Toen ik vijf jaar oud was verhuisden we van Hilversum naar Stuifzand, een piepklein dorp in Zuid-Drenthe. Wat ik me herinner van Hilversum zijn de Disneyfiguren die mijn moeder op de kamer van mij en mijn zus Sara, had geschilderd. De kamer die we deelden, omdat ik bang was voor mijn eigen kamer. Eigenlijk alleen voor de schaduw van een krokodillenknuffel, maar ik was te jong om dat goed onder woorden te brengen. Dus Sara en ik deelden een kamer. Eerst een Disneykamer in Hilversum, daarna een bedstee in Stuifzand (door mijn vader gemaakt). 

Dit herinner ik mij. Kleine kinderdingen. Te weinig om iets zinnigs te zeggen over de verschillen tussen stad en platteland, tussen West- en Noord-Nederland, tussen een jaren ‘20 twee-onder-een-kap en een felrode hobbyboerderij. Dus ik klop aan bij mijn ouders. Wat bewoog hen om deze stap te zetten? Welke verschillen zien en voelen zij? 

Ik vind mijn vader nergens in huis. Ik roep naar buiten en hoor vanuit ver weg in het weiland ‘Jahaa, ik kom eraan!’. Even later zitten we met z’n drieën giechelend op de bank. Giechelend, omdat het gek is om je ouders te interviewen, of geïnterviewd te worden door je jongste dochter. Maar na de eerste vraag stopt het giechelen, want ze willen goede antwoorden geven, en dat leidt direct tot discussie. 

‘Nee, dat is helemaal niet hoe het ging!’, zegt mijn moeder. Waarna ze vervolgens uitlegt hoe volgens haar dan wel: ‘We wilden weg voor de ruimte. Je krijgt hier meer ruimte voor je geld.’ Mijn vader vult aan: ‘Ja, daar hebben we het huis ook op uitgezocht. Het hele huis stond op instorten. Maar… de locatie! Het huis midden op ons eigen land en naast een bos!’ 

Verder speelde timing mee. Sara en ik waren nog jong, en ze wilden ons een jeugd in een vrijere woonomgeving geven. In de natuur en tussen de dieren. ‘En ook een omgeving die minder streberig was, qua school. Waar niet werd gekeken naar in welke outfit je naar school kwam.’ We kwamen van een Montessorischool, waar de klas groot en de mentaliteit streberig was, en gingen naar een dorpsschool, met maximaal elf leerlingen in een groep waar naar het karakter van het kind werd gekeken. Minder naar het hoogst haalbare. Over verdere verschillen zegt mijn moeder: ‘Schooluitjes waren op de Montessorischool altijd heel veilig, soms zelfs zo voorzichtig dat de lol er haast vanaf was. Hier in Stuifzand werd er veel minder op veiligheid gelet, maar het was altijd heel gezellig. En in Hilversum waren ze bijvoorbeeld erg bezig met gezond eten. En hier namen de juffen zakken snoep mee. Voor beide invalshoeken valt wat te zeggen.’

Vlak na de verhuizing begonnen mijn ouders de eerste verschillen tussen stad en platteland al te voelen. ‘Mensen kwamen ons gedag zeggen, we werden welkom geheten in de omgeving en uitgenodigd voor de buurtbarbecue. Eenmaal op die barbecue stond er geen bordje ‘vegetarisch’, maar een bordje ‘Fam. van Leeuwen, afblijven’. We waren kennelijk de enige vegetariërs.’  

Toen mijn ouders hier net woonden, verbaasden ze zich erover dat het soms zo druk was in het dorpshuis. ‘In Stuifzand wonen nog geen 600 mensen, maar af en toe was er file op straat.’ Er zijn hier veel lokale verenigingen en evenementen, waar heel het dorp op af komt. Zo wordt er om het jaar op een donkere avond een doodenge spooktocht georganiseerd, waar mensen zich ingraven in de grond om je bij de enkels te grijpen en waar grote mannen met kettingzagen achter je aan rennen. 

