Voor een luttel bedrag stelde de waterleidingmaatschappij in de jaren zestig de nieuwe watertoren van Assen open op enkele zaterdagmiddagen in de zomer. Als achterburen die de toren hadden zien groeien tot zo’n 34 meter waren we er als eersten bij. We begonnen de beklimming gewapend met verrekijkers, waaronder een eigenaardig model dat mijn vader had opgesnord uit een dumpwinkel en dat afkomstig zou zijn van een tank.

Je keek onder een hoek, er zat een dik rubber op het oculair tegen het stoten tijdens het rijden, het had kleurenfilters en een vizierkruis. De trappen hielden niet op en het werd letterlijk eng toen we door het reservoir omhoog cirkelden. Zo veel water om ons heen. Daar moest je niet te lang bij nadenken. Eenmaal boven aangekomen kwam je in een riante open ruimte met helemaal rondom een niet al te hoog raam. Op de vensterbanken waren de windrichtingen aangegeven. De populieren in onze achtertuin waren een goed herkenningspunt, maar het spectaculairst was het zicht op Groningen, alleen bij helder weer. Een klein zwart puntje was de Martinitoren en daar rechts, als de zon erop scheen, zag je de vijf pijpen van de Hunzecentrale. Daar had je zelfs geen verrekijker voor nodig. Het klimmen …

Wij willen onze journalistiek zo open mogelijk houden omdat we onze liefde voor het Noorden graag met iedereen delen. Om deze onafhankelijke journalistiek mogelijk te maken, investeren wij veel tijd. Wij hebben lezers nodig om dit te kunnen blijven doen. Voor slechts € 45 per jaar kun je ons steunen en krijg je vier keer per jaar ons tijdschrift opgestuurd.

Trefwoorden