Zijn wonderlijke bamboe-junglebos steekt als een bizar natuurverschijnsel uit het boerenland omhoog. Het ruist er prachtig en Prins zou het als therapeutisch rustoord aan meditatieclubjes kunnen verhuren. Maar hij zit duidelijk niet in deze business om er rijk van te worden. De uren die hij steekt in het onderhoud en kweken zijn niet gemakkelijk om te rekenen in geld. Zo beschouwd draait hij constant verlies.

Niet iedereen is even blij met De Groene Prins, zoals de kwekerij heet. ‘Je hebt in Drenthe landschapspuriteinen die in mij zo ongeveer de duivel zien. Hun angst voor exotische plantensoorten heeft iets engs. Ze zijn in bepaalde opzichten net zo erg als xenofoben die geen buitenlanders in Nederland willen omdat die hier niet thuishoren. Maar de realiteit is aan het veranderen, we leven in een geglobaliseerde wereld en door toedoen van de mens warmt de aarde op. Waarom zou ik daar niet op vooruit mogen lopen en alvast tropische vegetatie naar Nederland halen die ook de winters kan overleven?’

Hij vertelt hoe je plantensoorten het land in kunt smokkelen, maar dat hij dat nu steeds vaker aan anderen overlaat. ‘Veel van de niet-gecatalogiseerde planten die voor Nederland geschikt zouden zijn, vind je hoog in de bergen – dat zijn vaak politiek gevoelige gebieden. Zo heb je in Vietnam nog geheime gevangenissen en kampen waar je niet in de buurt mag komen. In Oost-India, waar ik ben geweest, zitten Chinese scherpschutters in de jungle. China wil dat deel van India inpikken, niet iets waar je hier veel over leest.’

Sommige van de ongeveer honderd bamboesoorten uit zijn assortiment zijn eetbaar. ‘Vooral de jonge scheuten zijn lekker, in een salade bijvoorbeeld.’ Verder zijn er verschillende citrusbomen in zijn kwekerij te vinden die eetbare vruchten dragen. Hij wijst ons ook op de gemberwortels die her en der hun groene voelsprieten al uit de aarde hebben gestoken. ‘Die kun je ook eten, al worden ze in China gebruikt voor traditionele medicijnen. Dus het kan zijn dat je er een beetje raar van wordt.’