Er is een knutselgroep voor kinderen, er is een manege, elk jaar wordt er een grote feestweek georganiseerd, er is een klootschietvereniging, vijf biljartclubs met illustere namen als ‘over de rooie’ en ‘krijt op tijd’ en er zijn twee klaverjasclubs – twee, omdat er onenigheid is over de spelregel ‘wel of niet verplicht troeven’. Mijn vader zegt: ‘Het dorp en het buitengebied is een heel eigen gemeenschap. 600 Mensen in een wijk of een straat in een stad voelen zich minder verbonden met elkaar dan 600 mensen in een dorp.’ 

Hier voelen ze zich meer verbonden met de omgeving dan in Hilversum. ‘Er wordt gegroet op straat en in de winkels zijn mensen aardiger. Buren helpen elkaar, we delen gereedschap en er heerst een informele ruilcultuur. Zo ruilen wij met een boer uit de buurt ons mestquotum tegen hulp met het hooien van ons land.’ 

Er is niet alleen meer verbintenis met de omgeving, maar ook met de natuur. ‘Hier kunnen we de sterren zien. Daardoor voel je je ook meer verbonden met de natuur. Als ik ’s avonds naar buiten ga, kijk ik omhoog’, vertelt mijn vader. Voor mijn moeder is het hebben van minder afleiding belangrijk: ‘Je hebt hier minder afleidingen doordat er hier daadwerkelijk minder afleidingen en geluiden zijn, maar ook omdat je hier dichter bij de realiteit zit. Dichter bij de natuur, bij waar het echt om gaat.’

Voor beiden was het een kinderdroom om op het platteland te wonen. Mijn vader woonde in Heemskerk en speelde in de duinen. Hij had een bijbaantje op een tuinderij, van de vader van een vriend van hem. Een vriend die later ook naar Drenthe verhuisde en nu onze dierenarts is. 

Mijn moeder wilde op de lagere school al een boerderij. Ze wilde een koe. ‘Ik wilde allemaal dieren. En ik had ook altijd een romantisch beeld dat er dan zielige dieren zouden komen aanlopen. En dat is ook gebeurd.’ Naast alle dieren die we zelf uit de opvang hebben gered, hebben we inderdaad een boel aanloopdieren gehad. Een eend, egeltjes, een gans, een uil, ga zo maar door. Ik kan me nog goed herinneren dat ik tijdens het leren voor mijn eindexamens als pauze met mijn aanloopeendje Bobby speelde.  

Soms missen ze de stad, maar terug willen ze niet: ‘Theater, dat je even wat kan gaan eten, of makkelijk iets af kan halen – iets anders dan pizza of Chinees. Of even naar een expositie. Er is hier in Hoogeveen ook een leuke bioscoop, maar in de stad is het toch vaak leuker, betere films ook. Maar, dat gemis is prima op te lossen door er af en toe naar toe te gaan. Het is veel prettiger om hier te wonen en af en toe naar de stad te gaan, dan andersom. De rust gaat in je zitten. En af en toe de drukte van een stad is dan leuk, maar ook die drukte van een stad gaat in je zitten’, zegt mijn moeder en mijn vader knikt mee. 

Mijn vader werkt in Den Haag. Hij reist vier keer in de week op en neer met de trein. Dit vindt hij niet erg, want eerder vanuit Hilversum stond hij voor z’n werk (toen in Amsterdam) vaak bijna net zo lang in de file als wat hij nu in de trein zit. En in de trein kan hij werken. Of ontspannen. ‘Ze zeggen op mijn werk vaak als ik naar huis ga ‘Goeie reis!’. Tegen anderen zeggen ze ‘Fijne avond!’. Naar Drenthe zien ze kennelijk als een reis.’ De afstand van de Randstad naar het noorden lijkt groter dan andersom. ‘Wij gaan met gemak een avondje op en neer naar vrienden in Amsterdam, maar bij ons blijven ze altijd een weekend slapen.’     

