Arjan Berkhuysen: ‘De tijd is rijp voor een volgende stap’

Het wereldpark Waddenzee heeft een helder bestuur nodig, vindt Arjan Berkhuysen, directeur van de Waddenvereniging. Anders versnippert de unieke natuur- en cultuurwaarde verder …

TEKST
Ton van Dijk

BEELD
Catrinus van der Veen

Het sobere kantoor van Arjan Berkhuysen kijkt uit over de binnenstad van Harlingen, helaas niet over de haven en zijn geliefde Waddenzee. Arjan Berkhuysen (1969) is sinds 2011 directeur van de Waddenvereniging. Geen bioloog, vraag hem niet naar de naam van elk plantje of vogeltje, zijn achtergrond is bedrijfskunde en milieumanagement, zijn ideaal is iets bijdragen aan de wereld, aan natuurbescherming. Zijn baan gaf hem en zijn vrouw Anemoon, zij werkt voor Oerol, de kans een hartstochtelijke wens te vervullen: met hun kinderen Mees (11) en Lente (9)wonen op Terschelling. Zij vonden hun plek in Midsland-Noord, niet ver van de Landerumerhei. Arjan’s grote liefde is het wad. ‘Ik geniet op het wad van de rust en de ruimte. Ik word er gelukkig van als ik op het wad loop, ik krijg er zoveel energie van, ik kom meestal rennend terug.’

De Waddenvereniging bestond 50 jaar in oktober 2015. Het waddengebied is sinds 2009 werelderfgoed. Er is in die 50 jaar veel tot stand gekomen. We gaan naar buiten, het wad op. Wat moet er nog gebeuren, wat is je droom?

‘Laten we eerst de traditionele visfuik bekijken die een paar Terschellingers en ik hebben aangelegd tussen Hoorn en Oosterend, zo’n 500 meter van de kant. De fuik is een V-vorm van takken, bij eb zwemt de vis terug in de fuik die in de punt van die V zit. We tellen en sorteren de vis om aan het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (Nioz) te rapporteren. Het zijn er nu vooral te weinig, ze zijn te klein en er zijn veel krabben. Mijn droom, mijn wens is dat die fuik weer bomvol zit met zeeforel, harder, alle vis die hier thuishoort. De vismigratierivier in de Afsluitdijk wordt straks een succes en langs de randen van het waddengebied komt op zoveel mogelijk plekken de dynamiek terug. Het Lauwersmeer is dan geen afgesloten gebied meer, er is weer getijdenstroming en de trekvis kan er doorheen.

Op verschillende plekken langs het wad zien ondernemers hun kans om mensen te laten genieten van het gebied: werelderfgoedgidsen, mensen die met enthousiasme de verhalen brengen over wat je allemaal kunt zien, over trekvogels, trekvis, over hoe belangrijk deze plek is om op te laden. Er zullen meer windmolens zijn, maar geclusterd bij bijvoorbeeld de kop van de Afsluitdijk en de Eemshaven, waar de skyline trouwens niet nog verder verpest mag worden. De vensters op de open ruimte, zodat je bij helder weer vanaf het wad de kerktorens op het vasteland kunt zien, en de rust zullen nog hetzelfde zijn – zelfs beter. Ik verwacht dat de rest van Nederland steeds voller wordt met windmolens aan de horizon en drones in de lucht. Hopelijk komt er niet heel veel méér toerisme, hoogstens aan de randen, en vooral gericht op die rust en die ruimte en het bijzondere van het getijdengebied. Op de eilanden zelf moet een soort evenwicht ontstaan qua hoeveelheid boten, campings en vakantiehuisjes, daar kan niet veel meer bij. Het belang van dit gebied wordt groter nu iedereen het steeds drukker krijgt met e-mails en files, werkdruk en bevolkingsdichtheid. De behoefte om daaraan te kunnen ontsnappen zal alleen maar groeien.’

Mooi, maar hoe krijg je dat voor elkaar? In je dagelijkse werk en laatst ook voor een vergunning voor die visfuik merk je hoe moeilijk het beheer van de wadden is, je noemde het bestuurlijke spaghetti. Overheden, ministeries, provincies, Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer, de eilanden zelf, allerlei clubs die inspraak willen. Niemand neemt verantwoordelijkheid, iedereen verwijst naar elkaar.

