en brandstof en wijs je de weg naar land. Maar dat waren instructies met een knipoog, aldus Aan de Wiel. Er waren weliswaar geen drenkelingen en het houten bootje leek hem bestand tegen de aanschietende zee, niks ongebruikelijks in de tropen als ’s middags de wind opsteekt. Maar Aan de Wiel zag een ander probleem: het dichtstbijzijnde land was Maleisië of Singapore. ‘In beide gevallen zou de kust­wacht de vluchtelingen onderscheppen en in Maleisië interneren. En dat wens je niemand toe.’ Hij was er al verschillende keren langsgevaren: een kamp aan de kust, op een kale berg. ‘Die mensen hadden daar niks. Eten en drinken, maar verder niks. Dus dat was het punt: zoals ik de vluchtelingen oppikte, zaten ze in nood.’

Veilige haven

Overleg plegen met zijn rederij ging niet. Tegenwoordig kun je op elk moment wereldwijde telefoongesprekken voeren, de Smit Lloyd-12 had enkel een ‘spreeuwenkist’: ‘Daar kon je net het achterdek mee bellen en ’s nachts op de korte golf Rotterdam of Scheveningen, als je geluk had.’ Toch twijfelde hij geen moment, benadrukt Aan de Wiel weer. Want ultiem wist hij zich gesteund door Nederland: dat nam Vietnamezen op die het communistische land waren ontvlucht. Eind jaren zeventig had de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, aange­drongen op opvang buiten de overvraagde regio. Daarmee waren de 62 vluchtelingen – ‘62,5; één vrouw was in verwachting’ – op het Smit Lloyd-schip verzekerd van een veilige haven. ‘Ze waren oververmoeid en zee­ziek geweest,’ zegt Aan de Wiel, ‘en vuil van de uitlaat­gassen.’ Hij liet ze douchen en zorgde dat er een tent werd opgezet. ‘Ons Chinese kokkie ging meteen naar z’n kombuis om rijst met kip klaar te maken. Frisdrank en bier hadden we nog plenty, met een blikje Heineken waren de mannen al heel gelukkig.’ Het lege vissersbootje verdween, onder de schroeven van de Smit Lloyd-12, naar de bodem van de Zuid-Chinese Zee. Ook dat waren instructies: vernietig het bewijs, zodat nergens meer een intacte boot kan aanspoelen.

Bij aankomst in Singapore ging het schip onder marinebegeleiding naar de quarantaineplaats. Aan de Wiel her­innert zich een onderzoek door de rederij, de immigratiedienst en de VN. De Vietnamezen mochten van boord en konden in de opvang hun eindbestemming kiezen: Nederland, maar bijvoorbeeld ook Frankrijk, de Verenigde Staten of Australië, waar ze eveneens welkom waren. Veertig jaar later hangt de asielvlag er heel anders bij. Op het Griekse eiland Lesbos moest dit najaar het overbevolkte kamp Moria afbranden, voordat Nederland bereid leek zich open te stellen. Uiteindelijk stemde het kabinet in met een uitruil: vijftig alleenstaande kinderen en vijftig volwassenen uit Moria mogen hierheen komen, maar dat gaat af van het totaal aantal vluchtelingen dat ons land toch al opneemt.

‘Ons Chinese kokkie maakte direct rijst met kip klaar’

De opstelling van Nederland woog destijds mee in zijn beslissing en zou nog steeds meewegen, stelt Aan de Wiel. Hij vindt dat er tegenwoordig ook veel economische asielzoekers zijn, maar dat vluchtelingen moeten worden beschermd. En daar schort het volgens hem aan. ‘Stel dat ik in 1981 het risico liep op een situatie zoals nu op de Middellandse Zee, dat je mensen aan boord haalt maar nergens binnenkomt. Dan had ik waarschijnlijk gedacht: jongens, ik geef jullie eten, water en brandstof, en daar is Maleisië.’

Weerzien

Aan de Wiel was net terug van zijn volgende reis, naar Borneo dit keer, toen hij werd gebeld door de rederij. Een vluchteling die inmiddels in een opvangcentrum in Apeldoorn verbleef, wilde contact (zie kader). De kapitein reageerde ‘lauw’, vertelt hij, het hoefde van hem niet zo. Toch ging hij met zijn vrouw op bezoek. In het opvangcentrum zagen zo’n twintig Vietnamezen hun redder terug, al wordt hij niet graag zo genoemd. ‘Ik zeg altijd: ik heb ze een lift gegeven.’ Het contact bleef in stand, soms intensief, dan weer op een laag pitje. Toen Aan de Wiel zeventig werd, werden hij en zijn vrouw opgehaald voor een Vietnamees feest. Eerder kreeg hij mee hoe de kinderen hier opgroeiden: sommigen werden rechtlijnig opgevoed, gericht op de Vietnamese gemeenschap, anderen mengden juist in huwelijken met autochtone Nederlanders. Die vrijheid had Aan de Wiel hun allemaal wel gegund, zeker terugdenkend aan zijn eigen jeugd. ‘Ik wou niet leren. De Vietnamese kinderen die dat goed konden, hadden geluk. Maar de ouders konden daar streng in zijn: jullie zijn in Nederland te gast, jullie mogen nooit afhankelijk worden van de staat.’ Die februarimiddag op de Zuid-Chinese Zee is ook hij nooit vergeten. ‘Het blijft in je zitten, maar erover praten is een tweede.’ Het deed niets af aan zijn liefde voor het ruime sop. Zelfs de laatste jaren kriebelde het nog, tot hij in 2016 zijn papieren liet verlopen: ‘Toen kón ik niet meer weg.’ Of hij de zee mist? ‘Niet meer. Als ik een vuurtoren wil zien, hoef ik ’s avonds maar voor het raam te gaan staan.’

‘Hij gaf ons een kans’
Een van de Vietnamese vluchtelingen die bij de Smit Lloyd-12 aan boord werden gehesen, is Tri Nguyen (1977). Pas op zee hoorde de kleuter dat hij nooit meer zou terugkeren. ‘Ik vond het heel erg dat ik geen afscheid had kunnen nemen van de hond, die in ons dorp in de Mekongdelta was achtergebleven.’ Het was Tri’s vader die contact zocht met de kapitein. Het gezin kreeg een huurhuis in Maarssenbroek en verhuisde later naar Purmerend. Vader, overleden in 2017, was in Vietnam ooit bestuursambtenaar maar werd onder het communistische bewind naar heropvoedingskampen gestuurd. In Nederland zat hij achter de naaimachine. De opleiding van de kinderen was van wezenlijk belang, zegt Tri: ‘Mijn ouders kwamen hier met niets, onderwijs was het enige waarmee we ons konden redden.’ Tri werd patholoog in het UMC Utrecht. Hij ziet twee kanten aan zijn identiteit: op school had hij Nederlandse vriendjes, thuis was de Vietnamese cultuur leidend. Voor kapitein Aan de Wiel heeft hij alleen maar lof. ‘Hij gaf ons de kans op een nieuw bestaan. Dat hoefde hij niet te doen, maar hij deed het wel. Daarvoor ben ik hem eeuwige dank verschuldigd.’