Met onze onverbeterlijke manier van esthetisch kijken zagen we kortgeleden dat opvallende beeldcontrast: een eenzame marktkraam en een daarnaast gelegen perfect georganiseerde kleine stad voor tweeduizend asielzoekers. We hadden het bij een raak plaatje van twee uitersten kunnen laten, maar konden de verleiding niet weerstaan bij de ondernemer na te vragen hoe winstgevend zo’n locatie nou was.

Allereerst verbaasde het ons dat we niet te maken kregen met een ras-Groninger handelaar die leuke klandizie zag in de verkoop van groenten en aardappelen aan de poort van ’s lands grootste AZC.

Bij nadere kennismaking bleken Ramo Ismail en zijn vrouw Ahlam de kraam te bestieren, beiden in 1998 gevlucht uit Irak. Vijf jaar hadden ze gezworven langs zeven verschillende AZC’s, zeven keer was hun een verblijfsvergunning geweigerd, de achtste keer werd ze die, tot hun verbazing, zomaar toegekend. Ze vestigden zich in Stadskanaal en vonden inkomsten met de verkoop van levensmiddelen. Het bedrijf noemden ze Alkosh, naar de naam van het stadje waar ze vandaan kwamen en waar ze een supermarkt hadden gehad. Tijdens hun AZC-verblijven maakten ze kennis met het fenomeen kraamverkoop buiten de poort. Zo ontstond het idee om met een kraam en een bestelbus met koelkasten een mobiele supermarkt te beginnen naast het AZC van Ter Apel. Van de gemeente kregen ze een standplaatsvergunning voor drie werkdagen in de week. De overige werkdagen zijn gegund aan een collega-kraamhouder. De Ismails wijken dan met hun oosterse producten uit naar markten in Oost- Groningen.

Niet elke AZC-dag maken ze met de kraam winst. Bij mooi weer lopen veel refugees, zo worden ze op de richtingbordjes genoemd, de 3,5 kilometer naar het centrum van Ter Apel om daar hun inkopen te doen. We troffen het. Bij ons bezoek hadden we zonnig weer en waren er veel klanten. Het klantgedrag was relaxed en onderling was de sfeer gemoedelijk; anders dan de somberheid en geslotenheid van de bewoners zoals wij die ons hadden voorgesteld. De klanten grepen onze aanwezigheid aan om hun persoonlijk verslag te geven van de reis naar Nederland. We hoorden over ingewikkelde, vaak idiote, routes vanuit Syrie, Irak, Afghanistan, Iran, Somalie en landen met kleinere aantallen vluchtelingen. Het langst stonden de klanten stil bij het doorschuiven van de pionnen langs alle typen opvanglocaties op het speelbord van het COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers). Voor de kraam ontstond een Arabisch pleintje, waar verhalen en de aankoop van oosterse waar, groente en fruit elkaar afwisselden. Het gaf een raar gevoel om tijdens al die vriendelijke, ontspannen ontmoetingen een dramatische reeks van verklaringen voor ieders aanwezigheid aan te horen: vervolging van minderheidsgeloven, gebrek aan onderwijs, voedseltekort, eerwraak.

Ramo en Ahlam zijn trots op hun bedrijf. De zaken gaan goed. Ramo laat zijn nieuwe aggregaat zien: ‘Het motortje kan op een gevuld tankje een dag lang de zuivel in de koeling vers houden.’ Ondertussen deelt hij lollies uit aan kinderen en probeert baldadig een klant in een rolstoel voor onze camera te duwen. Kinderen beginnen het pleintje voor de kraam in bezit te nemen. Ze voetballen en stunten op fietsjes. Passerende surveillanten op glimmende mountainbikes laveren tussen de kinderen door. De weg tussen de kraam en de ingang van het AZC begint op een gezellige promenade te lijken. Voor onze komst hadden we gerekend op een treurige sfeer rond wandelende groepjes ‘veilige landers’, zogenoemde uitgeprocedeerde asielzoekers die terug moeten naar veilige landen als Marokko, Algerije en Georgie, maar de meerderheid van de asielvragende lotgenoten met verblijfkansen lijkt te kiezen voor hoopvol samenleven, ook al is dat tijdelijk.

De kraam helpt mee om de moed erin te houden. Een paar vierkante meter thuis, vol met bekende producten: kikkererwten, dadels, olijven, kruiden, couscous, falafel en veel meer. Ahlam Ismail laat zien hoe mooi de granaatappel is. Ze houdt hem als een offer in de kom van haar handen.

We raken verrukt van zoveel exotisch aanbod en willen ook met zo’n gratis plasticzak vol heerlijkheden naar huis. Na lang aarzelen komen we tot een laffe veilige keuze: twee hete rapen voor op brood in plakjes, een doosje dadels en een pondje walnoten. Ramo geeft ons nog twee appels mee: ‘Voor onderweg’.

‘ De kraam helpt de moed erin te houden.
Een paar vierkante meter thuis’

We nemen afscheid en wandelen terug naar de auto. Halverwege komen we de man in de rolstoel weer tegen. Hij groet vriendelijk in het Nederlands. Tussen zijn voeten staat een plastic zak met groente. Voor we aan het schrijven slaan, lezen we op internet nog wat krantenberichten over het AZC in Ter Apel. We lezen daarin ook over de langst wonende bewoner van het uitzetcentrum: een man in een rolstoel die al zes jaar in het centrum woont, inmiddels goed Nederlands spreekt en in het dorp bij veel inwoners bekend is. Zijn naam is Mushrak Amadi. Nog steeds hangt hem uitzetting boven het hoofd. De media hebben zich afgelopen najaar al uitgebreid over zijn zaak gebogen. Hoe zet je iemand in een rolstoel het land uit? Niemand weet het! Niemand wil het weten!