• Laagveengordel van Drachten tot voorbij het Schildmeer kan klimaatstress verminderen
  • Waterpeil moet omhoog om CO2-productie te dimmen
  • Studenten helpen exploitatie wetlands op gang
  • Stadsbewoners krijgen ‘natuurlijke achtertuin

We kunnen onze ogen niet meer sluiten voor de wereldwijde klimaatverandering: lange periodes van extreme droogte en heftige regenval met stormen, smeltende ijskappen, bosbranden. Aan ons de taak om klimaatslimme oplossingen te ontwikkelen. In Nederland ligt een van de meest ingenieuze oplossingen direct voor onze neus: laagveengebieden en moerassen. Die zijn in tientallen eeuwen ontstaan door opeenstapeling van plantaardig materiaal en ze vormen prachtige buffers om klimaatverandering het hoofd te bieden. Maar tegelijkertijd zijn ze een tikkende tijdbom, en dat hebben we aan onszelf te danken. Vanaf de late middeleeuwen hebben we het gebied leeggehaald. Turf bleek een uitstekende brandstof, beter dan hout. Het vormde de basis voor een eeuwenlange florerende en innovatieve economie.

Naast de hoogveencomplexen kennen we in het Noorden in elke provincie laagveengordels, zoals die van Drachten tot aan het Schildmeer. Dit laagveen, soms een laag van wel twaalf meter dik, dient als weidegebied voor de veehouderij. Omdat boeren deze natte landerijen steeds intensiever benutten, moet de waterspiegel steeds verder naar beneden. Maar dat heeft nare bijwerkingen: de bovenlaag van het veen komt droog te liggen en breekt af. Dat geeft oxidatie. Ook klinkt de bodem in door die ontwatering. Beide processen leiden tot een continue bodemdaling. In Noord-Nederland daalt de bodem nu alleen al door de veenafbraak in de laagveengebieden circa een centimeter per jaar. Voor de periode 2002-2050 is een daling van de Nederlandse bodem tot wel twee meter berekend.

Schrikbarend. En alsof dit nog niet genoeg is, brengt dit een kettingreactie aan negatieve effecten op gang. Dat zit zo: de bodem en het bodemleven spelen een essentiële rol in de koolstofcyclus. In de bodem zit twee keer zo veel koolstof als in de atmosfeer. Veel van deze koolstof ligt opgeslagen in veenbodems. Kleine veranderingen in de omvang van deze opslagkelder kunnen daarom een enorme CO2-uitstoot tot gevolg hebben. Doordat het waterpeil daalt, krimpt de opslagruimte in de kelder.

Grenzeloos Groeningen
In 2018 werd een werkverband voor het gebied Groeningen opgericht door de Hanzehogeschool, de Gebiedscoöperatie Westerkwartier en Staatsbosbeheer. Ze bouwden een leer- en werkgemeenschap met vierhonderd studenten, docenten en lectoren, veertig ondernemers, maatschappelijke organisaties, gemeenten en provincies. Ze benoemden vijf kernthema’s: waterberging, voedselketens, biodiversiteit, toerisme & recreatie en bereikbaarheid. Daarmee togen ze aan het werk. Met resultaat, want afgelopen zomer pakte de Regio Groningen-Assen de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor Groeningen op. Het moment was goed gekozen omdat Groningen juist afgelopen zomer een primeur beleefde: de stad had de hoogste CO2-uitstoot op aarde. Kwam het door de warmte of speelde de CO2-uitstoot uit de veengordel hier de hoofdrol? We weten het niet, maar feit is dat het klimaat rijp was. Alle gemeenten en provincies in de Regio Groningen-Assen gingen akkoord met de gezamenlijke nieuwe insteek van Groeningen. De deelnemers richten zich op de ontwikkeling van nieuwe economische dragers. Natuurmonumenten, Groninger Landschap en Staatsbosbeheer hanteren ‘Beschermen, Benutten en Beheren’ als basisbegrippen. Groeningen komt op de kaart als water- en natuurgebied aan de rand van de stad.

