Mijn vader, mijn moeder en ik rijden door de groene woestijn van Oost-Groningen naar het ziekenhuis in Scheemda. Mijn vader stuurt, mijn moeder zit naast hem, ik -net als vroeger- achterin. We verwachten een uitslag van een onderzoek, dus gaat het gesprek over koetjes, kalfjes, waterflesjes en het windmolenpark. Mijn moeder wijst naar twee turbines die stilstaan.
Na de rotonde verschijnt een horizontale blokkendoos midden in een weiland: een laag, langwerpig gebouw als weerspiegeling van het platte, rechte land eromheen. Twee ziekenhuizen in provincie Groningen werden gesloten, dit nieuwe kwam er voor in de plaats.
We slaan rechtsaf en gaan kruipend langzaam via de lange oprijlaan naar de hoofdingang. Ik haal een ijzeren stoel op wieltjes voor mijn moeder, gooi er haastig een Ikea-kussentje in zodat ze geen kouwe kont krijgt. Voor ik met haar in de grote draaideur stap, duizelt het me even. Nu al bekruipt me het gevoel dat we in een carrousel stappen waaruit we niet kunnen ontsnappen, draaiorgelmuziek stampt in m’n hoofd. Intussen zoekt mijn vader een plekje op de parkeerplaats waar zevenhonderd auto’s kunnen staan, maar die toch stampvol is.
De draaideur spuugt ons de centrale hal in waar alle patiënten binnenkomen. Er is een kiosk, een koffiehoek en een enorme wachtruimte met kronkelende banken, die de ‘huiselijke sfeer’ moeten creëren die de ontwerpers van dit ziekenhuis volgens hun website nastreefden.
Het architectenbureau liet zich voor dit gebouw inspireren door het groene, vlakke landschap rond Scheemda en de terp- en streekdorpjes van Noord- en Oost-Groningen. De middeleeuwse kerkjes in het noorden vormen de as van de wielvormige terpen; daar komen alle wegen samen. Zo is het ook in het ziekenhuis. De centrale hal verbindt links en rechts twee ellenlange gangen die de streekdorpen van het oosten resoneren.
Midden in de rumoerige hal staan computerzuilen. Mijn moeder schuift haar identiteitspas op het vlakliggende scherm en er komt een bonnetje uit, met daarop het nummer van de route die we moeten nemen. Bij de tien zuilen staan even zoveel dames uit te leggen hoe die apparaten werken en waar mensen heen moeten. Wij zijn hier vaker geweest en gaan naar de plaats waar het bonnetje ons heen dirigeert.
Mijn vader heeft inmiddels een parkeerplek gevonden en hij duwt m’n moeder in haar wieltjesstoel rechtsaf de lange smalle gang in van de polikliniek. De linkerwand van de gang bestaat uit glas van het plafond tot aan de vloer, ervoor staan wachtkamerstoeltjes; rechts een eindeloze rij deuren, als lakeien in een stadspaleis. De nauwe gang is onderverdeeld in nummer één tot en met acht.  Bij elk nummer horen ongeveer zes smalle deuren. Wij nemen plaats bij het getal dat op ons bonnetje staat.
Het grote wachten is weer begonnen. Om de tijd te doden gokken we uit welke deur de arts straks tevoorschijn zal komen. Mijn moeder en ik kiezen ‘de driede deur’, omdat mijn nicht als kind het woord ‘derde’ zo uitsprak. Mijn vader kiest dezelfde deur als waar de dokter de vorige keer uitkwam, dat vindt hij logisch, al zitten we nu bij een ander nummer dan de vorige keer. Hij drentelt zenuwachtig heen en weer, herkent mensen uit hun dorp en maakt een praatje. Mijn moeder zwabbert ongeduldig met haar voeten, haar benen doen pijn. Af en toe stapt er, als uit een weerhuisje, een arts uit een deurtje.
Ik kijk naar links, naar het einde van de gang. Ook de kopse kant is helemaal van glas. In de verte zie ik het torentje van Scheemda, tussen het dorp en het ziekenhuis ligt de autoweg. De glazen wand zou de binnenkant van het ziekenhuis en haar omgeving met elkaar moeten verbinden, maar ik voel me hier afgesloten van de buitenwereld. Daar, bij het kerkje, ligt het dorp. Daar gaat het leven door. Door het glas heen zie ik alles, maar ik hoor er niet bij. Ik denk terug aan de tijd dat ik als kind in het ziekenhuis lag. Mijn broers en zussen kwamen op bezoek, maar ze mochten niet bij me komen. Aan het einde van de gang stonden ze achter een donkerglazen klapdeur, ik zwaaide naar ze, maar ik mocht ze niet aanraken. Ze lachten, zwaaiden terug en keken naar me. Verlegen rende ik terug naar mijn kamer. Datzelfde gevoel van ongemak en eenzaamheid bekruipt me nu ook. Waar de architecten met de doorzichtige wand verbinding met de omgeving beoogden, heeft die op mij een verstikkend effect: ik voel me onveilig en buitengesloten.
We hebben verkeerd gegokt: na een minuut of tien zwaait de vierde deur van links open en een internist roept onze naam.  Ik duw de stoel op wieltjes met mijn moeder erin door het smalle deurtje naar binnen, ze trekt aan de deurpost. In het kamertje staat een bureau met drie computerschermen, daarvoor staan twee stoelen voor de patiënt plus partner – voor overige familie hangt er een klapstoel aan een haakje.
De dokter hadden we niet zien aankomen. Hij sloop via een soort artiesteningang dit hokje binnen, want achter de rij spreekkamers loopt parallel aan de lange gang waar wij zaten, een aparte artsengang met daaraan weer kantoren. De architecten hebben bewust de artsen- en patiëntenstromen van elkaar gescheiden. Waarom in hemelsnaam, om het gat tussen arts en patiënt nog groter te maken?

