In Noord-Groningen tast oprukkend zout water de vruchtbare kleigrond aan. Landschapsarchitect Lieke Jildou de Jong wil boeren helpen hun land weerbaar te maken. Haar ‘zoetwatererven’ houden het zoete water vast en bieden een nieuw verbond tussen boer en bodem.

Wie op de dijk bij Kloosterburen uitkijkt over de kwelders, ziet hoe mens en natuur hier samen het landschap hebben gevormd. De Wadden reiken tot aan de door mensen gebouwde dijk, die het zoete land beschermt tegen het zoute water. Binnendijks ligt het boerenland, strak verkaveld in akkers, met sloten en lange lijnen, aangelegd door generaties boeren. Buitendijks strekt de kwelder zich uit; bij vloed stroomt het zeewater eroverheen, bij eb trekt het zich terug en blijft er een dunne laag slib achter. Zo groeit de kwelder langzaam, terwijl de zee bij hoogwater telkens even terrein terugpakt.

Evenwicht

Tussen die twee werelden – het wilde water en het gemaakte land – zoekt landschapsarchitect Lieke Jildou de Jong naar een nieuwe balans. Niet door het zoute water buiten te sluiten, maar door het landschap zó te ontwerpen dat het kan meebewegen.
Op deze plek bij Kloosterburen vormt de zee niet alleen een bedreiging, maar is ook een bron van nieuw land en vruchtbaarheid. Deze plek liet Lieke ook zien dat als mens en natuur elkaar proberen te overheersen, hun relatie uiteindelijk vastloopt. Maar zodra ze gaan samenwerken, ontstaat er juist een veerkrachtig evenwicht – een landschap dat blijft geven, zolang je er respectvol mee omgaat. ‘Al eeuwenlang winnen mensen hier land van de zee. Ze slaan paaltjes in het water en vangen slib op, zodat de kwelder groeit. Is die hoog genoeg, dan volgt een dijk’, zegt Lieke. ‘De zee blijft meebewegen; ze schuift langzaam op. Dit landschap is een dynamisch samenspel van natuur en mens, waarin niets vaststaat. Dat kwetsbare evenwicht zit er diep in verweven. Onze uitdaging is om met de natuur te leren samenwerken, in plaats van ertegen te vechten, zodat we het landschap veerkrachtig maken.’

De natuur als tegenpool

Voor Lieke begon dat inzicht met verlies. ‘Ik ben opgegroeid op een boerderij in Woudbloem. In 1999 werd die opgekocht om plaats te maken voor een nieuw natuurgebied. Ineens was alles weg. De stallen, de koeien, het erf. Zo werd natuur in mijn hoofd iets wat haaks stond op het boerenleven.’
Jaren later, bij het zien van het nieuwe natuurgebied, werd het zaadje geplant voor haar idee dat dat anders kan – en moet. ‘Als je nu naar dat gebied kijkt, zie je een soort vlek. Ik noem het “blobben” natuur. Alsof iemand met een viltstift een vorm had getekend en gezegd had: hier is nu natuur.’
Wat ontbrak waren de lijnen. De sloten, greppels en verkavelingen die generaties lang het land hadden gevormd, waren weggepoetst. ‘Het landschap praatte niet meer met zichzelf’, zegt ze. ‘Alsof er één laag uitgegumd was: de laag waarin mens en natuur elkaar ontmoeten.’ Dat besef zette haar aan het denken: wat als we natuur en landbouw niet als elkaars tegenpolen zien, maar als elkaars partners? Wat als ontwerp niet draait om afscheiding, maar juist om verbinding?

