Is Vierhuizen dan niet rijk / Zooveel boeren, zooveel slijk / Dat reeds spoedig gras zal geven / Dikke boeren die daar leven – dichtte Marten Douwes Teenstra aan het einde van de negentiende eeuw.

Eén van die boeren was Geuchien Zijlma, de stichter, in 1874, van de boerderij Nieuw Zeeburg in de Westpolder. Maar een herenboer zal Zijlma zich in die tijd allerminst gevoeld hebben. Met een aan overmoed grenzend vertrouwen had hij nog voordat de dijk klaar was een plaats gekocht. ‘Een onvoorzichtige koop’, noemde hij het later. Na de dijkdoorbraak en de rampzalige overstroming in 1876 kregen de boeren in de eerste jaren te kampen met weerbarstige grond, die zo nat en zout was dat er zelfs geen onkruid wilde groeien. ‘Als het land in maart en april overal droog was geworden, zag men daar op de wintervoor dikwijls nog de paardenvoetstappen vol water. Liep men er over, dan lag boven een harde korst, terwijl het daaronder sjopte van water’, schreef Zijlma.

Het mag dan onvoorzichtig en overmoedig zijn geweest van Zijlma, honderdveertig jaar later zit zijn achterachterkleinzoon er ontspannen bij in de tuin van Nieuw Zeeburg. Het is een mooie zomeravond in juli, over een week of twee barst de oogsttijd los.

Gerard Zijlma (1962) had als kind het avontuur van zijn betovergrootvader in zich, al waren Gerards plannen minder vastomlijnd. Zijn ouders stuurden hem op veertienjarige leeftijd naar het internaat in Ter Apel, zodat hij school wel serieus móest gaan nemen. Eén ding wist Gerard zeker: boer wilde hij niet worden. Toch ging geleidelijk aan het landleven trekken en toen zijn oom stopte op Nieuw Zeeburg, stapte Gerard in 1997 in de voetsporen van zijn voorouders en vestigde zich op de boerderij.

Vrijgezel was hij toen nog, maar achter de bar van café Billeke De Beer in Zuurdijk stond Sylvia. Een vrouw uit de stad, opgegroeid in de Oosterparkwijk, maar met grootouders die uit Zoutkamp kwamen. ‘Al had ik dat beter niet kunnen zeggen’, vertelt Sylvia (1960). Het boterde nooit tussen de boerenjongens van Zuurdijk en de vissers van Zoutkamp. Vooral tijdens de kermis kon het er ruig aan toe gaan. Het begon met schelden – ‘boerenbrijhappers’ en ‘schelviskop’n’ – en het eindigde met vechten, soms met het mes. Maar van lieverlee bedaarden de gemoederen, en Billeke De Beer werd een café waar de rasechte Zuurdijkers zich genoeglijk mengden met het ‘volk uut stad’. Sylvia werkte er graag.

Voor haar ging Gerard naar het café. Behalve het avontuurlijke van zijn betovergrootvader, erfde hij van hem ook de volharding. Hij bleef net zolang naar Billeke De Beer gaan totdat Sylvia op een avond naar hém toekwam. De eerste keer dat ze door de Westpolder reed, wist ze niet wat ze zag, zoveel weidsheid.

Inmiddels woont ze er al weer meer dan 12,5 jaar.

Gerard wilde nooit boer worden en Sylvia dacht er niet aan met een boer te trouwen. En zie hen hier nu eens staan, kijkend naar het licht dat over het vruchtbare land strijkt.