‘Het waddengebied is erkend als werelderfgoed. De volgende stap is een Wereldpark Waddenzee dat onder een duidelijke beheervorm is ondergebracht. Dat wereldpark moet wel verbonden zijn met Duitsland en Denemarken, maar laten we hier beginnen. Er is inderdaad een praatcircus. We zijn met beleid een heel stuk opgeschoten, alleen de uitvoering blijft mij te vaak hangen in dat praatcircus. Als je ziet hoeveel vergaderingen wij hebben met alle betrokkenen, allerlei convenanten die daaruit voortkomen en die vervolgens niet uitgevoerd worden zodat je weer bij elkaar moet gaan zitten vergaderen en weer moet onderhandelen … Er is een bundeling van beheer nodig. Samengaan voor dezelfde doelen. Iemand die een vergunning afgeeft voor delfstofwinning moet toch nauw contact hebben met de deskundigen die daar dagelijks rondvaren, met morfologen en natuurbeheerders die weten wat er speelt en leeft in het gebied?’

‘Mijn droom is dat er één uitvoerend beheerder is die draagvlak heeft vanuit het gebied. Die beheerinstantie  moet  heel helder aangeven wat wel en wat niet mag. Ik wil een beheerder die aanspreekbaar is en herkenbaar, zodat de mensen in het gebied beseffen dat het goed is dat dat beheer er is en dat zij zich ook gehoord voelen. Ik wil beheer dat niet alleen goed is voor het behoud maar ook om in de toekomst het wad nog een stukje rijker te maken.’

Dat klinkt inderdaad als een droom, is dat niet een utopie?

‘De tijd is er rijp voor, het moet nu kunnen. De waarde van de Werelderfgoedstatus wordt erkend door bewoners, ondernemers willen één aanspreekbaar loket, werknemers van beheerders hebben hart voor het wad en willen opdrachten die daar bij kloppen. Als bestuurders van al de betrokken beheerders morgen besluiten dat er in 2018 een Wereldpark Waddenzee moet staan onder één overkoepelende beheerclub, dan zetten we een grote stap. Zodra is vastgelegd wat wel en wat niet kan en wat er moet gebeuren, geef dan de uitvoering in handen van één beheerder; dan snij je de uitvoering los van het bestuurlijke.  Wij moeten dat als burgers gewoon eisen.’

Dat klinkt allemaal erg bestuurlijk. Terwijl de Waddenvereniging ooit begon als een actiegroep. De vereniging heeft nu zelfs de WAD 500 club opgericht, een club die 500 ondernemers moet werven die de wadden ‘een warm hart toedragen’. Is het meer marketing en promotie geworden dan strijd voor topnatuur?

‘Nee, ik noem het zeker geen marketing. Ik noem het liever verbinden, al klinkt dat misschien als een cliché. Inderdaad, vroeger lag het accent meer op actie, zo zelfs dat sommige mensen die bij het wad en de eilanden betrokken waren leden van de Waddenvereniging zagen als duivels in hoogst eigen persoon. Onder vissers bijvoorbeeld, of als eilandbewoner, kon je soms beter niet zeggen dat je lid was van de Waddenvereniging wanneer je geen ruzie wilde. Op de eilanden was de cultuur diep geworteld dat niemand van buiten kwam vertellen wat wel en wat niet mocht. Maar de tijden zijn veranderd en iedereen ziet nu in dat je samen moet optrekken tegen gas- en zoutwinning, tegen horizonvervuiling en tegen een dramatisch teruggelopen visstand. Want als je met die mensen die jou vroeger haatten over het wad loopt, heb je allebei dezelfde sensatie van een oester plukken, van de getijden, het enthousiasme voor die unieke natuur. We voeren nog steeds actie maar met een heel andere, positieve insteek. Anderen bij ons werk betrekken. We willen dat 500 bedrijven die actief zijn in het gebied – het getal is een knipoog naar de Quote 500 – zich ook sterk maken voor het erfgoed, dat ook uitdragen en een stukje verantwoordelijkheid nemen. Er zijn heel veel ondernemers die er belang bij hebben dat het waddengebied schittert als werelderfgoed en dat steeds meer mensen beseffen hoe bijzonder het is.’

Is het niet het lam bij de leeuw plaatsen? Ondernemers willen geen regels, geen belemmeringen. Die willen geld verdienen met gas boren, schelpen en zand zuigen, garnalen vissen, met accommodatie voor zoveel mogelijk toeristen, noem maar op.

‘We hebben aan ballotage gedacht: geen bedrijven toelaten die niet duurzaam werken, die belangen hebben die tegenstrijdig zijn aan onze doelstellingen. Dat hebben we verworpen. Juist die bedrijven worden misschien door de anderen op de vingers getikt: ‘moet je dat nu wel zo doen? Is er geen andere mogelijkheid? Dan kan het zijn dat die leeuw door de andere leeuwen positief wordt beïnvloed.’