Even een aanloopje’, waarschuwt Frans als we per fiets de Helderse Zeewering naderen. De steile dijk is gelig na maanden van droogte. Ook nu schijnt de zon meedogenloos. Op zulke dagen is het moeilijk voor te stellen dat er ooit nog een ziedende noordwesterstorm opsteekt die de dijk op de proef zal stellen. Maar dat is precies waarin Den Helder een rijke traditie heeft: je voorbereiden op het onvoorstelbare.
Frans van de Wetering kan het weten. Tientallen jaren heeft de gepensioneerd marineofficier getraind voor oorlog. Vanuit Den Helder voer hij de zeeën over, vanaf de wal stuurde hij operaties aan. Oefenen voor een gevecht dat nooit kwam, gelukkig. Grote namen zijn hem daarin voorgegaan. Koningen bereidden Den Helder voor op een aanval die alleen op tekentafels is afgeslagen. Invasies bleven Den Helder bespaard, maar de vestingwerken die de vreemde legers hadden moeten weerstaan, bepalen nog steeds de structuur van de stad.
Gevestigde belangen
Lange tijd was er op de plek waar nu Den Helder ligt niks om te verdedigen. Er lag alleen het eiland Huisduinen – in 1610 met het vasteland verbonden via de Zanddijk – met daarop twee dorpen: Huisduinen in het westen en het jongere Helder in het noordoosten. De bewoners kenden de zeegaten als geen ander. Daarom loodsten zij de schepen veilig door het Marsdiep, als ze van en naar de rede van Texel voeren. Zulke loodsen waren onontbeerlijk vanwege de zich steeds verplaatsende geulen en platen.
De rede van Texel werd in de loop van de zeventiende eeuw drukker, omdat de zeeoorlogen met Engeland leidden tot uitbreiding van de oorlogsvloot. De linieschepen lagen steeds vaker voor anker bij Texel, waar ze in strenge winters kwetsbaar waren voor ijsgang. Daarom werd bedacht om van de geul aan de oostkant van het voormalige eiland Huisduinen een haven te maken. Dit Nieuwe Diep leek ideaal: beschut tegen stormen en ijs, en de getijstroom zorgt vanzelf voor diepgang. Maar wat een goed idee was, stuitte op gevestigde belangen. De Zuiderzeesteden vreesden concurrentie en dus ging de havenaanleg niet door. Voorlopig niet.
Honderd jaar later kwam de oorlogsvloot verder in de problemen. Alle zeegaten langs de kust waren aan het verzanden en Amsterdam werd zowat onbereikbaar voor grote linieschepen; de tocht over de Zuiderzee kon maanden duren, wat onhandig was als de Engelsen plots weer voor de kust zouden verschijnen. Daarom liet stadhouder Willem V zich in 1781 vanaf een sloep in het Nieuwe Diep overtuigen. Binnen een jaar was de geul een haven geworden, maar tot bloei kwam hij nog niet. Want zelfs na de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) waren de Zuiderzeesteden bevreesder voor het verliezen van hun werven dan voor de vijand.
Franse troepen
In de ongekend koude januarimaand van 1795 lag de oorlogsvloot hopeloos ingevroren in het Nieuwe Diep, toen de Fransen de eveneens bevroren rivieren overstaken. Toen de Engelsen op hun beurt vier jaar later het land binnenvielen, was Den Helder wederom slecht voorbereid. Aan de zeezijde lagen enkele batterijen, opgetrokken uit steen, klei en zand en bezet met afgedankt scheepsgeschut. Aan de landzijde was van verdediging geen sprake, omdat het natte landschap zelf als afdoende bescherming werd beschouwd. Dat was een grove misrekening.
