De titel van dit essay zou ook de titel van een Kuifje-achtig stripverhaal kunnen zijn. Misschien wel een geëngageerd verhaal met een stripheld die zich activistisch verzet tegen het verdwijnen van waardevolle landschappen. Maar nee, het gaat om iets anders. Om de verbondenheid van de mens met zijn omgeving. Het ‘land’ is van boer Piet, Klaas of van projectontwikkelaar X, maar het ‘landschap’ is van iedereen en is het product van onze persoonlijke of collectieve verbeelding. Het landschap is wat we zelf willen zien. Die verbeelding van het landschap kan vele vormen aannemen: beeldende kunst, literatuur, muziek, fotografie en film.

Maar ook de kaart! De artistieke en cartografische verbeeldingen bepalen in belangrijke mate de wijze waarop wij naar het landschap kijken. De Groninger landschappen van de schilders van De Ploeg zijn een referentiekader geworden waarmee wij de kwaliteit van onze omgeving beoordelen, net zoals de schilderijen van Gerrit Benner dat doen in onze waardering van het Friese landschap. Die interactie is fascinerend. Kunnen wij het landschap nog wel zien zoals het ‘objectief’ is? Of bestaat het landschap alleen in en door de verbeelding? En is ook niet de kaart een product van onze verbeelding? Oude kaarten, nieuwe kaarten, digitale navigatiesystemen: ze beïnvloeden onze visie op het landschap. Een kaart geeft een werkelijkheid weer, maar welke? Vormt een kaart een gelaagde bron die honderden jaren van landschappelijke ontwikkeling in zich bergt en leesbaar maakt? Of wist hij juist de herinnering aan oude landschappen uit?

Op het eerste gezicht lijkt de kaart in contrast te staan met het schilderij als geïdealiseerd landschap. De wegenkaart maakt de werkelijkheid van ingrijpende landschappelijke veranderingen direct zichtbaar. Nieuwe wegen, schaalvergroting en urbanisatie zijn het onderwerp van onze moderne kaarten. Geen geromantiseerd en geïdealiseerd landschap, maar de rauwe werkelijkheid van de 21e eeuw. Op onze wegenkaarten staat bijna nooit het jaar van uitgave vermeld. De veranderingen in het landschap gaan zo snel dat een kaart van pakweg drie jaar geleden al niet meer als actueel wordt gezien en dus niet meer wordt verkocht. De kaart is de representatie van het nu. De kaart van Fryslân van drie jaar geleden zonder ‘haak’ en zonder ‘Centrale As’ maakt een grote stad als Leeuwarden al onbereikbaar. Gelukkig, zo zou men denken, is er de digitale kaart als de representatie van het absolute nu. De navigatiestem loodst ons door de ruimte van het actuele moment en leidt ons zelfs om de wegopbreking heen van hedenmiddag. Tomtom lijkt de moderne en verbeterde versie van de aloude wegenkaart, maar waar zijn landschap en verbeelding gebleven?

Soms worden ze nog wel eens waargenomen: de niet-tomtom-bezitters. Zij fietsen door het Drentse land met op hun stuur de kaarthouder en daarin de kaart van de dag. Soms gaat het mis. Dan doorsnijdt een nieuwe weg de op de drie jaar oude – dus verouderde – kaart aangegeven route. Maar wat een rijkdom met die verregende en verfrommelde oude kaarten!  Met de kaart op het stuur fiets je door tijd en ruimte. De ruimte is niet die van een bewegende egocentrische cursor op een scherm, maar van het netwerk van wegen, dorpen en steden. Je fietst in een context en je ziet op de kaart dat je een riviertje nadert en dat in de verte – de diepgroene kleur geeft dat aan – de bossen lonken. Met andere woorden, de kaart opent en creëert ruimten waarin de eigen verbeelding en het verlangen gaan werken.

