• Een liter melk, drie kilo mest
  • Rustig herkauwen en ‘de wei in’ remt de uitstoot
  • Krachtvoer maakt mest schadelijker
  • Ligboxenstal gaf koeien bewegingsvrijheid en ons een ammoniakprobleem

Voor alles zou het beter zijn als de koe minder poept en piest. Of zich in ieder geval netter gedraagt. Geef de koe een toilet. Alles is voorstelbaar om de problematiek anno 2020 op te lossen. In de strijd tegen ammoniakpluimen die over de groene landerijen op kwetsbare natuur neerdalen, zijn veel noviteiten bedacht. Helaas hebben ze niet veel zoden aan de dijk gezet. De nood is hoog, want de miljoenen dieren in de veehouderij maken er samen een zooitje van: de uitstoot van stikstof en broeikasgassen is te groot. Een Nederlandse koe levert jaarlijks gemiddeld meer dan 9 duizend liter melk en ze poept en piest in een jaar 28 duizend kilogram. Binnen een etmaal produceert ze bijna twintig keer mest. Vroeger ging het om stevige vlaaien uit vooral vezelrijk hooi, nu zorgt het eiwit- en energierijke ruwvoer voor een dunne substantie. Het lijkt of het dier altijd diarree heeft.

Een koe in de wei is een schoonheid, maar ze neemt het niet zo nauw met poep en pies. Achteloos fluiten die eruit, zonder enige kommernis bij de koe over waar ze terechtkomen. Smakelijk gras gaat zo voor de kudde verloren. Toch is deze weidende koe het minst belastend voor het milieu. Ze schijt en piest namelijk niet op dezelfde plek. Van ammoniakvorming is zo amper sprake.

Heel anders is dit in de stal, vooral die met een roostervloer boven een diepe drijfmestkelder. Zo gauw de urine met vaste mest in contact komt, begint de afbraak van eiwitten en de vorming van ammoniak (een stof die luchtwegen en slijmvliezen irriteert en natuurgebieden ongewenst ‘bemest’). Het gebeurt in de kelders, maar ook al op de roostervloer. Daar zijn al volop bacteriën aanwezig die het proces beginnen. De meeste ammoniak ontstaat in de eerste uren na dit contact.

Op de po

Het koeientoilet is een serieuze vondst. Het kietelt zenuwen op de billen van de koe, waarna deze pardoes de blaas begint te legen. Daarna vangt het de urine op, zodat die niet in aanraking komt met poep. Cruciaal, want dit voorkomt immers ammoniakvorming. Scheiding aan de bron, zegt bedenker Henk Hanskamp. De Innovatieprijs is zijn eerste beloning.

Het koeientoilet lijkt een eenvoudige oplossing voor een ernstig probleem. Het houdt poep en pies gescheiden en neemt zo een deel van het venijn weg. Eigenlijk moet de koe op de po. Maar dat is een absurd beeld. Daarbij is het toilet ook slechts een technische uitvlucht voor een fundamenteel vraagstuk, omdat de problemen beginnen bij de voeding.

Hoe het werkt? Een koe heeft voor een goede melkproductie per kilo voer 150 gram ruw eiwit nodig. Met gras eten haalt het die bijna. Soms moet er krachtvoer bij, afhankelijk van de kwaliteit van het ruwvoer. Elke 6,25 gram ruw eiwit bevat 1 gram stikstof.

Wat de koe vreet, draagt bij aan de omvang van het mestvraagstuk. Want lang niet al het eiwitrijk voer dat ze binnenkrijgt, benut ze. Zo gaat er een flinke hoeveelheid onbenutte stikstof met de urine weer naar buiten. Hoe meer stikstof, des te groter de ammoniakvorming. En des te groter is daarna de hoeveelheid stikstof die ongevraagd neerdaalt in het vrije veld.

De veehouder kan hierin sturen door zijn koeien minder eiwitrijk voer voor te schotelen of goed te letten op de verhouding eiwit/energie. Bovenal is het herkauwen van belang. Als de koe tijd en rust krijgt, kunnen pens en darm veel stikstofrijk ureum al zelf verwerken. Een soort kringloop bij de koe zelf.

Minder koeien

De melkveestapel lijkt nu een groter probleem te zijn dan een halve eeuw geleden. Toch is het aantal melkkoeien met 1,6 miljoen al veel kleiner dan toen. De koeien zijn minder in de wei, dit verklaart al veel. De stront is ook anders, krachtiger door meer eiwit, met meer ammoniak als gevolg. Daar hebben we met zijn allen last van. De verklaring zit in het voer dat de koeien nu volgens afgepast rantsoen krijgen. Een koe eet 75 kilo gras, kuil of mais per dag en 5 kilo brokjes met veel eiwitrijk sojaschroot.