De Engelsen kwamen tien kilometer zuidelijker aan land, veilig buiten het bereik van het kustgeschut. In de nacht ontvluchtten de Bataafse troepen hun slechte posities via de kwelders en kreekjes zuidwaarts. Zo vielen de haven en magazijnen van het Nieuwe Diep zonder slag of stoot in handen van de binnenvallende troepen. De uit Engelse ballingschap teruggekeerde erfprins Willem Frederik van Oranje-Nassau wachtte in Den Helder tevergeefs op een volksopstand, waarna hem niets anders restte dan naar Engeland terug te keren en een volgende kans af te wachten.
De Engelse bezetting duurde slechts een paar maanden, want zij werd snel in de kiem gesmoord door Franse troepen. Maar de inval had een belangrijke les opgeleverd: de landsverdediging schoot ernstig tekort. Daarom kwam de ingenieur Jan Blanken in 1803 met een voorstel voor een verdedigingswerk van Huisduinen in het westen tot het Nieuwe Werk in het oosten. Maar het was te ambitieus. Wederom moest er hoog bezoek aan te pas komen om Den Helder verder te ontwikkelen.

arriveert in Den Helder (1938)

keert terug uit Nieuw-Guinea (1961)
Onneembare marinebasis
Koning Lodewijk Napoleon bezocht in 1807 Den Helder en was onder de indruk van de militaire potentie. Maar dat werd al anderhalve eeuw lang gezegd en toch was het nog steeds niet verder gekomen dan een sleephelling, een kazernegebouw, een kruitmagazijn, zeven loodsen en twee wachthuisjes. Pas nadat keizer Napoleon – vergezeld van Jan Blanken – zelf op 16 oktober 1811 poolshoogte kwam nemen, raakte de ontwikkeling in een stroomversnelling. Hij verordonneerde om van Den Helder ‘het Gibraltar van het Noorden’ te maken: een onneembare marinebasis.
Blanken paste zijn oude plan enigszins aan en in 1812 werd begonnen met de aanleg van een stelling bestaande uit drie grote forten die onderling verbonden werden met liniedijken. Van west naar oost werden in sneltreinvaart de forten Morland (later Kijkduin), Lasalle (later Erfprins) en L’Ecluse (later Dirksz Admiraal) opgericht. In hetzelfde jaar ving de bouw van de werf Willemsoord aan. Vierduizend (dwang)arbeiders moesten de klus klaren. Wie trachtte te ontkomen, werd in de wildernis ten zuiden van Den Helder opgevangen en teruggestuurd.
Terwijl de noordwestpunt van Nederland in een vesting veranderde, keerde het gedecimeerde leger van Napoleon terug uit Rusland en stortte zijn rijk in. Texelaars verdreven de Fransen van hun eiland, Kozakken trokken op richting Den Helder en de Prins van Oranje zette in Scheveningen (opnieuw) voet aan land. Maar de opperbevelhebber van Den Helder wilde niks weten van overgave. Deze Carel Hendrik Verhuell had trouw gezworen aan de Franse keizer en was een man van zijn woord. Hij liet alles in gereedheid brengen om de vesting te verdedigen. Maar wat een enorme veldslag had kunnen worden, ging voorbij zonder een schot te lossen. Want meer nog dan van Napoleon hield Verhuell van de magazijnen, stellingen en schepen van Den Helder.
Historisch erfgoed
Ruim twee eeuwen later praat Frans van de Wetering met minstens zo veel liefde over Den Helder. Behalve oud-marineofficier is hij namelijk ook voorzitter van de Helderse Historische Vereniging. Dat is een gewichtige taak in een stad met zoveel militair erfgoed. Want ook nadat Verhuell op 4 mei 1814 de Nederlandse driekleur op fort Erfprins liet wapperen, ging de ontwikkeling door. Met vallen en opstaan werd verder gewerkt aan Den Helder als marinebasis en vestingstad. De Rijkswerf Willemsoord kreeg droogdokken, de kwelders en wadden ten zuiden van Den Helder werden ingepolderd en het Noordhollandsch Kanaal werd gegraven. Breed genoeg om zeeschepen tot Amsterdam te laten komen en – het zal eens niet – met een verbod daarbij op nieuwe werven in Den Helder.
