Kapitein Klaas Koch (1950) tuurt in volle concentratie naar zijn digitale kaart. Hij weet: het is erop of eronder. Koch – grijze ruige baard – is niet snel van zijn stuk gebracht, maar op dit moment is zijn hartslag een stuk hoger dan normaal. Aan boord, deze donderdag 25 april 2019: twee dames van het Wereld Natuur Fonds, een handjevol van zijn wrakduikers en 3.500 platte oesters uit Noorwegen. Het is aan Koch om de oesters precies op het wrak 25 meter onder hem te krijgen. Geen simpele klus; eerder vandaag heeft hij een berekening gemaakt op basis van de gemiddelde zinksnelheid van de oesters en de stroming in dit gedeelte van de Noordzee, boven Ameland.

Koch blaast de hoorn. Een teken dat hij boven het wrak vaart. Op het voordek staat Emilie Reuchlin (1982) – in knaloranje oliebroek. Ze tilt de 25 kilo wegende bak met oesters op en strooit de inhoud voorzichtig over de reling. Reuchlin is projectleider schelpdierbankherstel bij het WNF en werkt al zes jaar aan haar missie om oesterbanken terug te brengen in de Noordzee. Aan haar zijde: collega Brenda Deden (1990).

Het is een contrast: de ruige wrakduikers uit Lauwersoog, stuk voor stuk rijpe(re) ruughouwers, en van een biertje niet vies, en de twee jonge, sprankelende natuurbeschermers. Toch verloopt de omgang natuurlijk. ‘Klaas!’, roept Reuchlin vanaf het voordek. ‘Ik heb de laat­ste oester voor jou bewaard!’ Koch stapt zijn stuurhut uit. ‘Oh lekker’, grapt hij. Reuchlins schaterlach schelt over de Noordzee. Koch zoent de oester op de schelp, kijkt er nog een keer naar en werpt de laatste van de duizenden oesters overboord.

Oesters voor kickstart

In 2015 ging Emilie Reuchlin, marien bioloog van beroep, op Noord­zee-expeditie. Ze dook op de Borkumse Stenen met haar projectpartner Wouter Lengkeek. Hij kwam met een wel heel bijzondere vondst naar boven: een fossiele platte oester. De oester kwam vroeger – we spreken dan over de negentiende eeuw – veelvuldig voor in de Noordzee. Dertig procent van de bodem was ermee bedekt. Begin twintigste eeuw zijn deze riffen van de Noordzee volledig verdwenen door overbevissing, ziekten en koude winters.

Erg jammer, vond de bioloog, want juist die schelpdierbanken zijn goed voor de biodiversiteit in de Noordzee. De oesterbanken vorm­den levende riffen waar vissoorten op afkwamen. De banken boden voedsel en een schuilplaats. Het WNF en Stichting ARK herstelden al een tijdje schelpdierbanken in ondiepere wateren. Maar daar, in het koude water, ging er bij Reuchlin een lampje branden: wat nu als we de oesterbanken ook in de dieper gelegen Noordzee, op de Borkumse Stenen, terugbrengen?

Reuchlin had vele hordes te nemen. Hoe breng je een hele populatie terug? De verdwenen schelpdierbanken groeiden niet op natuurlijke wijze, want een bronpopulatie ontbrak. Daarom haalde Reuchlin in 2017 80 duizend platte oesters uit Noorwegen. Duikers raapten ze daar op duurzame wijze met de hand van de bodem. In plaats van in een luxerestaurant in Scandinavië te belanden, gingen ze op transport naar Nederland. Om hier de populatie te kickstarten.

Drukste zee ter wereld

Een klein probleem: waar kon je 80 duizend oesters uit­zetten in de Noordzee? Waar werden ze met rust gelaten? Nergens. Of beter gezegd, bijna nergens. Reuchlin: ‘De Noordzee is een prachtige zee, maar ook een van de drukste ter wereld.’ Vol goede moed ging ze op zoek naar een geschikte plek. Ze herinnert zich hoe moeizaam het ging: ‘Ik hield al varende contact met Rijkswaterstaat. Iedere keer als ik een goede plek dacht te hebben gevonden, vroeg ik of het daar kon.’ Ze kreeg steeds nul op het rekest. ‘Dan weer was het een zandwingebied, dan lagen er kabels en leidingen of was het te dicht bij de scheepvaartroute.’

