In 1986 begon Harry de Vroome een artikel in Noorderbreedte over het Fochteloërveen met een rijmpje van Maarten Jans uit 1776: ‘Een veld, zoo wonder groot, en veel en overschoon / van specie en van diept, dat hei hier spant de kroon’. Het versje eindigde met: ‘Aan zulk een Veld van Veen, dat niemand zeggen kan / Als hij het overziet, daar is een einde van’. De Vroome voegt er met de hem kenmerkende ironie aan toe: ‘Sinds de tijden van Maarten is er wel veel veranderd: er is nu duidelijk een einde aan. Wat we nu het Fochteloërveen noemen, is een restant van een veengebied ‘zoo wonder groot’ dat we ons daar nauwelijks meer een voorstelling van kunnen maken.’ Wat Harry de Vroome in 1986 niet kon bevroeden, is dat het Fochteloërveen sindsdien een onvoorstelbare toekomst tegemoet ging. De om…

Wij willen onze journalistiek zo open mogelijk houden omdat we onze liefde voor het Noorden graag met iedereen delen. Maar om deze onafhankelijke journalistiek mogelijk te maken, investeren wij veel tijd en geld. Wij hebben onze lezers nodig om dit te kunnen blijven doen. Voor slechts 43,50 per jaar kun je ons steunen en krijg je 5 keer per jaar ons tijdschrift opgestuurd.

Trefwoorden