Den Helder bloeide eindelijk op tot de marinestad van Nederland en is dat tot op de dag van vandaag gebleven. Maar dat had wel een prijs. In de Tweede Wereldoorlog bouwde de bezetter veel nieuwe bunkers op en rond de forten en werd een groot deel van de stad gesloopt voor een vrij schootsveld. Bovendien is het ‘de meest gebombardeerde stad van Nederland’, aldus Frans. Geen titel om trots op te zijn, wel een teken van het strategische belang van Den Helder.
Door die vernietigende geschiedenis ontbreekt het Den Helder aan een historisch centrum, maar op een tocht langs de monumentale stelling blijkt er heel wat erfgoed bewaard te zijn gebleven. Boven op het fort Dirksz Admiraal wijst Frans om zich heen. Het enorme fort van bijna een halve vierkante kilometer is verdeeld over tal van eigenaren, zoals Defensie, de gemeente en het COA. ‘Dat maakt het allemaal niet makkelijker’, zegt Frans bezorgd. Hij is blij met de beleidsmatige aandacht voor de stelling, maar verlangt actie. ‘De prioriteit zou moeten zijn dat het verval van het fort door wilde begroeiing van struiken en bomen wordt gestopt. Maak er een projectofficier voor vrij en laat hem of haar het voortouw nemen in het bijeenbrengen van eigenaren, het vinden van de benodigde gelden en het uitvoeren van dat plan. Doe wat, begin nu, laat zien dat je het serieus neemt. Alsjeblieft!’

worden geïnstalleerd voordat zij inschepen op de Hr. Ms. Overijssel

vertrekt vanuit Den Helder naar Nieuw-Guinea (1962)
Herbestemmen
Bij de gemeente Den Helder weten ze dat ze kritisch worden gevolgd. Beleidsadviseur Erfgoed en Cultuur Noor Kikkert: ‘In de afgelopen twintig jaar zijn er meerdere visies voor de stelling geschreven, maar die zijn nooit uitgewerkt. Daar zijn we ons heel erg bewust van. Daarom sturen we echt aan op concrete acties, dat het niet blijft hangen op een visie.’ Haar collega Ingmar Zwier, Strategisch Adviseur Ruimte, vult gretig aan: ‘Herbestemming is belangrijk om de grote hoeveelheid erfgoed in stand te houden. Op Willemsoord is dat heel geslaagd. Een groot deel van het maritiem erfgoed heeft een mooie invulling gekregen, met schouwburg, horeca, leisure en musea. Andere objecten zijn veel moeilijker te herbestemmen. Bunkers zitten heel hoog in de beheerlast, maar laag in de kansen voor duurzame rendabele invulling.’
En bunkers, daar heeft Den Helder er genoeg van. Veel staan in de duinen of op de stelling, maar ook in het landelijk gebied aan de zuidkant lieten de Duitsers gretig beton storten. Het zijn de relicten van de Atlantikwall die een belangrijke periode representeren uit de Helderse militaire historie, maar die beperkt beschermd zijn. Ze liggen in polder Het Koegras, die begin mei 1940 nog onder water werd gezet om de Duitse opmars te stoppen. De zoute vloed was zogenaamd een noodzakelijk offer voor de verdediging van het land, maar maakte geen verschil. De luchtmacht op het naastgelegen vliegveld De Kooy bood een kleine zes uur weerstand en de marine week na de capitulatie voor een groot deel uit naar Engeland. Wederom kon Den Helder militair gezien het verschil niet maken.
Visitekaartje
Na de Tweede Wereldoorlog herrees Den Helder. Ten zuiden van de stad, buiten de stelling, kwamen twee grote nieuwbouwwijken: Nieuw Den Helder in het zuidwesten en De Schooten in het zuidoosten. De huizen waren onder meer bestemd voor marinepersoneel, want tegelijkertijd werd de veel grotere Nieuwe Haven aan de oostkant van de stad aangelegd. Frans schetst hoe dat het karakter van de stad veranderde: ‘Schepen lagen tot dan toe aan de kade langs het Nieuwe Diep, achter elkaar. Vroeger liep je met je hondje en je fiets aan de hand langs de onderzeeboten aan de kade, maar later lagen die er niet meer. De connectie met de marine is minder geworden.’