Uiteindelijk vond ze een plek voor haar oesterproef, bij de Borkumse Stenen. Op de plek waar het ook tijdens die eerste expeditie voor haar begon. Het was van groot belang dat de oesters met rust werden gelaten en daar­om zocht Reuchlin contact met garnalenvissers. Ze kwam bij Zoutkamper Robin Bouma (1980) terecht. Het klikte. Vissers en natuurbeschermers: wellicht niet de meest voor de hand liggende combinatie. Toch deelden ze aardig wat overtuigingen. ‘Vissers willen ook het beste voor hun zee’, zegt Reuchlin. ‘En de oesterbanken maken de zee juist vruchtbaarder.’

In Bouma’s geboortedorp Zoutkamp was niet iedereen onverdeeld enthousiast over de samenwerking. De mannen zagen hun visgebied (onder druk van natuurorganisaties) steeds kleiner worden. Ze waren bang dat de oesterproef hun zee opnieuw kleiner zou maken.

Bouma stelde zijn schip ter beschikking om samen met Reuchlin de 80 duizend oesters uit te zetten. Dat kwam hem in zijn dorp op kritiek te staan. Hij liet die zoveel mogelijk van zich afglijden. ‘Ik wil gewoon samenwerken’, zegt hij in zijn woonkamer in Zoutkamp. ‘Met natuurbeschermers om tafel. Dat levert ook weer wat op.’ Hij kijkt nog altijd liever vooruit, wil niet blijven hangen in negativiteit. En daarbij: ‘Het zijn leuke meiden. Heel gezellig.’ De visser zegt het met stralende ogen.

Vissers en natuurbeschermers: niet de meest voor de hand liggende combinatie

Het spannendste moment in Reuchlins loopbaan was op vrijdag 20 juli 2018, bij garnalenvisser Bouma aan boord. Ze namen een kijkje bij haar 80 duizend oesters die ze in mei 2018 hadden uitgezet op de Borkumse Stenen. Leefden ze nog? Ging het goed met ze of waren ze allemaal weggespoeld? De oesters waren grotendeels betaald met geld van donateurs en de bioloog was al de hele week zenuwachtig. Ze had van tevoren zelfs al met de WNF-directie gesproken. ‘Er is een kans dat ze allemaal dood zijn’, had ze tegen haar baas gezegd. Als de bioloog erover vertelt, is de spanning nog altijd van haar gezicht te lezen. Ze legt uit: ‘Het bleef een proef. Pionieren.’ Natuurlijk had ze vooraf grondig onderzoek gedaan, maar toch lopen dingen soms anders dan gepland. Natuur laat zich niet leiden.

Die 20e juli, aan boord van de ZK47, bleek dat de oesters nog leefden. En sterker nog: ze waren zich al aan het voortplanten. Dat was beter dan Reuchlin ooit had durven dromen.

Natuur herstellen doe je niet alleen

Wat als een gedachtespinsel is begonnen, in dat koude water tijdens haar duikexpeditie, wordt allang niet meer alleen gedragen door WNF en ARK natuurontwikkeling. Inmiddels doet een breed scala aan onderzoekspartijen mee, (een deel van) de vissers, de directie van het Gemini offshore windpark, en nu dus ook een lokaal wrakduikteam.

Emilie Reuchlin en haar collega Brenda Deden weten: de natuur herstellen doe je niet langer alleen. Aan boord van de Zeester van Klaas Koch lopen ze de hele dag stralend rond. Ze plagen links en rechts een wrakduiker en praten honderduit over hun oesters. In hun bezieling steken ze de anderen aan.

