De reis naar het eind duurt 51 minuten. Dit jaar, het jaar van de uitbreiding, bestaat de spoorweg tussen Groningen en Roodeschool — het Hogelandspoor — 125 jaar. De reis naar het noorden is een reis door de tijd, van vroeger naar de toekomst. Ondertussen reist nu met je mee. De rit nodigt uit tot literaire bespiegelingen, of literair-achtige. De schrijver Bob den Uyl reisde ooit naar Roodeschool, alleen om er geweest te zijn. Toen hij uitstapte, vond hij niets. Alleen Roodeschool. Genoeg voor wie er woont.

Van vroeger zijn de stationsstraten met voorname huizen in Sauwerd, Winsum, Uithuizermeeden, gebouwd toen het bijdetijds was om bij het spoor te wonen. In Baflo staat nog een stationsgebouw, de andere stations zijn alleen perrons, met fietsenstallingen, een rondrijpleintje voor halen en brengen, en soms een glazen wachthokje. Onderweg zie je verschillende generaties stationsmeubilair: de grijze afvalbak met gleuf van twee lichtingen terug, de zwarte traliebankjes van de vorige, het fijne hout van de jongste wachtmeubels.
De witte geleidestrook is op tien jaar of langer geleden gelegde perrons nog twee tegelrijen breed. Op de nieuwste nog maar één rij. Geleidetegels zijn vast duurder dan gewone tegels. We zijn altijd onderweg naar honderd procent efficiency.

Het is bewolkt en grijs, zoals het hoort. Zo word je niet afgeleid door vrolijkheid of levenslust, en zie je de dingen zoals ze zijn. Weiland, sloten, bomenrijen. Graanvelden, aardappelvelden. De jonge aanplant van iets. Stallen, schuren, kraaien, kauwtjes. Een oud bruggetje ergens overheen, een ree in een roggeveld. Hier en daar een fabriekspijp, zijn functie al lang verloren. Een verweerd blikje naast de trein. Malibu-cola. Nog één. Heineken-bier.
Af en toe stapt iemand in of uit. Vervoersbedrijf Arriva rekent op 50 duizend reizigers per jaar. Daarmee bedoelt het, denk ik, dat 50 duizend keer iemand het laatste stukje van het traject betaald aflegt. Een reis van Groningen naar Roodeschool of een van de haltes ervoor, of van Roodeschool richting Groningen, telt niet mee. Met vijf ritten per dag en 365 dagen per jaar komt het neer op 27,4 passagiers per trein.
Die zitten er nu niet in, op geen enkel deel van het traject. Straks, als het mooi weer is, moeten ze komen, de dag- of meerdaagse toeristen naar en van het Duitse Waddeneiland Borkum. De trein sluit aan op de veerboot. Borkum is bijna een waddeneiland als de Nederlandse eilanden, maar in alles net anders, Duits, tot in de bakstenen en straatklinkers aan toe. De trein is ook bedoeld voor de eilanders, 5.500 in getal, die een dagje naar Groningen willen.
Station Roodeschool, 9.38 uur. Het níeuwe Station Roodeschool. Daarginds de windturbines van de Eemshaven. Een rookpluim, de kolencentrale. Het laatste stukje. Een binnendijk, nog een binnendijk. En de buitendijk. Het laatste stukje van de lijn is buitendijks, volgens de berichtgeving. Maar er zit nog steeds een dijk voor. Als je gaat staan, zie je de Waddenzee. De kwelders. De veerboot. Aan de andere kant de bedrijvigheid, kleine mensen, grote machines en materieel.

Eemshaven, eindpunt van de trein. Allemaal uitstappen — tien personen ongeveer. Grote schepen. “DeepOcean” staat op een ervan. Een grote parkeerplaats — de meeste mensen komen met de auto naar de veerboot. De windturbines draaien grote, trage rondes. Het is hier kouder dan in Groningen, zegt een man met een rugzak. Gebrom van een generator, op de dijk zijn mannen van Kuipers en Van den Berg — in roestvrijstaal — ergens mee bezig.
De trein staat stil op een paar meter van een geel geverfd stootblok waar “Rawie” op staat. Daar zit, in alle massieve onwrikbaarheid, poëzie in. Rawie uit Osnabrück. Het laatste stootblok, de punt achter het Nederlandse spoornet. Op de trein staat “Nienke van Hichtum”, naar de schrijfster van Afke’s tiental. De literatuur is met ons meegereisd naar het eind van de lijn. Op de terugweg passeren we weer de Gerrit Krolbrug.
Met de auto ben je sneller in Eemshaven, maar niet veel. Het is maandag, alweer. 2 juli. Op Radio 1 praten de mensen door als altijd, maar de urgentie van de onderwerpen neemt sinds een paar weken af, de gesprekken nemen een kalm, onbekommerd zomertempo aan. Prima. Met de radio uit is het nog beter. De Eemshavenweg, twee rijbanen asfalt langs gehuchten die Garsthuizen heten, Honderd, Zijldijk, door graan en groene velden richting de wuivende witte windturbines: hier op aan, hier zijn we bezig, hier is het te doen.