Het koeientoilet is een serieuze vondst

Boeren hebben lange tijd zonder enige beperking een groeiende berg mest in wijde en meters hoge bogen over het land kunnen sproeien. Melkveehouders wisten zelf niet altijd waar het goed voor was, maar ondertussen voerden en bemestten ze met royale hand op gezag van voorlichters en adviseurs. Het waren gekke jaren in de landbouw. In twintig jaar tijd nam de stikstof in het vrije veld met 50 procent toe. In het topjaar 1986 bedroeg de stikstofuitstoot via dierlijke mest in ons land 594 miljoen kilogram stikstof. Mestbeleid en inkrimping van de melkveestapel door de superheffing hebben daar vanaf 1990 verandering in gebracht. Pas daarna kwam er bij boeren enig besef dat matiging moest. Een deel van de hinder wordt sindsdien letterlijk onder de grond gestopt met hulp van mestinjecteurs.

Nu daalt er gemiddeld op elke hectare in ons land jaarlijks 29 kilo stikstof neer. Dat is veel. Veel te veel voor de meeste natuurgebieden en bovendien slecht voor onze gezondheid. Niet alles valt de boer aan te rekenen, maar wel een belangrijk deel. Een snelheidsverlaging tot 100 kilometer per uur op de snelweg levert omgerekend 17 gram stikstof minder uitstoot op per hectare per jaar. Iets minder eiwit en energie in krachtvoer voor het melkvee betekent 50 gram minder stikstof op een hectare per jaar. Alle beetjes helpen natuurlijk, maar het blijft marginaal.

Het boerenwerk heeft nog altijd grote negatieve effecten op de leefomgeving. De ammoniakpluim gaat in al zijn grilligheid over weilanden, bossen en heidevelden. Er zijn meetpunten, maar de pluim laat zich moeilijk in exacte cijfers en strakke grafieklijnen vangen. Door weersinvloeden als wind en neerslag kan de ammoniak meer of minder vervluchtigen. De landbouw is verantwoordelijk voor 85 procent van de ammoniakemissie, alleen de koeien leveren al 50 procent.

Waar ging het mis?

De Brabantse boer Frans Driessen heeft onbewust flink bijgedragen aan het onheil van nu. Met gekapt hout uit het eigen bos timmerde hij met zijn broers en zwagers in de koude winter van 1961/62 ’s lands eerste ligboxenstal in elkaar. Daarin konden de koeien vrij rondlopen. En Driessen zelf kon de mest met spoelwater en een handschuif via een geul in het midden afvoeren.

Voor de koeien is het sindsdien een feestje, ze kunnen vrij gaan en bij het voerhek scharrelen ze zelf hun kostje op. Stijf en stram waren immers de soortgenoten als ze een winter lang vastgebonden in de ouderwetse grupstal hadden gestaan. Voor de boer betekent de ligboxenstal minder werk met roostervloeren en forse mestkelders en handige melkstallen. Zo heeft Driessen de aanzet gegeven tot forse schaalvergroting in de melkveehouderij.

Dat er ook zaken zijn die de pret bederven, bleek pas later. De ligboxenstal heeft de organische mest namelijk een andere geest gegeven. In de oude grupstal schepten de knecht en de boer de stront eigenhandig in de kruiwagen om hem vermengd met strooisel af te voeren naar de mestvaalt. De urine was eerder al weggesijpeld naar de gierkelder. De methode is nog steeds doeltreffend. Wat ammoniak betreft, belast de oude grupstal de helft minder dan de ligboxenstal. De poep en pies op een hoop in de mestkelders vormt een gistende massa met een grote ammoniakemissie.

Omschakelen zou leiden tot een enorme kapitaalvernietiging

De uitstoot van een koe in zo’n stal bedraagt volgens recent onderzoek 46 kilogram. Een koe die ieder jaar royaal mag weiden komt op bijna de helft lager uit. Dezelfde mestkelders zijn ook grote bronnen voor methaan, een veel venijniger broeikasgas dan koolstofdioxide. De methaanuitstoot uit de Nederlandse melkveestallen is ongeveer een kwart van de totale emissie van broeikasgassen in de melkveehouderij.

Stallen met roostervloeren kunnen niet meer, zoveel is duidelijk. Hoe het er over 25 jaar uitziet is nog de vraag. Dairy Campus in Leeuwarden onderzoekt dichte vloersystemen. ‘Het mes snijdt aan twee kanten’, legt projectleider Hendrik Jan van Dooren uit. De ammoniak kan niet uit de mestkelders vervliegen en de methaan kan worden afgevangen, wat op termijn de uitstoot van broeikasgassen flink vermindert.

De roostervloer afdichten met rubberen matten kan misschien ook. De boer haalt de mest dan met een schuif weg, de urine loopt weg naar de kelder. In de loop van 2020 maakt de proefboerderij de resultaten van alternatieve stalsystemen bekend. ‘De realiteit is dat de gangbare stalsystemen niet zijn ingericht op een andere manier van mestverwerking’, merkt Van Dooren op. ‘Dat verander je ook niet snel.’ Omschakelen zou bovendien leiden tot een enorme kapitaalvernietiging. Melkveehouders hebben deze eeuw voor miljarden euro’s in nieuwe stallen geïnvesteerd.