Op de Zeester van Klaas Koch is de sfeer uitgelaten. ‘Ik vind dit helemaal fantastisch’, zegt een van de wrakduikers tegen Reuchlin. Hij blijft het maar herhalen. Dit keer duikt hij niet op een halfvergaan wrak. Dit keer geen oorlogshistorie. Geen roestig staal op een zanderige zeebodem. Waar de mannen van wrakduikteam Zeester normaal gesproken in het verleden duiken, zijn ze nu bezig met de toekomst: ze adopteren de duizenden platte oesters. Ze hopen op baby’s, op nakomelingen van ‘hun’ geschelpte kroost. En dat brengt een heel andere gevoel met zich mee.

Het wrak waar de oesters een nieuw leven beginnen, is een 62 meter lang Duits schip dat op 14 mei 1944 door een geallieerd vliegtuig onder vuur is genomen. Het schip kapseisde en zonk, en ligt nu op de kop op de bodem. De harde onderkant van het schip is uitermate geschikt voor de nieuwe generatie oesters om zich aan te hechten. En een mooie bijkomstigheid is dat er in de buurt van een wrak geen zandwinning of andere bodemverstoring plaatsvindt.

Oesterfluisteraar

Emilie Reuchlin kijkt uit over de Noordzee. Het grijsgroene water houdt zich vandaag aardig koest. Het geeft niets prijs van de wereld onder het wateroppervlak. Zij kent die maar al te goed. ‘Het is geen grote grijze klotsbak’, zegt ze. ‘Integendeel. In de Noordzee zwemmen roggen en haaien. In onze Noordzee!’ Het is haar missie om anderen de liefde voor de zee bij te brengen. ‘Want waar je van houdt, daar wil je ook voor zorgen.’

Een van de wrakduikers ontpopt zich tot ware oesterfluisteraar. Jorne Dassen spreekt de oesters, die door de lange reis uit Noorwegen wat versuft zijn, moed in. Hij klopt ze liefkozend op de schelp. Die binding is belangrijk: de duikers gaan na­melijk regelmatig kijken hoe de schelpdieren het doen. Informatie daarover delen ze met Deden en Reuchlin.

Het is die verbondenheid die nodig is om haar wilde plan te laten slagen. Verbinding en samenwerking. Alleen al om het project betaalbaar te houden, zodat het niet primair drijft op geld van donateurs. Reuchlin ziet de toekomst hoopvol in. Toege­geven: er is nog een hoop werk te verzetten. Een van de uitdagingen nu is de platte oesters zelf kweken, zodat de schelpdieren niet helemaal uit Noorwegen hoeven te komen. Dat doet het WNF samen met het NIOZ, WUR en Roem van Yerseke.

Oesterfluisteraar Dassen maakt een duik. Hij kijkt of de oesters op het wrak zijn beland en komt met een brede grijns weer boven water. De berekening klopte. Een opluchting voor schipper Klaas Koch. ‘Missie geslaagd’, mompelt hij opgelucht. Terwijl Koch koers zet naar Lauwersoog, zegt de bioloog, met zekerheid in haar stem: ‘De oesterbanken kunnen terugkeren, maar alleen als we samenwerken.’ Ze glimlacht naar Koch.

Koch kijkt glunderend terug naar Reuchlin. Hij is vandaag trotse peetvader van 3.500 oesters geworden en is ook nog eens een wild verhaal rijker.

OESTERSCHELPEN INZAMELEN

WNF en ARK natuurontwikkeling beginnen in september een samenwerking met restaurants. Ze zamelen lege oesterschelpen in en gebruiken die als fundament voor nieuwe oesters. Op één oester kunnen met gemak veertig nieuwe oesters groeien. Commercieel geoogste oesterschelpen belanden zo van iemands bord weer terug in zee als basis voor nieuwe oesterbanken. Daarmee is de cirkel rond.

Ook bij het Gemini Windpark zijn inmiddels een paar duizend kilo oesters geplaatst. Een eerste poging op de Noordzee om een oesterbank in een windmolenpark te starten.

De foto is voortgekomen uit een samenwerking rondom Lauwerskust met de fotografen van de Fotosalon van Noorderlicht