Klimaatspons Groeningen

In dat angstaanjagende feit ligt ook een prachtige kans. Want als we voorkomen dat het veen verder afbreekt en CO₂ loslaat, zit hier een enorm potentieel om de gevolgen van de klimaatramp te verwerken en verzachten. Gezonde wetlands gedragen zich als gigantische sponzen en nemen overtollig water op dat ze tijdens droogte weer vrijgeven. Precies dat soort grootschalige buffers hebben we nodig om ons voor te bereiden op grilliger wordend weer. Daarbij komt nog een derde ‘ecosysteemdienst’ van veengronden: ze zuiveren het water dat erdoorheen stroomt. En bovendien vormen ze een uitstekend leefgebied voor zeldzame plant- en diersoorten. Zo dragen ze bij aan het herstel van de biodiversiteit en – uiteindelijk – het behoud van onze gezondheid en ons welzijn.

Groeningen is zo’n gebied waar kansen voor klimaatslimme oplossingen, natuurbeheer en recreatie gecombineerd kunnen worden. Het is een oeroude laagveengordel die zich van oost naar west onder de stad Groningen uitstrekt. De A7 van Drachten naar Winschoten en de A28 tussen Tynaarlo en de stad Groningen leiden dwars door een indrukwekkend natuurgebied. Dat is de natuurlijke achtertuin van de stad. En daar doen we maar weinig mee. Studenten van de Hanzehogeschool hebben honderden inwoners van de stad Groningen gevraagd hoe ze kijken naar dit gebied. De resultaten waren veelzeggend. De ‘Stadjer’ ziet het als een passeerstrook – je moet erdoorheen om naar mooie natuurgebieden te gaan, bijvoorbeeld in de kop van Drenthe. We zien het niet zo snel omdat de regio door kanalen, rails en snelwegen wordt doorsneden. Maar tussen al die infrastructuur kreeg het NatuurNetwerk Nederland voet aan de grond. Verder zijn er heel wat percelen land aangekocht om te dienen als waterberging en opvangreservoir voor de regen die in steeds heviger buien valt. Inmiddels is daardoor een wetlandgebied ontstaan van achtduizend hectare – groter dan de Veluwe. En dat direct voor de poorten van de stad! Hoe jammer dat bijna niemand zich daarvan bewust is. Daarom zijn nu honderden studenten, ondernemers en burgers bezig om deze wetlands rond de skyline van de stad op de kaart te zetten. Ze begonnen ermee het gebied een naam te geven: Groeningen.

Het kan dus twee kanten op: veengebieden als klimaatbom die immense koolstofvoorraden de wereld in slingeren, of als redder in de nood om een hoop problemen mee op te lossen. We hebben het zelf in de hand: doorgaan met afwateren en de opgeslagen koolstof vrijlaten met alle gevolgen voor het klimaat vandien. Of het cadeau met beide handen aanpakken en overstappen naar een nieuwe vorm van management en exploitatie van de veengebieden.

Maar hoe dan?

Overstappen naar een andere manier om de veengebieden te exploiteren is echter nog niet zo makkelijk. Zeven jaar geleden al verscheen het rapport Verkenning Laagveengordel. Het laat zien dat een sectorale en versnipperde aanpak veranderingen in de weg staat. Misschien lukt het beter een gezamenlijke visie te ontwikkelen nu de klimaat- en energieproblemen urgenter zijn geworden.

Het is elegant en verleidelijk om natuur en waterbeheer als inzet en vehikel van veranderingen te benutten. Maar de werkelijke uitdaging is om de hele laagveengordel als landschap meervoudig te gebruiken en benutten. Daarvoor is een goed doordachte samenhangende strategie nodig voor het hele gebied en zijn bewoners.

De vraag blijft: hoe? Er is, ook in Noorderbreedte, uitvoerig nagedacht over nieuwe democratische en eerlijke wegen voor participatie. Niet top-down en ook niet bottom-up. Van deze naderingen weten we dat geen van beide zaligmakend is.

