Samen met ons gezin maak ik graag uitstapjes. Dat betekent in de praktijk vaak dat we de auto pakken en in een cirkel van ongeveer 20 minuten op zoek gaan naar dorpen of andere plekken die we nog niet kennen. Aangezien wij op het platteland van Noord-Groningen wonen is dit ook de locatie van onze uitstapjes.

Er zijn twee dingen die mij altijd opvallen. Hoe klein het dorp ook is, overal vind je de meest prachtige speeltuinen, vaak voorzien met een bord waar de NAM als een van de sponsoren wordt genoemd. Daarnaast is het ene dorp nog pittoresker dan het andere, Thesinge, Mensingeweer, Houwerzijl, ze zouden geen van alle misstaan in een openluchtmuseum. 

Ik kan ontzettend genieten van het kneuterige soort geluk van dit soort uitstapjes. En ik blijf maar roepen dat het toch zo ongelooflijk is dat het hier gewoon allemaal maar voor het oprapen ligt. Prachtige dorpen met authentieke molens, bruggen en bloemenvelden. En toch … als mensen mij vragen naar hoe het bevalt op het platteland dan aarzel ik. 

Er mist iets in het landschap om mij het gevoel te geven dat het ook mijn landschap is. Voor een uitstapje hebben we altijd de auto nodig. Er zijn namelijk nauwelijks fietspaden, en langs de wegen waar 60 gereden mag worden – maar in de praktijk makkelijk 80 en soms 100 – voel ik mij niet veilig met twee kinderen. Stel dat al die verschillende dorpen ook met elkaar verbonden waren met fijne fietspaden. Niet alleen functioneel om van plek a naar plek b te komen, maar ook om mensen de kans te geven zich op verschillende manieren door het landschap te bewegen. 

Want het landschap is prachtig om naar te kijken. De luchten, de openheid en alle gewassen die verschijnen rond de lente. Dat trok mij naar het platteland van Groningen. Maar een landschap om alleen naar te kijken gaat ook vervelen. Ik weet dat mijn dorp aan het Reitdiep ligt, maar ik kan er niet komen. Ik kan mijn dochter nergens mee naartoe nemen om lekker in het gras te gaan liggen en naar de bomen te kijken (afgezien van een stukje braakliggend terrein midden in het dorp). Het landschap is geen landschap om in te spelen en daardoor blijft het op afstand. 

Goede speeltuinen en dorpshuizen zijn belangrijk in de dorpen en er zijn gelukkig veel potjes om dit mogelijk te maken. Maar dat is niet het enige. Naast individuele projecten heeft het Noorden van Groningen volgens mij verbindingen nodig. Zodat je niet langer een bezoeker bent van het landschap, maar je er onderdeel van kan voelen. Dat er ook een landschap ontstaat om in te spelen, te lanterfanten en gewoon te zijn.

Het project Toukomst biedt een prachtige kans. Er is 100 miljoen te verdelen over de ruim 900 ideeën die zijn ingediend door de bewoners van Groningen. De vraag is hoe ga je zo met de ideeën aan de slag dat het hele Noorden er beter van wordt? Zoeken naar verbinding zou daarin altijd meegenomen moeten worden als je het mij vraagt. Volgende week lichten we op onze site er daarom een aantal ideeën uit. Om samen in gesprek te gaan over onze toekomst.