De poortwachters van het Noorden zijn volkstuinders

Wim Boetze en Peter de Kan rijden door Noord-Nederland, op zoek naar bijzondere plekken.

TEKST
Wim Boetze
Peter de Kan

Groente teel je in de polder en langs de rails. Wie met de trein langs Meppel rijdt, kent het beeld van ordentelijk opgebonden bonen en kleine schuurtjes in de oksel van de railsplitsing naar Groningen en Leeuwarden. Het kan niet missen. Per spoor het Noorden des lands verlaten of binnenrijden, valt altijd samen met zicht op die opvallende hectare met volkstuinen. Al die jaren dat we met de NS tussen het Noorden en de rest van Nederland pendelden, werden we bij Meppel uit- en ingeleid door de akkertjes en fruitgaarden van de Meppeler Volkstuinvereniging.

Het moest er toch eens van komen. In plaats van jachtig door te jakkeren naar de Ziggo Dome of het Stedelijk, zijn we afgelopen zomer in Meppel uitgestapt voor een bezoek aan het volkstuincomplex. De aanwezige tuinders ontvingen ons hartelijk.

De vereniging heeft binnen de gemeente Meppel vier locaties, waarvan die in de raildriehoek, het complex Blankenstein, de grootste is met tachtig tuinders. De akkertjes zijn strak ingemeten en kleurrijk verdeeld over die ene beschikbare hectare, die toch al ‘verloren’ tussen de spoorlijnen lag. De sfeer is er gemoedelijk en ontspannen. We wanen ons in een grabbelton vol bloemen en fruit. Grabbelen is echter niet nodig, want het duurt niet lang of wij krijgen de eerste aardbeien en courgettes overhandigd. ‘We komen hier elke dag’, vertelt ons een gebruind echtpaar. ‘Onze hele familie eet van deze tuin. Die is gewoon de Hof van Eden.’ Wij herinneren ons alleen maar één boom in die hof en het verbod om daarvan te eten. Alle tuinders die we spreken geven hoog op van de rust op de tuin. En dat terwijl er links en rechts voortdurend treinen voorbij razen, acht per uur.

Enkele jaren geleden ontstond er wat heibel rond het complex Blankenstein. Er zouden te veel schuurtjes komen en er was zelfs een kasje gesignaleerd. Een filmpje op You Tube onthult hier meer over. Een meneer vertelt dat hij zijn gereedschap liever overzichtelijk aan de wand van een schuurtje hangt dan het op elkaar legt in een kist. ‘Je zult dan zien dat dat wat je nodig hebt altijd onderop ligt.’ Een medetuinder had het één en ander aanhangig gemaakt. Hij wilde bij zijn arbeid over alle bedden en akkertjes heen kunnen kijken. Het was per slot geen recreatieoord! De wethouder sprak wijs het Salomonswoord. Bij hem ging het ten eerste om de tuinarbeid, hoewel een gevoel van recreëren daarbij niet ontkend moest worden. Die schuurtjes lokten in zijn ogen wat recreatie uit, maar ‘als er geen problemen zijn, moet je ze ook niet opzoeken’. Enkele jaren later, in 2016, vierden de tuinders uitbundig en eendrachtig het 75-jarig jubileum van hun vereniging.

Het valt ons op hoe de tuinen het gedrag van de tuinder spiegelen. In een licht chaotische tuin maken we kennis met een mevrouw die onzeker is over haar aanleg voor het tuindersvak.

Een buurman, die tuiniert volgens de ingewikkelde methode van de permacultuur, heeft haar geadviseerd gewassen meer door elkaar te planten. Nu heeft ze miezerige bietjes die wat verloren tussen de bloemen staan. Haar overbuurman wijst met krachtige gebaren de bedden aan waar hij dit jaar nog meer van heeft geoogst dan vorig jaar. Hij trakteert ons met gulle hand. ‘Ik heb toch te veel.’

Zijn schuurtje ziet er prima uit: alles dik voor elkaar, ruim voldoende voor extra aandrang tot recreëren. We vragen of de vereniging ook nieuwe Nederlanders in haar midden heeft. Nee. ‘We hebben wel Marokkanen gehad, maar die zitten liever bij elkaar op een eigen locatie. Hun manier van kweken en tuinonderhoud wijkt te veel af van de onze. Ze gaan met een witte broek de tuin op en komen er na een tijdje weer met een witte broek van af.’ Ja, dat herkennen we. De Marokkaan die altijd zo lekker voor ons kookt, is ook zo zorgvuldig en net gekleed.

Iets verderop staat een meneer in een nogal kale tuin een sigaretje te roken. Rond om hem een hek, met daarbovenop één lange doorlopende bak met aardbeien. ‘Ja, ik heb alleen nog maar fruit, de bloemetjes heb ik al gehad.’ Voor hem hoeft het niet allemaal vol te staan. ‘Als ik hier af en toe maar even kan zijn.’ De man raadt ons aan om naar de uiterste punt van de railsplitsing te lopen. Daar is de nieuwste aanwinst, een showtuin met groente als sierplantsoen, aangelegd.

We lopen in de aangewezen richting, eerst door een gedisciplineerde tuin met jonge kiemplanten in strakke regels op onberispelijk rechte bedden. In het schuurtje, dat meer huisje is dan schuur, zien we een keurige inrichting. Onder een dakgootje hangen schetsjes van teelt- en bemestingsplannen.

Jammer dat we hier de tuinder niet ontmoeten.

De showtuin is de jongste aanleg van het complex. Hij laat zien dat je door groente en fruit in ronde vormen te telen een klassieke stijltuin kunt maken. Aardappels worden bloeiende   borderplanten, stokbonen ineens coniferen. Het is een vervreemdende esthetiek tussen het mozaïek van akkertjes, pompoenen en fruitbomen. De tuin lijkt de show van een zonderling die de gewassen niet in vorm en kleur manipuleert, maar ze tot een ander gedrag dwingt. Het werk van een plantentemmer.

Als we de volgende morgen, nu echt op weg naar het Westen, bij Meppel uit het coupéraam kijken, zien we een bezield beeld.

Dit artikel staat in NB#4 2017