Harry Cock schreef deze tekst voor de presentatie van de vernieuwde Noorderbreedte waarin zijn fotoserie Bergen van start ging.

Harry Cock schreef deze tekst voor de presentatie van de vernieuwde Noorderbreedte waarin zijn fotoserie Bergen van start ging.

Naar mijn eerste confrontatie met bergen, of laten we zeggen verhogingen in het landschap, moet ik gissen. De oudste foto’s van mijn bestaan laten mij zien op het strand. Duinen, moeten het dus geweest zijn. Maar mijn eerste bewuste ervaring was in de jaren zeventig de ontmoeting met de Alpen, die groter en hoger werden naarmate wij in mijn eerste eigen auto Zwitserland verder inreden om naar Italië te komen. Huiveringwekkend, vond ik. Dit waren dus die bergen die ik kende van tijdschriften en boeken. Fotoboeken van mijn vader. Steeds als ik daarin een bladzijde opsloeg, meestal een dubbele, met bergen gefotografeerd van af de andere bergen, duizelde het me. Wit en grijs en blauw waren de overheersende kleuren. Soms was het houvast een boerderijtje met een frisgroene alpenweide, maar dan nog kon ik bij al die lieflijkheid – geraniums overdadig aan balkons en prachtige sterke daken die sneeuw konden torsen – me niet voorstellen dat ik daar kon wonen, met uitzicht op die machtige pieken, altijd met sneeuw bedekt, die het dal al vroeg in de middag in de schaduw dompelden.
Toch bouwde ik in die tijd met mijn vader een landschap met treinen en dorpen, en op de achtergrond bergen van gips, oude kranten en kippengaas. Door het Duitse merk treintjes en de huizen en andere gebouwen van het evenzo Duitse merk Faller waren we wel gedwongen geen stijlbreuk te plegen en zo een soort Zuid-Duits landschap te creëren. Het keurige hoofdstation met twee perrons droeg de naam ‘Neustadt’, want die naam zat al in de doos. Het dorpje verderop had een laag stationnetje met op de gevel ‘Cocksdorp’.
Hadden we Nederlandse treinen van de Nederlandse Spoorwegen gehad en bakstenen huizen, dan hadden we ruimtegebrek op zolder gekregen. De horizon zou ergens tegen de muur stuiten en bovendien zou het traject nogal rechtlijnig worden. Nee, bergen hoorden erbij, want zonder bergen geen tunnels en viaducten.
Later, tijdens die reis met mijn eerste auto, heb ik de berg Athos op het monnikeneiland gezien, die tijdens de voettocht steeds weer in de verte verscheen en dan weer achter een dichterbij gelegen berg verdween, maar we kwamen voor de kloosters en de monniken en de berg behield zijn heiligheid.

Hoogtes en uitzicht hebben me altijd getrokken. Boven alles uitkijken, de wereld aan je voeten en tegelijkertijd de hoogtevrees uitdagen. Op de rand van het dak van het flatgebouw gaan staan en recht naar beneden kijken. Klimmen in kranen en fabriekspijpen. Me door het dakraam van mijn ouderlijk huis persen en op de nok de schoorsteen inspecteren en de geur van de geiserdampen opsnuiven. Voor een dubbeltje op zaterdagmiddag de watertoren op en bij helder weer de vijf pijpen van de Groningse elektriciteitscentrale zien. En later voor een omslag voor een boek over Assen in de nacht op het platte licht hellende betonnen dak van diezelfde toren staan met de zachte zomerwind en de geluiden van de Vaart.
Maar hoe hoger ik kom en zelfs vlieg, des te meer mis ik de mensen. Het adelaarsperspectief is overweldigend ver verwijderd van het gekrioel waar ik deel van uitmaak. Het uitzicht maakt me nietig en groot. Maar waar heb ik het over? Ik zit al bijna met mijn hoofd tegen het steeds donkerder blauw wordende hemelplafond. Terug, met de voeten stevig op de grond, de wereld op ooghoogte, daar moet ik het mee doen, daar speelt het leven zich af.
Mijn vlakke noordelijke wereld met de hoogvlakte die Drenthe heet en het dal de Hunzelaagte. Landschappen, veel landschappen als je goed kijkt. Landschappen in beweging zelfs, heel langzaam, maar als je ze om de zo veel dagen zou vastleggen en het resultaat achter elkaar zou afdraaien, zou je een vreemde film zien van een huid die zich kreukelt en golft, die pukkels krijgt en vlekken en nooit hetzelfde blijft.

Als je hoog staat, is alles plat en als je laag staat, kijk je tegen de hoogtes op. Ja, het klinkt voor de hand liggend, maar als je er langer over nadenkt is je standpunt dus steeds bepalend voor je blik, voor je visie. Maar de referentie aan eerdere waarnemingen is ook belangrijk. Is mijn beleving van de raadselachtige bult bij de kruising N33 met de Dalweg bij Wildervank een sensatie op zichzelf of is deze onbewust gerelateerd aan de kennis van afbeeldingen van Ayers Rock in Australië, die gigantische monoliet in die vlakke woestenij?
Op het eerste gezicht is het spel met de zandbergen en de weg bij Gieten een opzichzelfstaand fenomeen, maar bij het terugzien van de foto ontkom ik er niet aan te denken aan oeroude geërodeerde landschappen van een heel andere schaal. Het wordt bijna gezichtsbedrog, een optisch spel. Omgekeerd speel ik het weleens met zware wolkenpartijen die in de herfst hard door de zon aangelicht op de horizon liggen als een bergrug, tientallen kilometers verder weg. Vanzelf kruipt dan weer langs mijn ruggenmerg omhoog de herinnering aan echte bergen en dus diezelfde ervaring.

Ik zei het al: ons landschap is in beweging. Plotseling ligt ergens een enorme bult zand, overbodige aarde, afval, wat het ook zij. Sommige bulten komen en gaan binnen korte tijd of worden omgevormd tot een talud of een geluidswal, andere blijven liggen, verloren, opzijgeschoven of speculatief.
Als de berg bij Wildervank er nog langer blijft liggen, wordt hij opgenomen in de volgende topografische kaart. Nu al staat hij op Google Maps, evenals een prachtig gele zandrug bij Smilde die als een exotische woestijnduin in het veenkoloniale verrijst.
Zo lang ze niemand in de weg liggen of nog niet aan de beurt zijn om weer als platte bodem te gaan dienen, wil ik ze vastleggen als een wachtend landschap.

Trefwoorden