Daniel Depenbrock is het schoolvoorbeeld van een terugkeerder. Hij groeide op in Leeuwarden, studeerde economische geografie in Groningen en vertrok vervolgens naar Utrecht om te wonen en te werken. Na zes jaar keerde hij terug naar het Noorden. Ik voel me een Noorderling, zo verklaart hij. Nu woont hij in Opende en is hij aLS partner bij KAW actief als onderzoeker en adviseur op het gebied van wonen. We spreken hem naar aanleiding van zijn inzichten over ruimtelijke en maatschappelijke effecten van de overspannen woningmarkt. Hij beschrijft hoe de huidige aanpak van de woningnood het contrast tussen Randstad en landelijke regio’s alleen maar vergroot.

Overheid, corporaties en ontwikkelaars wringen zich in allerlei bochten om voor 2030 een paar honderd duizend woningen extra te bouwen in de Randstad. Terwijl in andere stedelijke regio’s in ons land 50.000 woningen vrijkomen en leeg dreigen te staan. ‘Ons neoliberale denken schrijft voor dat de markt het beste weet wat goed voor ons is. Maar de marktwerking slaat in dit geval door’, stelt Depenbrock. ‘Alle pijlen worden op de Randstad gericht waardoor sommige andere delen van het land een economische toekomst ontnomen wordt.’ Zonder economische zekerheid is het lastig om mensen te binden en durven mensen de stap naar de regio ook niet te wagen. Iets wat we in het Noorden maar al te goed herkennen. 

‘De overheid moet hierin de markt corrigeren,’ zegt Daniel Depenbrock. ‘Ze moeten ervoor zorgen dat Randstad en landelijke regio’s gelijke kansen krijgen. Zodat er overal in Nederland een economisch positieve toekomst geboden kan worden.’ Om dit te realiseren pleit Depenbrock voor een vernieuwde vorm van ‘gebundelde deconcentratie.’ Een principe dat in 1966 de basis vormde van de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening waarbij de overheid het aanwijzen van groeikernen als sturingsmiddel gebruikte. 

Deze maatregelen moesten toendertijd voorkomen dat het Groene Hart helemaal vol werd gebouwd en zouden volgens Depenbrock ook goed gebruikt kunnen worden om de huidige woningmarkt in goede banen te leiden. De groeikernen konden zowel in de Randstad als in landelijke regio’s liggen en waar nodig werd er niet alleen geïnvesteerd in woningbouw, maar ook in economische perspectieven. Een betere verdeling van de investeringen zou ook nu weer soelaas kunnen bieden. 

Nu zijn er van het beleid uit de jaren ’60 en ‘70 genoeg voorbeelden van groeikernen die zich ontwikkeld hebben tot slaapsteden. En dat decentralisatie een kans maar ook een valkuil kan zijn voor een regio weet van Depenbrock uit eigen ervaring. ‘Dankzij decentralisatie van overheidsdiensten naar het Noorden vond mijn moeder, in het nogal armetierige Leeuwarden van de jaren ’80, na een ongewenst huisvrouwen bestaan een baan op haar niveau. Daardoor konden we een vouwwagen kopen en naar Duitsland op vakantie. Maar door de vercommercialisering zijn veel van de positieve resultaten teniet gedaan. Ruim tien jaar later begon de uitverkoop bij ING. De banen van toen zijn nu vaak niet meer dan callcenterbaantjes en zijn we weer terug bij af.’ 

Geen overheidsinfuus, maar een impuls voor zelfredzame regio’s

‘Dit legt meteen ook de kwetsbaarheid van het beleid bloot. Regionale luiheid ligt op de loer als werkgelegenheid door het Rijk gegarandeerd lijkt. Dergelijk beleid moet altijd gepaard gaan met investeringen in de economische zelfredzaamheid van regio’s. En dat kan, als je minder extreem hoeft te investeren in de Randstad zelf. Laat deze gebieden niet afhankelijk worden van een overheidsinfuus. Het gaat om het geven van een impuls aan bestaande vitale regio’s met HBO en universiteiten, historische binnensteden, snelwegen en spoorlijnen. Iedere regio zou je als ecosysteem kunnen bekijken, waarvan bereikbaarheid, onderwijs en bedrijven belangrijke pijlers zijn. Dat trekt mensen aan én zorgt dat mensen de regio niet hoeven te verlaten. Bovendien profiteren ook omliggende plattelandsgebieden van sterke regiosteden.

Het gaat Depenbrock niet zozeer om mensen van de Randstad naar de regio’s te trekken, maar vooral om blijvers te bedienen. ‘Daar is in feite de meeste winst te behalen. Neem het Noorden als voorbeeld. We moeten ervoor waken dat mensen onnodig vertrekken, omdat het Noorden geen toekomst te bieden heeft. Een stad als Groningen redt zich wel. Maar ook in andere noordelijke steden moeten we zorgen voor goede bereikbaarheid en onderlinge verbondenheid, zodat steden als Emmen en Leeuwarden ook echt als een motor voor hun regio kunnen werken. En vergeet niet, een succesvolle stad trekt mensen ook naar de omliggende regio.’ Wat Depenbrock betreft géén kopie van wat er in de Randstad gebeurt, maar juist met behoud van unieke streekeigen kwaliteiten. Daar is het Noorden veel te bescheiden over: minder stress, gezonde lucht en een fijne mentaliteit. Het waren voor Daniel in ieder geval belangrijke redenen om terug te keren.