De stelling verloor haar militaire functie, maar bleef in de naoorlogse bouwwoede gespaard. Noor: ‘Er is niet op de stelling gebouwd, de schootsvelden zijn niet helemaal verdwenen. En in de opbouw van de wijken is gedacht aan zichtlijnen op de stelling. Het heeft geholpen dat de stelling en de forten nog lange tijd in gebruik zijn geweest bij Defensie.’ Ingmar: ‘Absoluut, en dat is ook een groot verschil met andere stellingen. Er zit continuiteit in gebruik en eigendom. Dat heeft de stelling beschermd tegen verval en andersoortige plannen.’
In de eenentwintigste eeuw moet de stelling mensen niet buitenhouden, maar juist uitnodigen. Als Ingmar naar de toekomst kijkt, ziet hij de stelling als ‘echt de voorkant van de stad, een visitekaartje waar inwoners identiteit aan ontlenen en die bezoekers naar Den Helder toehaalt – gewoon een heel aantrekkelijk gebied midden in Den Helder.’ Een van de pogingen om de stelling beleefbaar te maken is de coupure waar de Middenweg de liniedijk doorsnijdt. Maar Frans ziet er geen echte liniedijk in: ‘Dan had het een heel andere vorm moeten hebben. Je hebt dan het hoogste plateau en meer naar binnen toe een pad voor soldaten en paarden. Op de buitenzijde van de linie stonden prikkels en bramenstruiken om de vijand tegen te houden. Die hele structuur zie je niet terug in deze coupure. Er is gewoon een dijkje van gemaakt, terwijl je eigenlijk het gevoel moet hebben dat je hier een vestingstad binnenrijdt. Dat hebben ze hiermee geprobeerd. Het idee is leuk, jammer van de uitvoering.’

op woonschip De Leeuw (1949)

voor het vertrek van de Hr. Ms. Overijssel naar Nieuw-Guinea
Investeren in defensie
Nu er in NAVO-verband is afgesproken om flink meer geld in defensie te steken, breidt de marine in Den Helder uit, bijvoorbeeld met een langere kade en meer huisvesting. Dat lijkt een gouden kans voor de stad, maar Frans is terughoudend om te geloven dat Den Helder profiteert van die extra uitgaven.
Ook bij de gemeente willen ze niet te afhankelijk zijn van de marine. Het moet immers niet zo zijn dat het alleen goed gaat met Den Helder als de wereld onveilig is. Ingmar ziet bovendien een spanningsveld: ‘Enerzijds groeit de stad met een ambitieus woningbouwprogramma, al kan Den Helder dan vanwege zijn bijzondere ligging niet veel kanten op groeien. In het westen liggen veel Natura 2000-gebieden, in het oosten de marinehaven en het vliegveld en ten zuiden heb je landelijk gebied. Anderzijds is Defensie stevig aan het uitbreiden. Op alle vlakken moet het groter: meer personeel, grotere schepen, dus meer impact. De frictie tussen woningbouw en activiteiten van Defensie wordt groter.’
In Frans’ jonge jaren werd dat spanningsveld met rode vlaggetjes weggenomen. Destijds schoten ze nog met scherp vanuit fort Erfprins, dat pal achter de dijk ligt. De weg onder langs de dijk werd met rode vlaggen afgezet als Defensie met granaten richting zee vuurde. Het is precies die weg waarop we een tandje afschakelen om de machtige Helderse Zeewering te beklimmen. Hij is hoog en zal nog hoger worden, want landsverdediging heeft in Nederland een dubbele betekenis. In beide gevallen geldt: Den Helder bereidt zich voor op noordwesterstorm.