Op het station Eemshaven wacht niemand op de trein. Het veer van Borkum is kortgeleden gearriveerd; daar, met tassen en rolkoffers over een fietspad, komen enkele passagiers aangelopen. Een enkeling koopt een kaartje bij de automaat, maar de meeste mensen lopen meteen door, langs een leeg, blinkend nieuw fietsenrek het perron op. Het is 9.41 uur, over tien minuten vertrekt de trein naar Groningen. De zon schijnt, de lucht is blauw. Geblaf van een hond, dat in de zomerstilte tot ver in de haven te horen moet zijn.
De trein glijdt uit langs het perron, tot even voor het gele Rawie-blok. Het is de Sicco Mansholt dit keer, genoemd naar de grote Groninger en vormgever van het Europese landbouwbeleid. Uitstappen, instappen, een paar minuten wachten, met de deuren dicht, tot de secondewijzer, na een moment van aarzeling, aan de ronde van 9.51 uur begint. De conducteur steekt zijn hoofd uit een cabineraampje en blaast op zijn fluitje naar het lege perron.
Binnen een minuut is de trein alleen nog een bewegend streepje onder aan de dijk in de verte, rood-wit langs een rechte groene baan. Eronder nog meer groen, erboven blauw: een stralend Hollands ingenieurslandschap, waarin alles een functie heeft. De windmolens staan op het noordoosten gericht, energie winnend uit wat komt aanwaaien uit Scandinavië, uit bijna niets dus. De wieken trekken ritmisch schaduwbanen over het land eronder.

Als ook de veerboot de haven is uitgevaren, is de rust compleet. Geen mens in zicht. De informatieschermen zijn op zwart gegaan, de komende uren niets weer te geven. Op de parkeerplaats naar schatting vier- tot vijfhonderd auto’s, de meeste uit Duitsland, Essen, Keulen, Hamburg. Een camper waar “Carpe Diem” op staat, een container van Virol met de tekst “Alles heeft waarde”. Zeg dat wel. Op het prikkeldraad boven aan de parkeerplaatsomheining zitten twee vogeltjes, andere dan de gebruikelijke, maar wat voor is door het tegenlicht niet goed te zien. Misschien kneutjes. Dat zou mooi zijn, een keer een kneu zien.
Van het perron gaat een betontrapje de zeedijk op, met aan de perronkant een roestvrijstalen hekdeurtje en boven op de dijk nog één, alles nieuw en glanzend, een mooi stukje vakwerk van Kuipers en Van den Berg. Boven op de dijk kun je alles zien: de zee, de haven, de parkeerplaats, erachter allerhande overslagbedrijven, de kolencentrale en windmolens zover het oog reikt. En de dijk zelf natuurlijk. Het waait licht, het ruikt naar zee.
Het is laagtij, onder aan de dijk zijn de oesterstrandjes drooggevallen. Een familie van vier, Nederlanders met Aziatische wortels, is neergestreken op het dijkasfalt. Broer en zus — of vriendje-vriendinnetje — verhouden zich op een dekentje over tienerzaken, vader en moeder rapen oesters, gave, schone exemplaren. Een leuk uitstapje naar station Eemshaven, gewoon, als bestemming, en straks verkwikt van zon, zee en vitamine D op weg naar de rest van de dag, in een witte Tesla, verse oesters in de kofferbak. Veel beter wordt het niet.
Een jaar geleden waren het spoor en het station hier nog niet. De aanleg kostte 25 miljoen euro. Een investering in een reisje naar de stilte, het geld en de moeite waard, ook zonder doorreis naar Borkum. Beneden bij de kaartautomaat hangt de dienstregeling. Straks, in de wintertijd, na 28 oktober, komt hier nog één trein per dag. Die wil je niet missen.

Spoorlijnen in Noord-Nederland

Op woensdag 20 juni heeft koning Willem-Alexander het nieuwste en noordelijkste stukje treinspoor van Nederland geopend, en het nieuwste, noordelijkste treinstation, station Eemshaven. Het was het bekende gedoe met handen schudden en hoogwaardigheidsbekleders, wapperend in de wind. Dat alles “onder grote belangstelling” natuurlijk. Toen iedereen weg was, lag het station Eemshaven er weer verlaten bij.
Spoor en station waren al eerder in gebruik genomen. Vanaf 28 maart reed de trein voorbij wat tot dan het einde van de wereld was, Roodeschool, tot het nieuwe, zeven kilometer noordoostelijker gelegen wereldeind. De lijn gaat via een nieuw station Roodeschool, dat aan de noordwestkant van het dorp ligt. Het oude station lag in het dorp zelf, aan de Stationsstraat. De laatste trein arriveerde er op donderdagmiddag 4 januari om kwart over vier.
Nieuwe spoorlijnen in Noord-Nederland zijn zeldzaam. In 2005 opende het traject Nieuweschans-Leer (Duitsland) en in 2011 Zuidbroek-Veendam. Twee voorbeelden van “reactivering” van eerder voor personenvervoer vervallen spoorlijnen.

Dat spoorlijnen verdwijnen komt veel vaker voor. In 1972 sloten de lijnen Emmen-Stadskanaal en Stadskanaal-Ter Apel. Het stuk van Ter Apel naar de Duitse grens (“Ter Apel Rijksgrens”) sloot al in 1926, twee jaar na aanleg, waarmee het een van de kortst bestaand hebbende spoorlijnen van Nederland was. In 1938 staakte de treindienst van Winsum naar Zoutkamp. De Duitsers verwijderden in de oorlog de bielzen, die er amper twintig jaar hadden gelegen. In 1985 verviel Groningen-Drachten (een omgebouwde tramlijn).
Een bewogen geschiedenis heeft de Friese verbinding Stiens-Anjum, het “Dokkumer Lokaaltje”, in gedeeltes geopend tussen 1901 en 1913, en voor personenvervoer gesloten in 1935 en 1936. Het goederenvervoer ging nog wel door, op steeds kortere stukken, tot Dokkum (gesloten 1973), Holwerd (1975) en tussen Leeuwarden en Stiens (1995).

Over het komen en gaan van (noordelijk) spoor

Louis Stiller, Jan de Boer e.a., Sporen door het Hogeland. 125 jaar Hogelandspoor (1893-2018) (2018)
Victor Lansink, Michiel ten Broek, Atlas van verdwenen spoorlijnen in Nederland (2016)