Bij nader inzien is er dus toch een grote overeenkomst tussen het schilderij als ‘landschap’ en de kaart als ‘landschap’. Het land wordt een esthetisch en betekenisvol landschap. De cartografische en kunstzinnige landschappen vormen vervolgens de bril waardoor wij naar onze omgeving kijken. Kaart, gedicht, schilderij of muziekstuk verbinden ons met onze omgeving en geven ons een essentiële ruimtelijke oriëntatie. Twee voorbeelden laten zien hoezeer kaartbeelden onze ruimtelijk gevoel bepalen en kunnen veranderen.

Kaart van Friesland uit 1739 gemaakt door Vegelin van Claerbergen

Zevenwolden aan Zee

Zuidoost-Fryslân. Pak een moderne wegenkaart en probeer de ruimtelijke oriëntatie en samenhang van het gebied te ontdekken. De grote wegen naar Leeuwarden, Drachten en Groningen en het spoor van Zwolle naar Heerenveen doorsnijden een land dat vooral als doorgangsgebied wordt ervaren. De kaart representeert de werkelijkheid van de twintigste-eeuwse infrastructuur van het gebied, maar wist de oorspronkelijke ruimtelijke oriëntatie en regionale identiteit van het gebied volledig uit. Sterker nog, het moderne kaartbeeld domineert onze mindset en maakt het bijna onmogelijk om het gebied te kunnen ‘lezen’.

Een oude kaart levert een totaal andere mindset op. We kiezen een oude kaart die het moment representeert waarop verleden en toekomst hun energie samenballen. Zo’n moment wordt letterlijk zichtbaar en bijna grijpbaar op de kaart van Fryslân van Vegelin van Claerbergen uit het midden van de achttiende eeuw. We zien aan de oostgrens nog de leegte en verlatenheid van het landschap van onze regio in de Middeleeuwen, aansluitend op de ‘grote stille heide’ van Drenthe. Aan de westzijde is er de scherpe grens met het eeuwenoude cultuurlandschap van het terpengebied van Westergo en Oostergo. Het is de grens tussen zand en klei. Maar de kaart laat ook op verrassende wijze zien hoe de geografische en landschappelijke gesteldheid van ons gebied werd gebruikt om er letterlijk een geheel nieuwe toekomst te scheppen. Tussen de Drentse zandgronden en de Friese kleigebieden zien we de vorming van een nieuwe wereld. Het is de wereld van de ontginning van de hoog- en laagvenen.  Over het oude landschap wordt een nieuw raster gelegd van wegen en waterwegen. Het is een modern en modernistisch landschap: de creatie van de tekentafel wordt in het landschap gerealiseerd.

De kaart van Vegelin biedt een verrassend ruimtelijk inzicht in de eenheid van het gebied door de plotselinge dominantie van de radicale infrastructurele veranderingen door de verveningen. Het oude land tussen zand en klei was al een landschappelijke eenheid, de nieuwe infrastructuur maakte het gebied nog herkenbaarder. Er is evenwel nog meer aan de hand. De kaart van Vegelin kent een ruimtelijke oriëntatie die we vergeten en verloren zijn. De moderne wegenkaart confronteert ons daarmee. Vanuit het centrum van het land worden de provincies en hun hoofdsteden met elkaar verbonden. Vanuit de Randstad lopen de wegen naar de uithoeken van het land. Deze nieuwe infrastructuur ligt letterlijk dwars over de oude infrastructuur. Op de moderne wegenkaart is Zuidoost-Fryslân een doorgangsgebied geworden. Nieuwe wegen en de spoorlijn doorsnijden het gebied van zuidoost naar noordwest en laten de dorpen links en rechts liggen. De infrastructuur van de twintigste eeuw heeft een proces in gang gezet dat ons de natuurlijke samenhang en ruimtelijke oriëntatie van het gebied deed vergeten.