Gronings zout

Toen Lieke landschapsarchitectuur ging studeren, kreeg ze de kans om die ‘uitgegumde laag’ vorm te geven. En ze wist ook waar dat moest gebeuren: in het Groningse kleilandschap waar boer, zee en bodem al eeuwenlang strijd leveren én samenwerken. Het zoute water, dat jaren geleden door de mens bedwongen was, dreigt nu op het Noord- Groningse platteland weer de overhand te krijgen. Onder de dikke laag klei kruipt het langzaam omhoog.
‘Gewoonlijk drukt het regenwater het zoute grondwater dieper de bodem in, weg van de wortels van planten’, legt Lieke uit. ‘Maar door bodemdaling, de stijgende zeespiegel en intensieve drainage daalt het zoetwaterpeil. Daardoor kruipt het zoute water langzaam omhoog, bereikt het de plantenwortels en kan het gewassen beschadigen.’ Dat zout vormt een bedreiging voor het boerenland. ‘Gewassen gaan dood, oogsten mislukken en het land raakt uitgeput. Het zout tast dus niet alleen de bodem aan, maar ook het bestaan van de boer.’

Leeggetrokken

Wie het tij wil keren, moet het water vasthouden. Zoet water. Regen die niet meteen wegstroomt via sloten en gemalen, maar in de bodem blijft zitten als een buffer tegen het oprukkende zout.
Maar dat lukt onvoldoende. Het land is er in de loop der jaren juist op ingericht om water zo snel mogelijk af te voeren: rechte sloten, diepe greppels, pompen die alles wegmalen. Nu moet het water juist worden vastgehouden, maar het systeem is daar nog niet op ingesteld. ‘Wat ooit een voordeel was in natte tijden, is nu een probleem. We hebben het land té goed leeggetrokken.’ Daarom heeft het gebied hulp nodig: van de boer én van de natuur.

Zoetwaterlens

Voor haar afstudeeropdracht bedacht Lieke het concept van een zoetwatererf: een gebied, met het formaat van een boerenerf, dat water opvangt, vasthoudt en langzaam de bodem in laat zakken. Niet om het kwijt te raken, maar juist om het onder de akkers vast te houden als een bel van zoetwater die het zoute kwelwater op afstand houdt. ‘Zie het als een verbond tussen boer en bodem’, zegt ze. ‘Je maakt ruimte op je land om regenwater vast te houden. Dat geeft je akkers water in droge zomers en houdt het zoute water onder de grond waar het hoort.’
Door organisch rijk materiaal toe te voegen – via groenbemesters en een grote variatie aan gewassen – voedt de boer het bodemleven. ‘Dat bodemleven, druk in de weer tussen de wortels, maakt gangen en holtes in de aarde, alsof het de bodem lucht inblaast. Zo kan zoet regenwater beter de grond in trekken, niet alleen rond het erf, maar juist ook diep in de akkers.’
Zo verbind je sloot, erf en akker tot één systeem dat samenwerkt met het water, en het niet tegenwerkt. ‘Het land wordt veerkrachtiger, net als die kwelders achter de dijk. Het beweegt mee, in plaats van dat we alles proberen vast te zetten.’
Het erf krijgt een netwerk van ondiepe poelen, greppels en natte stroken waar regenwater kan blijven staan en langzaam de grond in kan zakken. Paden en werkstroken zorgen dat het erf bruikbaar blijft. Langs de randen groeien struiken, er komen houtwallen en bloemrijke randen die insecten en vogels aantrekken: helpers die plagen klein houden en de gewassen gezond.
Het water dat zo in de grond blijft vormt een natuurlijke zoetwaterlens: een laag zoet water die langzaam in de grond zakt en als een zachte deken op het zoute water drukt. Zo blijft het zout precies daar waar het hoort: diep onder in de bodem. Ondertussen krijgt de boer in de zomer een kostbare waterbuffer, terwijl het omliggende land wordt beschermd tegen het oprukkende zeewater.

Klein spul

Het concept van een zoetwatererf valt of staat met een gezonde bodem. Bestrijdingsmiddelen zijn dus uit den boze. ‘Als je gif spuit, leg je het hele bodemleven lam. Dan kan het natuurlijke systeem eigenlijk niet draaien’, zegt Lieke.
Dus moet de boer vertrouwen op insecten, vogels en bodemdiertjes. ‘Dat is spannend, want het vraagt dat je als boer niet alleen oogst, maar ook ruimte laat voor het onzichtbare werk dat de natuur voor je doet.’