Mijn moeder werkt voornamelijk thuis, als schrijfster en kunstenaar, onder haar meisjesnaam Marieke Nijmanting. Ze had in Hilversum een eigen praktijk, als psycholoog. Hier besloot ze om te gaan schrijven. Als dat niet was gelukt had ze misschien weer een praktijk opgezet, maar ze is blij dat het niet zo gelopen is. Er schuilde altijd al een klein beetje kluizenaar in haar: ‘Dit huis stond langere tijd te koop, omdat het niet in goede staat was. Maar ook omdat vrouwen het eng vonden, werd ons verteld. Omdat het te afgelegen en het er ’s avonds zo donker was. Er is hier geen straatverlichting. Ik vind dat juist erg prettig.’ 

Verder vertelt mijn vader nog over het ondernemende karakter van de omgeving. ‘We wilden allebei graag aan het water wonen. Toen hebben we bedacht om de oude sloot open te trekken en er een vijver aan te koppelen: nu kijken we vanuit de woonkamer op het water. Een paar jaar later bouwde ik een steiger en een plateau aan het water. Daar zitten we in de zomer onder de treurwilg die we zelf vijftien jaar geleden hebben geplant. Je hebt hier de ruimte en vrijheid om dat soort dingen te ondernemen.’

Het woord ‘vrijheid’ komt steeds terug in het gesprek. ‘Sara belde gister dat ze een plankje nodig had. Wij hebben altijd wel ergens een plankje. Klinkt raar, maar dat geeft een soort vrijheid. We kijken even in de stal, en dan ligt er altijd wel iets.’ Mijn vader geeft een disclaimer: ‘Maar, aan de andere kant, er is ook altijd wel iets. Door de storm laatst viel er een boom bovenop de varkensstal. En vorige week liep Sammie door het bos naast ons: was door het hek gelopen waar even geen stroom op stond. We kregen later berichten van mensen ook verder uit de buurt of we ons paard kwijt waren.’ Waarop mijn moeder dan weer zegt: ‘Ja, de natuur neemt het soms over. Je staat dichter bij het echte leven. Hier merk je dat mensen niet de machtigste zijn. Je ziet hier het verval. Jullie zagen vroeger dieren hier geboren worden, maar ook doodgaan. Het is een échte wereld.’

De berichten over ons losgebroken paard zette me aan het denken over anonimiteit. Niet alleen wist iedereen uit de buurt dat Sam ons paard was, ook namen ze meteen contact op. Mijn ouders zijn het met me eens, en mijn moeder zegt: ‘Je bent minder anoniem in een dorp. Toen we hier net kwamen wonen kwam mijn vader ons voor het eerst opzoeken. Hij kon het niet vinden, hij wist het huisnummer niet. Hij vroeg het aan iemand op straat, en die zei meteen: ‘Oh, Van Leeuwen, die nieuwe mensen. Die wonen daar!’. In Amsterdam ben je ook niet anoniem in je eigen straat en daar woon je natuurlijk heel dicht op elkaar. Boven mij was een lekkage en bij mij kwam het afwaswater naar boven. Maar in Amsterdam kan je wel meer verdwijnen.’ Mijn vader vult aan: ‘Enerzijds ben je anoniemer, op je eigen terrein. Anderzijds weten mensen onderling meer van elkaar.’ 

Mijn vader wil graag nog even een half uurtje in het weiland aan de slag, voor het donker is, en vraagt: ‘Hebben we genoeg?’ Ik zeg van wel en zo stopt het gesprek. Maar goed ook, want we hadden nog uren door kunnen praten. Er zit liefde in het verhaal, liefde voor het huis, de omgeving en liefde voor elkaar. Ze hebben een stoere stap gezet en zijn daar tot de dag van vandaag blij mee. En wat ben ik daar ook blij mee. Het was vast ook goed gekomen in de Disneykamer, maar wat heb ik lekker geslapen in de bedstee. Moe na een dag ravotten in het bos en knuffelen met de dieren.        

Lees hier alle blogs van Bente.