Terug naar Vegelin dus. De kaart van Vegelin doet ons beseffen dat we het gebied moeten binnentreden – mentaal – vanuit de zee, vanaf de kust. Sinds de aanleg van de Noordoostpolder in het midden van de vorige eeuw zijn we die ruimtelijke oriëntatie helemaal kwijtgeraakt, maar Zuidoost-Fryslân lag aan zee. Het gebied had een kust. Vanuit de binnenlanden van Zuidoost Fryslân, vanaf de hogere gronden ten westen van het Drents plateau, stroomden rivieren naar zee. Linde en Tjonger vormden een in het Nederlandse landschap unieke delta.

Aan de kust lagen ook de poorten naar de wijde wereld en naar Holland. Via Lemmer en de sluizen van Schoterzijl en Kuinre werd de turf vervoerd naar de Hollandse steden. De hoge gasten of buitenlandse bezoekers kwamen niet over land, maar ontscheepten zich in Lemmer en reisden dan via Joure en Heerenveen naar Beetsterzwaag, Drachten en verder. De nieuwe infrastructuur van de verveningen tastte deze ruimtelijke oriëntatie niet aan maar moderniseerde het gebied binnen de eeuwenoude structuren. De kaart van Vegelin toont nog een laag in de tijd waarin de samenhang en de beleefde identiteit van de regio werd uitgedrukt in de al in de Middeleeuwen gebezigde term Zevenwolden. De kaart toont ook de nieuwe laag van de verveningen die de regio infrastructureel nog meer tot een eenheid maakte. Vegelin laat ons, in zijn ruimtelijke oriëntatie, het gebied weer herontdekken!

Een vergeten schiereiland

Eén van de meest dramatische kaarten van Fryslân is een eenvoudige ANWB-toeristenkaart uit het midden van de jaren dertig van de vorige eeuw. Op het oog inderdaad een eenvoudige kaart van het bekende soort: wegen, spoorlijnen, kanalen en meren in rood, zwart en blauw en veel plaatsnamen in verschillende lettergrootten. De kaart – ook toen al niet – vermeldt geen jaar van publicatie, maar is toch heel nauwkeurig te dateren. De Afsluitdijk, gereedgekomen in 1932, ligt er al en dat maakt de kaart in onze mindset tot een moderne kaart, beantwoordend aan onze ruimtelijke ervaring van het Noorden.

ANWB-toeristenkaart 1933

Maar er ontbreekt ook een belangrijk element. Waar is de polder? In 1940 was de ringdijk van de Noordoostpolder klaar en in 1942 viel het land droog. Maar van dat alles is nog niets te zien. En dat maakt nou juist deze kaart zo dramatisch. Met deze ANWB-kaart kijken we direct terug in de tijd. We zien een unieke momentopname van het midden van de jaren dertig als de moderniteit van de provincie er al is, maar Fryslân zich tegelijkertijd nog laat zien in zijn middeleeuwse verschijningsvorm als schiereiland. Daar ligt in het midden van de twintigste eeuw een stuk land aan het uiteinde van het Europese continent. Het steekt ver in zee en wordt aan alle kanten, langs lange kustlijnen, omspoeld door het water. Natuurlijk is het schiereiland Fryslân op alle oude kaarten te zien, maar het is juist de Afsluitdijk die het beeld zo verrassend maakt. Door dat ene lijntje op de kaart maar nog zonder de polders, zijn we onze oriëntatie even kwijt en laat Fryslân zich voor de laatste keer zien als ‘zeeland’.

De Afsluitdijk, de polders en het Lauwersmeer hebben onze ruimtelijke oriëntatie drastisch veranderd. Aan de ene kant heeft het bedwingen en terugdringen van de zee ons dichter bij Nederland gebracht, maar tegelijkertijd is de bijna fysieke ervaring van Fryslân als ruimtelijke eenheid, als schiereiland, voor een groot deel verdwenen. Of dat nu economisch, sociaal of politiek goed of slecht is, is hier niet aan de orde. Waar het om gaat is dat de ruimtelijke verhoudingen en de ruimtelijke beleving van het land ingrijpend zijn veranderd.

