Mijn vorige blog eindigde ik met het voornemen om in gesprek te gaan met mensen over de vraag waar zij zich thuis voelen. Dat leverde verrassende en bijzondere gesprekken op. Met onder andere een mailtje van filosoof Pieter Hoexum, die mij met zijn boek De kleine filosofie van het rijtjeshuis al had geïnspireerd voor mijn scriptie. 

Naast dat ik me vereerd voelde – en zich in mijn hoofd al een scenario ontwikkelde hoe er een levendige filosofische mailconversatie ontstond die zich voortzette in ellenlange brieven voor de openhaard geschreven (ja filosofen hebben ook dromen) – zetten zijn opmerkingen mij vooral aan het denken. Hoexum schreef namelijk:

Vaak wordt identiteit als problematisch gezien en wordt de oplossing dan gezocht in een plek. Dat lijkt mij zeer problematisch, en jou ook, als ik me niet vergis.’

Waar hij volgens mij naar verwees, is het gevaar dat er in schuilt wanneer je bij een gevoel van ontheemding of gebrek aan identiteit, extra nadruk legt op de plek. Waarbij de plek dan vaak iets is waar jij – in tegenstelling tot iemand anders- rechten hebt omdat je er geboren bent / er al jaren woont / je familie er vandaan komt. 

Om beter te begrijpen wat hij precies bedoelde in zijn mail besloot ik de volgende dag zijn nieuwste boek Thuis, filosofische verkenningen van het alledaagse. in huis te halen in de hoop de context achter deze vraag beter te begrijpen. Per slot van rekening moet je elk excuus om een goed boek aan te schaffen met twee handen aangrijpen. 

Het boek beschrijft de facetten van je ergens thuis voelen aan de hand van zijn tijdelijke verblijf in het Roland Holsthuis, een soort gasthuis voor schrijvers. Van de sleutel tot de trap en van het dak tot de keuken, de alledaagse voorwerpen waar we normaal aan voorbijgaan, krijgen van hem allemaal een verhaal. Niet om uiteindelijk ‘dé essentie’ van het thuis te vangen, maar juist om te laten zien hoe het wonen in zekere zin een paradox is, zo schrijft hij: ‘Als je onderdak gevonden hebt, krijg je het na verloop van tijd toch benauwd en ga je verlangen naar de buitenlucht en eenmaal buiten ga je op den duur toch weer verlangen naar de geborgenheid van je huis, van thuis.’

Op dit moment leg ik het boek even aan de kant en denk ik aan mijn eigen situatie. Zo ongeveer om de twee, drie jaar krijg ik het op mijn heupen en wil ik verhuizen. Misschien is het genetisch bepaald, ook mijn ouders verhuisden om de haverklap. Maar als ik deze woorden lees, begint ook mij te dagen dat ik met die paradox maar moeilijk kan omgaan. Ik geniet ervan te fantaseren over hoe een nieuw huis helemaal mijn thuis wordt en werk daar vervolgens met plezier een jaar aan. Maar vervolgens benauwt het me en projecteer ik mijn thuis het liefste op een nieuwe plek. Als ik meer leer om te gaan met die spanning, kan het me misschien een hele hoop verhuisstress en -kosten schelen.

Terug naar de alledaagsheid van het Roland Holsthuis. Je zou het kunnen verwarren met onbelangrijk of nietszeggend, het zijn immers de dingen waar we normaal niet bij stilstaan. Maar juist door deze dingen een verhaal te geven lukt het Hoexum soms iets van dat thuisgevoel te vangen. Zo schrijft hij over de sleutel: ‘het met een sleutel van binnenuit kunnen afsluiten van een huis of kamer, is minstens zo belangrijk en waardevol als het van buitenaf kunnen ontsluiten van die kamer of dat huis.’. Hij laat daarmee zien hoe thuis een plek is waar je de wereld voor even buiten kan sluiten. 

Niet dat dat de enige functie van het huis is, ook hier vinden we de paradox. Ja het is belangrijk die sleutel in handen te hebben maar tegelijkertijd heeft het huis een voordeur nodig. ‘Zonder voordeur zou het huis een fort worden waarin de bewoners zich verschansen en waar alleen familie, vrienden en bekenden toegang toe hebben en waar alleen informele bezoekjes afgelegd kunnen worden. Een woning is echter ook een middel om juist deel uit te maken van de maatschappij.’

