Beste Ankie,

Mevrouw Van Dale wacht op antwoord. Zo lees ik jouw laatste, mooie bijdrage aan onze discussie. Want A, je verwacht van mij antwoord op drie (samenhangende) vragen:

  1. Valt wat ik schrijf over onze verantwoordelijkheid tegenover schapen wel toe te passen op grutto’s?
  2. Leg ik de verantwoordelijkheid niet te veel bij het individu?
  3. Hoe zetten we ooit die volgende stap, naar de politieke en beleidsmatige consequenties van gelijke rechten voor mensen en niet-mensen?

En B, je doet dat mede op basis van het gezaghebbende woordenboek.

Na de vraag ‘Wat is een wild dier?’ schrijf je namelijk: ‘De Van Dale definieert bij de diverse lemma’s: “zoals voorkomend in de natuur, in de natuurstaat”, “niet tam”, “niet door de mensen verzorgd”. En als zogenoemd pregnant taalgebruik, waarin meer doorklinkt dan er strikt genomen staat: “verscheurende, verslindende dieren”.’ Vervolgens buig je je over de grutto en kom je tot de volgende tussenconclusie: ‘De grens tussen vee en wilde dieren is daarmee soms minder scherp dan de Van Dale voorstelt.’

Goed, dat je kritisch naar de Van Dale kijkt. En uitstekend, dat je ziet waar het probleem zit. Wat voor de grens tussen vee en wilde dieren opgaat, geldt namelijk voor veel concepten en begrippen waarmee we de ecologische crises proberen te duiden. Niet alleen zijn die vaak antropocentrisch (de mens staat centraal), ook plaatsen die de mens boven en/of buiten niet-mensen. Denk aan de tegenstellingen natuur-cultuur, mens-milieu, mens-dier, mens-techniek. Filosofen spreken van ‘dichotomieën’. Daarbij lijkt het om principiële verschillen te gaan: mensen hebben cultuur, dieren natuur. Maar wie inzoomt merkt dat de verschillen gradueel zijn. Laten vrijende mensen zich niet ook door hun driften leiden (natuur)? Gebruiken kraaien niet ook werktuigen (cultuur)? In plaats van harde grenzen zijn er glijdende schalen, van soorten die zich minder tot soorten die zich meer door hun driften laten leiden; van soorten die geen werktuigen gebruiken tot soorten die dat juist in grote mate doen.

Wie de antwoorden van Van Dale verwacht, kan dus lang blijven wachten. Gelukkig ben jij zo verstandig dat je in het woordenboek begint, maar daar niet eindigt. ‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’, zei de filosoof Ludwig Wittgenstein al. Als we de wereld in ecologische zin willen verbeteren, moeten we ook uit én met de oude antropocentrische en dichotomische taal een nieuwe taal vormen. Ja, dat is een sisyfusarbeid, met hopelijk dit verschil dat wij niet steeds exact dezelfde steen de berg opduwen maar dat we de antropocentrische en dichotomische kanten daar langzaam vanaf laten slijten.  

Drempeldieren

Zoopolis van Sue Donaldson en Will Kymlicka biedt een goed voorbeeld van die sisyfusarbeid. Een van de dichotomieën die de twee filosofen deconstrueren, is die tussen ‘wild dier’ en ‘gedomesticeerd dier’. Veel dieren vallen buiten die categorieën – je geeft zelf de grutto als voorbeeld. Donaldson en Kymlicka onderscheiden daarom ook de tussencategorie ‘liminal animals’. Denk aan dieren die mensen als buren krijgen in hun habitat. Of aan dieren die zelf besluiten in de nabijheid van mensen te gaan wonen. ‘One problem […] is that these animals are invisible in our everyday worldview. Given the way we draw a dichotomy between nature and human civilization, urban space is defined precisely in opposition to what is wild and natural. […] As a result, liminal animals are often the victims of inadvertent harms from our buildings, roads, wires, fences, pollution, rogue pets and so on.’

Daarmee komen we bij jouw eerste vraag: ‘Valt wat ik schrijf over onze verantwoordelijkheid tegenover schapen wel toe te passen op grutto’s?’ De grutto is niet alleen een wild dier maar ook een cultuurvolger. ‘En waar het schaap aan het denken zet over haar instemming (of niet) met de nutsrelatie, stelt de bedreigde grutto ons een tegenovergestelde vraag: mogen we onze cultuurvolgers veronachtzamen? Of hebben we een verantwoordelijkheid voor hun bestaan?’