In een prachtig boek beschrijft Albrecht Koschorke de geschiedenis van de horizon. In ons moderne, romantische denken staat de horizon voor oneindigheid en diepte. De horizon is de verte en kent geen einde, is zonder grenzen. In de Oudheid en de Middeleeuwen was de horizon evenwel de scheiding tussen land, water en lucht. De horizon was niet de oneindigheid, maar de rand van de wereld. De horizon opende niet de ruimte, maar sloot de ruimte juist af. Als we naar de ANWB-kaart van de jaren dertig kijken, dan krijgen we nog even dat oude gevoel van de Friese ruimte. Het land lag niet open, maar kende aan alle kanten de scherpe grens van de dijk. Fryslân stak ver in het water maar stond letterlijk en figuurlijk niet open voor de zee. De horizon was de harde afsluiting van het land. In het midden van de twintigste eeuw veranderde die ruimtelijke realiteit.

Voor ons is die ingrijpende verandering in ruimte en ruimtelijke verhoudingen moeilijk na te voelen, maar het is de ANWB-kaart die de historische sensatie oproept en duidelijk maakt dat de horizon nog niet de oneindigheid en de zee nog niet ‘een breed spiegelend toevluchtsoord’ voor de gestreste mens was. De horizon en de zee staan nog in de lange traditie van afsluiting en begrenzing. Een traditie die begint met het middeleeuwse Oud-Friese recht waarin het land als een ‘zeeburcht’ wordt beschreven die beschermd moet worden tegen het woeste water. Zeven eeuwen later klinkt die visie nog door in het gedicht It Heitelân (het vaderland) van Jan van der Burg, het ‘tweede Friese volkslied’: ‘Dêr’t de dyk it lân omklammet/Lyk in memme earm har bern;/Dêr’t de wylde see jamk flammet/Op in hap út Friso’s hern’. Jan van der Burg verwoordt in poëzie wat wij voor ons zien op de kaart van de ANWB. Het zijn de laatste representaties van een andere fysieke Friese horizon en ruimte en van een ander poëtisch ruimtelijk gevoel. In de twintigste eeuw verdwijnt de ‘zeeburcht’ en wordt de horizon open. De wilde zee wordt een oord van rust en reflectie. Maar we kunnen Fryslân alleen begrijpen als we ons bewust zijn van de aloude ruimtelijke beleving van het ‘schiereiland’.

Tomtom en het landschapsverlies

Ten aanzien van onze omgeving is er een groeiend schuld- en een verantwoordelijkheidsgevoel en leven we in een beschermingscultuur waarin het waardevolle landschap alleen nog kan bestaan als geïsoleerd erfgoed. Met Unesco-Werelderfgoed, met nationale landschappen, beschermde dorpsgezichten en reservaten betonen we respect aan het verleden en geven iets van dat verleden door aan nieuwe generaties. Maar in alle gevallen, zoals in de kunst, romantiseren, idealiseren en isoleren we een deel van onze omgeving. Met de stormachtige ontwikkeling en uitbreiding van het begrip ‘erfgoed’ excuseren we de even stormachtige verarming van natuur- en landschappelijke waarden buiten de beschermde gebieden.

Deze ontwikkeling gaat gepaard met – en wordt misschien deels veroorzaakt door – een bijzondere vorm van ‘landschapsverlies’, laten we die tomtommisering noemen. De traditionele wegenkaart maakte ons tot een onderdeel van het landschap. We bewogen ons in een landschappelijke context waarin ruimtelijke oriëntatie, temporele gelaagdheid en verbeeldingskracht essentiële elementen waren. De kaart moest nog ‘gelezen’ worden en vertelde een rijk verhaal. Tomtom ontneemt ons dat verhaal. De ruimtelijke oriëntatie is totaal irrelevant geworden. Het landschap is verdwenen, er is alleen nog reistijd. Als Tomtom Vegelin zou heten, kwamen we slechts moeizaam en na lang omzwerven op onze plaats van bestemming, maar hoe rijk zou de reis zijn!