Boelo ten Have (1967) en zijn vriendin Annemarie Nijhoff (1973) wonen in de graanrepubliek. Drieborg, bekend om zijn majestueuze boerderijen van grote schoonheid, is hun woon- en werkplaats. Even buiten het dorp staat hun fraaie boerderij, met een groot wit voorhuis en twee kapitale schuren erachter. Midden in het land. Hun bedrijf is honderd hectare groot en strekt zich uit van Drieborg tot de Duitse grens. Drieborg heeft alleen nog een school, een café en een buurthuis. Voor dagelijkse boodschappen zijn Boelo en Annemarie aangewezen op Nieuweschans of Winschoten

De boerderij dateert van 1865 en is gebouwd door de betovergrootvader van Boelo. Het is altijd een akkerbouwbedrijf geweest, maar vroeger werden er voor eigen gebruik ook een paar koeien, varkens en kippen gehouden. Boelo en Annemarie verbouwen hoofdzakelijk wintertarwe en groenvoedergewassen. De tarwe wordt verkocht aan een meelfabriek in Leer, net over de grens in Duitsland. De zware Dollardkleigronden zijn vooral geschikt voor maaigewassen en niet voor rooigewassen. Dit betekent dat er geen aardappelen en bieten worden verbouwd.
‘Het probleem van de gebouwen is dat ze niet meer geschikt zijn voor de huidige bedrijfsvoering. Ik kan in mijn grote schuren wel machines parkeren, maar de opslag van graan is tegenwoordig heel lastig, omdat je met veel grotere machines werkt dan vroeger, toen er bovendien veel meer handmatig werd gewerkt. De zuilen in de schuur staan eigenlijk in de weg. Moderne schuren kennen boogspanten en dan heb je dat probleem niet. Als boer en economisch denkend mens zou ik zeggen: laat maar een kraan komen en gooi de boel plat, want er is heel veel onderhoud en dat kost veel geld. Het dak van de schuur moet vervangen worden. Goedkoop is een dak van golfplaten, maar dat vinden we niet mooi’, aldus Boelo ten Have.
De landbouw in 1865 is totaal anders dan de landbouw in 2003. Een boer zou tegenwoordig een loods voor de machines bouwen en aparte opslagloodsen voor het graan en voor de opslag van stro. Het geheel zou gecompleteerd worden door een mooie onderhoudsvrije en energiezuinige bungalow om in te wonen. ‘Maar ja, dat doe je niet, want wat er staat is verschrikkelijk mooi en al generaties in de familie. Het feit dat deze boerderijen nog bestaan, heeft alles te maken met de liefde die de eigenaren voor de panden voelen en niet met de financiële waardering vanuit de maatschappij’, vertelt Boelo.

Modellenwerk

Tweeëneenhalf jaar geleden zijn Boelo en Annemarie hier begonnen. Voor die tijd heeft Boelo aan de hogere landbouwschool gestudeerd en daarna was hij werkzaam bij de Suikerunie en exportmanager bij een zaaizadenfirma. Annemarie is na de studie aan de HEAO directiesecretaresse geworden en heeft modellenwerk gedaan. Het bedrijf wordt gerund door Boelo en Annemarie en heel soms wordt een loonwerker ingehuurd. Boelo’s grootvader had nog zo’n twaalf mensen in dienst, zijn vader nog vijf of zes en daarnaast dienstboden. Naast het boerenbedrijf hebben beiden andere activiteiten. Boelo doet in de wintertijd projectmatig werk, wanneer het niet druk is op zijn bedrijf: ‘Twee weken geleden ben ik in China geweest waar ik advieswerk heb gedaan voor een suikerfabriek die wil moderniseren.’ Annemarie is vierdejaars student natuurgeneeskunde voor dieren in Meppel. ‘Het werk is hartstikke leuk en het vrije ondernemerschap bevalt goed. En het wonen is fantastisch’, zegt ze. ‘Maar de voortdurende controle van ambtenaren die brandblussers en andere dingen in de gaten houden, en de milieuwetgeving en de helikoptervluchten van de provincie en het waterschap maken het er niet leuker op’, vult Boelo aan.
Hij is actief in de lokale landbouworganisatie. ‘Tweede-Kamerlid en veeboer Harm Evert Waalkens uit Finsterwolde gaat van het standpunt uit dat als elders goedkoper graan verbouwd kan worden de akkerbouwers in Nederland maar moeten verdwijnen. Daar is op zich nog wel iets voor te zeggen, maar de akkerbouwers elders worden wel gesteund, evenals de veehouders. Een boer moet redelijk beloond worden voor zijn product. Boeren willen zelfs biologisch of ecologisch verbouwen, maar de consument is niet genegen daarvoor te betalen. Daardoor wordt de landbouw in het Oldambt steeds moeilijker. Een graanrepubliek is het eigenlijk niet meer.’