Ook bij mij groeit het gras’
Melkveehouder Foppe Nijboer uit Boelenslaan boert zuinig. Hij benut een uitgekiende kringloop met weinig krachtvoer en geen kunstmest. Hij voelt zich een rijk man, want hij heeft zich niet laten opjutten door adviseurs. Bovendien mag hij de mest bovengronds uitrijden op zijn natuurland. Dat is een feest voor insecten en weidevogels.
De biologische boer heeft de mestinjecteur verbannen. ‘Verschrikkelijk wat die aan verwoestingen aanricht in de zoden.’ Op zijn land is het bodemleven rijk. ‘Hier is geen sprake van een grote vlucht aan meeuwen en kraaien die achter de mestinjecteur aangaat om te snoepen van al de wormen en torren die op de vlucht zijn geslagen voor de periodieke mestdouche in hun grond. Hier zijn nog wel weidevogels die kunnen gedijen.’
De 85 melkkoeien van Nijboer krijgen alle gelegenheid om te weiden op de 60 hectare land, in een jaar meer dan 230 dagen zelfs. Dat is bijna twee keer zo veel als bij anderen die ook ‘weidegang’ mogen claimen op het melkpak. Ze brengen de melkveehouder er 550 duizend liter melk voor terug. Zijn bedrijfsfilosofie is simpel: ‘Ik maak weinig kosten en dus verdien ik.’
‘Wat er bij de koe voor niet in komt, kan erachter niet uit’, doceert Nijboer verder. Zijn koeien krijgen geen eiwitrijk krachtvoer en dus heeft hun mest ook minder energie en zorgt die voor minder ammoniak. Nijboer beschouwt zichzelf als koploper. Voor hem is het wachten op het peloton melkveehouders dat de bedrijfsvoering door voortschrijdend inzicht ook aanpast. Het jargon is ook zijn boerenlogica binnengedrongen: ‘Het is een kwestie van het oplossen van een integraal probleem.’
Nijboer stelt andere veehouders gerust. ‘Ook bij mij groeit het gras. De bodem stelt zich erop in. Kunstmest maakt de bodem lui.’ Met mest van het eigen bedrijf houdt hij zijn boerenland gezond. ‘Het gaat om de goede balans. Er komt stikstof en fosfaat op het land met mest, met het gewonnen gras gaat het er weer af. Er is zelfs sprake van een negatief stikstofoverschot.’  

Landbouwlobby remt

Al dertig jaar blijven de politiek en de wetenschap de in 1990 ingeslagen koers voor het mestbeleid volgen, met verwoesting van het bodemleven door mestinjectie tot gevolg. Voor ten halve gekeerd lijkt geen ruimte te zijn. Mest is een trauma geworden doordat boeren lang twee keer meer stikstofbemesting op het land brengen dan er met gras, hooi en melk wordt afgevoerd. Het geeft gemoedsrust dat cijfers daarna aantonen dat de ammoniakemissie 70 procent kleiner is geworden, onder andere door toepassing van mestinjectie.

Telkens is er hetzelfde patroon. Heel wat individuele boeren willen wel, maar de macht van de landbouwsector is veel groter. De landbouwlobby uit diverse hoeken maakt fors ingrijpen erg moeilijk. Ondanks afspraken met boerenorganisaties, mengvoerfabrikanten, kunstmestproducenten en zuivelverwerkers duikt menigeen weer onder en boven de wet. Al een halve eeuw waarschuwen deskundigen voor de gevolgen van exorbitant hoge fosfaat- en stikstofoverschotten op het boerenland. In de piekjaren tachtig komt er tweeenhalf keer meer op het land dan er wordt afgevoerd.

Krokodillentranen zijn het, als politici, wetenschappers en boerenorganisaties zich al druk maken om het verlies van biodiversiteit in de weilanden en de snel kleiner wordende populaties aan bloemen, insecten, kieviten, grutto’s en scholeksters. Dat verlies is gecalculeerd verlies, met als doel de landbouw te ontzien. De mest in de grond wegwerken heeft de veel te hoge ammoniak- emissie gecamoufleerd. De bron is sindsdien niet aangepakt, alleen zijn de vieze stoffen en de stank zo veel mogelijk weggemoffeld onder de zoden.

Stikstof (N2)  is  een kleur- en reukloos gas dat overal om  ons heen is. Ongeveer 78%  van alle  lucht om ons heen bestaat uit stikstof. Het gas  stikstof is niet schadelijk voor mens   en milieu.  Maar   het bindt zich aan andere deeltjes  en die  mengsels zijn niet onschuldig. Als  we  het hebben over stikstofproblemen  hebben we  het over stikstofoxiden:  monoxide en  dioxine bijvoorbeeld en  ammoniak (NH3).  Dat laatste  is een giftig en brandbaar gas dat uit  onder  meer mest ontstaat. Meer   informatie  over stikstof  vind je op   rivm.nl/stikstof