Een paar maanden eerder zaten we ook bij deze internist. Hij liet ons foto’s zien van de binnenkant van mijn moeder. In haar Röntgenzwarte lichaam zat een witte vlek, als een lelijke kwal zwemmend in de diepzee. De arts zag mijn ogen groter worden en zei: ‘Deze tumor is nog geen vier centimeter groot. Wij worden pas zenuwachtig als het zeven is.’ Mijn ogen werden kleiner, ik was even gerustgesteld en maakte notities.
Pas later besefte ik dat de dokter in een andere realiteit leeft dan ik. In mijn wereld plukt mijn moeder op haar knieën een emmertje aardbeien, beeldhouwt ze in zachte steen, spit ze de moestuin om en schilt om half tien ’s avonds genoeglijk een appeltje voor mijn vader en zichzelf. De internist ziet tegenover hem een vrouw met grijs haar die in elkaar gedoken in een rollende stoel met haar benen wiebelt. Hij bestudeert de zoveelste tumor op een scherm en denkt: lymfoom, langzaam groeiend maar kwaadaardig, chemotherapie, immunotherapie. Aan hem de hachelijke taak om deze twee werelden aan elkaar te praten. Dat lukt dus niet.
We zijn door twee verschillende, parallel aan elkaar lopende gangen hetzelfde kamertje binnengekomen, door twee verschillende deuren. We lijken op dezelfde plek uit te komen, in deze kleine ruimte. Die brengt ons fysiek wel samen, maar biedt geen verbinding tussen onze vragen en zijn antwoorden. Voor de dokter zit er niets anders op dan in zijn eigen gedachtegang te blijven en hij zegt: lymfoom, langzaam groeiend maar kwaadaardig, chemotherapie, immunotherapie gedurende zes maanden en als dit te snel ging: u krijgt een folder thuisgestuurd.

Vandaag vertelt de internist dat de situatie stabiel is en dat we ons voorlopig geen zorgen hoeven te maken. Na het consult, dat tien minuten heeft geduurd, spoeden we ons door de benauwde glaskoker terug naar de grote hal en bestellen koffie en thee voor we weer naar huis rijden.
In de lawaaierige koffiehoek zitten we hutjemutje op de trendy appeltjesgroene banken, dus tot een echt gesprek komt het niet. Ik verheug me erop om straks het regenboogkleurige molentje dat ik stiekem voor mijn moeder heb gekocht, op haar tuinrollator te zetten. Op de terugweg rijden we weer langs het windmolenwoud. Die twee van vanmorgen draaien nu ook.

27 juni presenteren we het NB #3 ‘Stedenbouwer als heelmeester’. Een nummer over gezondheid en omgeving. Wordt nu lid en ontvang het nummer bij u thuis!