Waarschijnlijk vallen grutto’s onder die derde categorie van Donaldson en Kymlicka. Maar is de vraag die grutto’s ons stellen tegenovergesteld aan de vraag die schapen ons stellen, zoals jij schrijft? Verval je daarmee niet zelf in een te radicale tegenstelling? Kunnen we niet beter kijken waar de vragen verschillen en waar ze overlappen?

Donaldson en Kymlicka hebben een heel boek nodig voor dit soort gecompliceerde vragen, en dan nog geven ze slechts een schets van onze specifieke verantwoordelijkheden tegenover gedomesticeerde, wilde en grensdieren. Maar om misverstanden te voorkomen: ik vind dat we zeker een verantwoordelijkheid hebben tegenover grutto’s. Alleen: wie is de ‘we’ die ‘we’ zegt?

Wie is ‘we’?

Zo kom ik op jouw tweede en derde vraag. Leg ik de verantwoordelijkheid niet te veel bij het individu? ‘Hoe zetten we ooit die volgende stap, naar de politieke en beleidsmatige consequenties van gelijke rechten voor mensen en niet-mensen?’

Hopelijk voel jij mijn antwoord al aankomen: ook de dichotomieën individu/maatschappij, individu/politiek, individu/beleid, individu/bedrijfsleven moeten we deconstrueren. Want valt de boer die insecticiden spuit los te zien van de consument die goedkope groente wil? Kan de CDA-politicus de vervuilende boer blijven steunen zonder de CDA-stemmer? Kan de Rabobank de boer geld lenen voor insecticiden zonder de Rabo-klant?

Laten we onszelf beschouwen als onderdelen van netwerken, in plaats van als een losstaand individu, zou ik zeggen. Een netwerk beperkt onze macht doordat we altijd afhankelijk zijn van de andere onderdelen die er deel van uitmaken. Maar het vergroot onze macht ook doordat ons handelen resoneert in de andere delen van het netwerk waarbinnen we acteren. Als ik biologische groenten koop, Partij voor de Dieren stem en mijn geld op de Triodosbank zet, kan dat wel degelijk effect hebben, mede doordat mensen sociale dieren zijn en elkaar nabootsen. Laten we niet wachten tot we precies weten wat ‘die volgende stap’ moet zijn, laten we liever de kleine stapjes zetten die we hier en nu kunnen zetten.

Waarmee ik niet bestrijd dat sommige onderdelen van die netwerken machtiger posities innemen dan andere en meer verantwoordelijkheid dragen (de Shell-ceo draagt meer bij aan de ecologische crises dan de automobilist die Shell tankt, al pleit dat de automobilist zeker niet vrij). En samenhangend: dat we onze positie in netwerken nog kunnen versterken door bijvoorbeeld politiek actief te worden of ons als schrijver en spreker in het publiek debat te mengen. Waarbij ik verder denk dat onze meer private en onze meer publieke rollen elkaar kunnen stutten, of juist niet. Stel, ik geef een lezing waarin ik ervoor pleit de ecologische voetafdruk onder de één aarde te houden. Maar ik kom in een auto aanrijden, vertel over mijn grote huis en mijn verre vliegreizen. Wie laat zich door mij overtuigen? (Voor deze discussie verwijs ik verder naar het Balie-debat tussen JaapTielbeke, auteur van Een betere wereld begint niet bij jezelf, en mijzelf, auteur van De Meester-methode. De makkelijkste methode om te stoppen met milieuvervuilen)

Inderdaad, we zullen tegen veel bedrog oplopen en nooit zeker weten of we de juiste keuzes maken. ‘Koop een pak weidevogelmelk en je denkt goed bezig te zijn’, schrijf jij. ‘Helaas ligt dat anders, zoals Piersma uitlegde. Agrarisch natuurbeheer werkt onvoldoende, de grutto wordt er nog niet beter van, hoe vrolijk hij ook rondvliegt voor de consument in de supermarkt.’ Ook hier moeten we niet vervallen in een principiële keuze, nu tussen enerzijds goed handelen op basis van honderd procent zekere kennis en anderzijds niet-handelen vanwege gebrek aan zekere kennis. Want al hebben we geen zekerheid, we kunnen wel met hogere en lagere graden van waarschijnlijkheid beter van schadelijker gedrag onderscheiden. Dank voor het voorbeeld van weidevogelmelk. Hoe waarschijnlijk is het dat reclame betrouwbare informatie geeft? En is koemelk drinken niet sowieso een gepasseerd station voor mensen die rekening houden met niet-mensen?

Ankie Lok en Maarten Meester schreven beiden een artikel voor het themanummer Iedereen doet mee. Online schrijven ze aan elkaar.