‘Het zout tast niet alleen de bodem aan, maar ook het bestaan van de boer’

Denk aan springstaarten, wormen, schimmels en bacteriën. ‘Al dat kleine spul maakt de bodem poreus. Ze eten organisch materiaal, poepen het weer uit als voeding voor planten. Het houdt de bodem luchtig, zodat water kan zakken en wortels kunnen ademen. Verstoor je dat, dan krijg je dichte grond, slechte wateropname, en komt meer zout omhoog.’


Een artistieke impressie van een zoetwatererf – Beeld Lieke Jildou de Jong

Tijdwinst

Op de dijk wijst Lieke naar de rij paaltjes in de kwelder. ‘Zo begon de strijd tegen het water ooit: met een rij palen in de zee. Nu moeten we het omdraaien: we moeten water op een slimme manier vasthouden in plaats van wegpompen. De zeespiegel stijgt, de bodem daalt. Elk druppeltje telt.’
Is het zoetwatererf een wondermiddel? ‘Nee. We winnen er tijd mee, geen eeuwigheid. De verzilting stopt hierdoor niet volledig. Maar we kunnen het proces vertragen, het land langer vruchtbaar houden. En tegelijk bouw je een veerkrachtiger systeem op: het maakt Noord-Groningen minder afhankelijk van kunstmatige zoetwateraanvoer uit het IJsselmeer, zoet water dat we met andere provincies moeten delen. En waarvan de beschikbaarheid in de toekomst ook onzeker is.’

Knooppunt

Een zoetwatererf is meer dan een stuk grond met slim waterbeheer. Het is een puzzelstukje in een veel groter geheel. Het werkt minder goed of niet als slechts één boer het probeert. ‘Het werkt pas echt als boeren het samen doen’, zegt Lieke. ‘Als de verschillende zoetwatererven een netwerk vormen, krijg je verbinding tussen die zoetwaterlenzen, tussen bloemenstroken, tussen vogels en insecten. Dan ontstaat er een robuuste zone waarin het systeem zichzelf versterkt.’ In de praktijk is zo’n zoetwatererf nog niet toegepast, maar Lieke staat te popelen om het concept in het veld te brengen. ‘Ik zou het liefst morgen beginnen.’ Maar dat vraagt wel iets van overheden, van waterschappen, van beleidsmakers. ‘Een boer kan dit niet alleen dragen. Het kost ruimte, geld, tijd. Er zijn subsidies voor natuurbeheer, voor waterberging, voor bomenaanplant, maar die lopen vaak langs elkaar heen. Terwijl het allemaal samenhangt.’
Ze pleit voor beleid dat integraal kijkt. Niet enkel naar ‘landbouw’ of enkel ‘natuur’, maar naar het landschap als geheel. ‘Wat als we het erf zien als knooppunt van belangen? Als een plek waar voedselproductie, waterbeheer en biodiversiteit samenkomen?’

Esthetiek

Dit idee is niet nieuw, benadrukt Lieke. Boeren deden dit altijd al: zorgen dat het land in balans blijft. Vroeger wisten ze: zonder sloten, greppels en goede bodem is er geen goede oogst. Een zoetwatererf legt daar een laag bovenop die past bij deze tijd.’
En een zoetwatererf is niet alleen een buffer tegen het zout. ‘Het is ook een toevluchtsoord voor vogels, een habitat voor bestuivers. Het kan in enkele gevallen ook een plek zijn waar je als mens kunt ontsnappen aan de overweldigende leegte van het landschap.’ En niet onbelangrijk: een zoetwatererf is mooi. ‘Esthetiek telt’, zegt Lieke. ‘Als iets er verzorgd uitziet en past in het landschap, waarderen mensen het sneller. En wat je waardeert, daar zorg je voor.’