Overheidsparticipatie wordt vaak genoemd als nieuwe aanpak, vooral om aan te geven dat je het initiatief overlaat aan maatschappelijke partners of burgers. Bij andere, en zeker bij controversiele onderwerpen, moet de overheid zelf het voortouw nemen. In die gevallen ga je ‘de partijen erbij betrekken’. Al snel lijk je dan terecht te komen in een niet oplosbare paradox. Want wanneer precies geef je anderen zeggenschap en betrokkenheid in ontwikkelings- en besluitvormingsprocessen? Doe je dit te vroeg dan is het voor velen te abstract. En doe je het te laat dan voelen velen zich gepasseerd.

Voor dit ‘erbij betrekken’ is weleens het begrip ‘middleup-down’ gelanceerd. Het staat voor een hybride aanpak, een synthese van ‘bovenaf’ en ‘onderop’. Middle-up-down heeft het dan misschien niet gehaald, maar de ideeën daarachter wel. Ze zijn opgepakt, doorontwikkeld en ten slotte in de vorm van een nieuw coöperatief bedrijf gegoten: de gebiedscoöperatie.

Nieuwe vorm

Als eerste in haar soort werd in 2013 de Gebiedscoöperatie Westerkwartier opgericht. Ze is een mkb-bedrijf in de traditie van de coöperatieve onderneming. Maar ze is meer dan een bedrijf: ze fungeert ook als motor voor regionale ontwikkeling en veranderingen. De partners in deze coöperatie zijn regionale ondernemers, studenten en onderzoekers uit onderwijsinstellingen, inwoners en overheid. Dat bijzondere mengsel van leden uit vier domeinen noemen we de ‘quadruple helix’. Samen bepalen zij welke regionale ontwikkelingen voorrang krijgen. Zij stellen de regionale agenda op en maken een werkprogramma. Zo bepalen ze samen wat studenten en onderzoekers oppakken. Hun toegepaste onderzoek geeft de regionale stakeholders nieuwe kennis en inzichten waarmee die in de praktijk aan de slag kunnen.

Deze vorm van een gebiedscoöperatie brengt nieuwe perspectieven. Hij onderscheidt zich van de traditionele coöperaties omdat hij sectoroverschrijdend is, op regionale schaal werkt en een grote verscheidenheid aan stakeholders heeft. Daardoor is het mogelijk om gezamenlijk aan grote plannen te werken. Daarom werken de Groeningen- partners inmiddels samen met de nu zes jaar oude Gebiedscoöperatie Westerkwartier aan een gebiedscoöperatie voor heel Groeningen.

Daarmee kan het echte werk beginnen. Echt coöpereren, je eigen perspectief veranderen, processen vernieuwen, nieuwe bestuursmodellen ontwikkelen, circulaire structuren realiseren. Hoe komen we samen tot iets nieuws en hoe zorgen we dat het beklijft? Er zijn veel vragen: wie kiest, wie beslist, wie betaalt, wie doet? Door de samenwerking en toegepast onderzoek hopen we verrassende en passende antwoorden te vinden.

De stakeholders in Groeningen weten wat ze willen: een interessante toekomst voor boeren met spraakmakende producten vanuit de paludicultuuraanpak – zeg maar, de nieuwe waterboeren. Ze zoeken nieuwe recreatieve en toeristische concepten die bijdragen aan de ecologische kracht van de laagveengordel. Misschien kunnen er zelfs nieuwe stadswijken komen, mits fraai geïntegreerd? Deze aanpak kan andere laagveengebieden inspireren om ook in beweging te komen. De Europese laagveengordel strekt zich uit van Ierland en Schotland tot ver in Siberië – een transnationale parel van formaat! Het is tijd om spijkers met koppen te slaan. En misschien overbodig om te zeggen: wie aan ons onderzoek wil bijdragen is van harte welkom.

Willem Foorthuis is lector Duurzaam Coöperatief Ondernemen aan de Hanzehogeschool Groningen. Hij schreef dit artikel samen met Sabine Lutz, lid van zijn onderzoeksgroep