Maar wat zeggen deze voorbeelden over de vraag die Hoexum mij in de mail stelt? Over de problematische koppeling tussen identiteit en plek, en hoe dit zich verhoudt tot het begrip thuis? Er begint zich in mijn hoofd een beeld te vormen van een weegschaal, waar aan de ene kant de behoefte van de mens om zich af te sluiten en terug te trekken ligt, en aan de andere kant de behoefte om onderdeel te zijn van het geheel van wat er zich buiten afspeelt. 

Een balans die, zo kan ik me goed voorstellen voor iedereen anders is. De ene kan zich een hele tijd redden in de wereld, terwijl de andere het regelmatig nodig heeft zich terug te trekken. Maar wanneer wordt het dan problematisch? Daarover schrijf Hoexum: ‘Je heimat lijkt in bange, onzekere tijden de laatste zekerheid te bieden: als je maar weet waar je vandaan komt, weet je ook waar je “eigenlijk” heen moet.’ Het wordt problematisch als je op die manier naar thuis gaat kijken en daarbij de balans tussen binnen en buiten uit het oog verliest. Je raakt opgesloten. 

Hoexum haalt Thuis. Het drama van de sentimentele samenleving, het recente boek van Jan Willem Duyvendak, aan om te laten zien wanneer dat  gaat schuren: ‘Als een natie als een huis wordt beschouwd en als een thuis moet voelen, dan is er maar heel weinig ruimte voor verschil’, schrijft Duyvendak. ‘En wat dient een Nederlander te doen die zich niet thuis voelt… vertrekken?’

We hebben het dus over de menselijke behoefte aan thuis voelen, die serieus genomen dient te worden. ‘Huiselijkheid afdoen als escapisme is het kind weggooien met het badwater,’ schrijft Hoexum. Maar het streven naar thuis is gevaarlijk wanneer we dat buiten de voordeur willen vasthouden. 

Ik hoop dat ik hiermee dichter bij de essentie van de vraag van Hoexum ben gekomen, anders krijg ik dat vast te horen. Maar waar brengt het mij in mijn zoektocht naar de verbinding tussen plek en identiteit? Ik was me natuurlijk bewust van het gevaar dat in deze koppeling schuilt, maar Hoexum heeft me wel gewezen op één van de mogelijke uitkomsten van deze zoektocht, namelijk meer oog voor het alledaagse. 

Een voorbeeld van hoe dit van toepassing zou kunnen zijn, kreeg ik van een collega. Ze was bij de gemeente Enschede langs geweest om te horen hoe zij met de vuurwerkramp waren omgegaan. Met als doel te onderzoeken of er lessen uit te trekken zijn voor de aardbevingsproblematiek in Groningen. De mensen uit de wijk waren daar over het algemeen zeer tevreden over de manier waarop de hersteloperatie was aangepakt. 

Een van de voorbeelden van waarom mensen zo tevreden waren, viel me in het licht van het pleidooi van Hoexum extra op: in de nieuwe huizen moesten vanwege het koken op aardwarmte speciale pannen gebruikt worden. Iedereen kreeg daarom een goede en uitgebreide pannenset. Simpel, hoor ik u denken, en dat is het ook. Maar voor mijn collega een verademing. Zo gaat het in Groningen in ieder geval niet, meldde ze me. 

In het aardbevingsgebied zoeken we soms naar grote oplossingen, het grote gebaar dat alles verandert. Maar daarmee zien we misschien het belang van het alledaagse over het hoofd. Niet dat een pannenset hier het probleem gaat oplossen. Veiligheid en economische zekerheid staan natuurlijk op de eerste plaats. Maar na het lezen van het boek van Hoexum zou ik graag een pleidooi houden om meer oog te hebben voor het kleine en misschien ook wel de individuele oplossingen. Laten we ons in ieder geval niet laten meeslepen door grootse plannen die alles voor iedereen moeten oplossen. Want wat Groningers nodig hebben om zich weer thuis te voelen kunnen vooral zij beslissen en dat zal zeker niet voor iedereen hetzelfde zijn.