Klimaatongelijkheid
In Nederland is er weinig hoop op een Elfstedentocht en hebben we droge zomers, terwijl aan de andere kant van de wereld eilanden als Tuvalu en Vanuatu bedreigd worden door de stijgende zeespiegel. De effecten van klimaatverandering raken het Globale Zuiden harder dan het Globale Noorden, ondanks dat het noordelijk halfrond de afgelopen decennia door broeikasgassen relatief veel meer heeft bijgedragen aan klimaatverandering. ‘Het Globale Zuiden heeft minder middelen dan het Globale Noorden om met de opwarming van de aarde om te gaan. Daardoor ervaren sommige samenlevingen de effecten van klimaatverandering veel duidelijker’, vertelt Iva Pesa, Universitair hoofddocent contemporaine geschiedenis en medecoördinator van de leergang Climate Change and Inequality (CCI). Zo mist Vanuatu de financiële middelen om de klimaatschade door steeds intensere tropische cyclonen te beperken. Waarom verschillende bevolkingsgroepen klimaatverandering anders ervaren en hoe met deze ongelijkheid om te gaan, is een van de hoofdthema’s waar de studenten van CCI zich in vastbijten. Pesa vertelt dat er naast focus op materiële schade ook meer aandacht moet komen voor hoe klimaatverandering impact heeft op de levens van mensen. ‘We wilden CCI doelbewust opzetten vanuit een sociaal- en geesteswetenschappelijk perspectief, zodat kwesties over moraliteit, geschiedenis, ongelijkheid en rechtvaardigheid behandeld zouden worden.’ Alsnog wordt ook de natuurwetenschappelijke kant van klimaatverandering behandeld in het vak Environment and Development, dat ingaat op de werking van verschillende technologische oplossingen als waterdammen, windmolens of zonnepanelen. Zo krijgen de studenten een interdisciplinaire benadering om klimaatverandering beter te doorgronden.
Verbinding
De universiteit wil al langer dat de faculteiten interdisciplinair samenwerken, zowel in onderzoek als onderwijs’, vertelt Pauline Bakker, onderwijskundige bij onder andere de Wubbo Ockels School (WOS). Om deze samenwerking te stimuleren heeft de RUG vier zogeheten ‘scholen’ opgezet, die zich elk richten op specifieke maatschappelijke thema’s. De WOS is toegespitst op de energietransitie en klimaatverandering. Volgens Bakker kan een maatschappelijke uitdaging als klimaatverandering alleen aangepakt worden door verschillende wetenschappelijke disciplines te verbinden. ‘Je kan als natuurwetenschapper zeggen dat de transitie naar schone energie belangrijk is, maar je moet mensen ook overtuigen om die stap te zetten.’ Hoe dat het beste kan is een kwestie die wellicht eerder thuishoort bij psychologen dan bij natuurkundigen.
Elke school heeft de opdracht gekregen om een interdisciplinaire leergang (een ‘minor’) te organiseren. ‘We wilden een nieuwe minor ontwikkelen met allerlei nieuwe vakken’, zegt Bakker enthousiast. ‘Maar waarom zou je niet kijken naar bestaande vakken die ook bruikbaar zijn?’ Daarom is het bestaande vak Climate Change, End Times and Sustainable Futures dat zich richt op de manier hoe verschillende theologische, spirituele en filosofische tradities omgaan met klimaatverandering, ook opgenomen in het curriculum.
‘De maatschappij verandert en dat kun je niet negeren. Ik denk dat het de kunst van de universiteit is om de academische en maatschappelijke wereld te combineren. Daarom zet de RUG zich in voor challenge-based onderwijs, een onderwijsvorm die deze werelden met elkaar verbindt. Studenten krijgen een echt vraagstuk van een bedrijf, NGO of gemeente. Deze wil een advies of denkrichting krijgen op een bepaalde uitdaging’, vertelt Bakker. De studenten konden kiezen tussen een opdracht uit Afrika of – een stuk dichterbij – Selwerd. In dit laatstgenoemde project gingen studenten in opdracht van de Gemeente Groningen onderzoeken hoe burgerparticipatie in de energietransitie verbeterd kan worden. Het eindproduct was een beleidsplan, waarin de studenten uiteenzetten hoe kunst burgerparticipatie kan versterken. ‘Veel academici gaan werken in het bedrijfsleven en om je daarop voor te bereiden is het goed dat je verder gaat dan de theorie. Zo worden ook vaardigheden als samenwerken en goed communiceren ontwikkeld, in plaats van alleen te leren hoe je een goede scriptie schrijft.’
De wereld rond
Goed samenwerken en communiceren kon student Robyne Kerver al voordat ze aan de minor begon, door haar ervaring in de Jonge Klimaatbeweging (JKB), een organisatie die de stem van jongeren in het klimaatdebat vertegenwoordigt, waarvoor Kerver actief is. ‘Ik miste de theoretische kennis. Dus ik wist niet precies hoe het allemaal zit met klimaatverandering. Als ik namens JKB praat vind ik het erg belangrijk dat ik weet waarover ik het heb.’ Daarnaast wilde Kerver kijken of het haar leuk lijkt om later iets met klimaatverandering te doen. ‘Dus ik dacht, ik begin met de minor en kan daarna verder kijken.’
‘In een groepsopdracht kon je veel verschillende inzichten krijgen. De geschiedenisstudent had bijvoorbeeld superveel niche-kennis en de biologiestudent bleek veel te weten over hoe gewassen in een veranderend klimaat geteeld kunnen worden. Als International Relations-student kon ik kijken hoe het werkt tussen landen en hoe je een goed beleid kunt voeren.’ Deze interdisciplinaire minor gaat volgens Kerver de hele wereld rond. Klimaatverandering wordt bijvoorbeeld in verband gebracht met de kopermijnen in Afrika, secularisatie in Europa of inheemse volkeren in Alaska. ‘Het is heel breed, en in dat opzicht is de minor wel oppervlakkig. Toch krijg je echt meer kennis over het klimaatprobleem. Maar als je alles wilt weten over klimaatverandering moet je misschien niet denken aan deze minor, maar aan een bachelor.’
Pesa zou het toejuichen als CCI-studenten met klimaatvraagstukken verder gaan in bijvoorbeeld een bachelorscriptie. Ook Bakker hoopt met deze minorstudenten te inspireren en op te leiden richting de klimaatsector. Door CCI weet Kerver het zeker: ‘Ik wil graag door met een master in klimaatverandering.’
