De woonwijk is al ruim honderd jaar een enorm succesvol product van eigen bodem. In mijn colleges aan jonge landschapsarchitecten bied ik zo af en toe een quiz aan waarin ik het tijdvak laat raden van een bepaald type woon­wijk. Verschillen zijn te herkennen in de indeling van de gevels, aan de opdeling van de straat en aan het materiaalgebruik. De quiz behandelt twaalf tijdvakken verspreid over 120 jaar steden­bouwkundige ontwikkeling. Om de tien jaar is er een nieuw type te herkennen in de Nederland­se straten. Dat is op zichzelf al verbluffend: om de tien jaar een nieuw product, dat al honderd jaar lang. En nog steeds houden bestuurders en projectontwikkelaars vast aan dit decenniaal ritme. Daarbij zijn klassiekers ontstaan zoals het jarendertigwoonhuis in de jarendertigstraat.

We staan nu aan de vooravond van een nieuwe periode van woonwijkmania. Het rijk wil tot 2030 initiatief nemen om 1 miljoen woningen te bouwen. Het zal nog zeker drie decennia duren voor die er staan, wat dus naar verwachting drie nieuwe stijlprincipes gaat opleveren. Daarom is het relevant om het product ‘woonwijk’ tot intel­lectueel democratisch eigendom te maken. We moeten ervan doordrongen raken dat we met een huis niet alleen een stukje privédomein huren of kopen, maar onze nationale cultuur vormgeven – waarbij deze cultuur een geheel eigen, mogelijk zelfs identiteitspolitieke geschiedenis kent. Zoals Zweden en Duitsland met hun staalindustrie automerken produceren, zo produceert Nederland vanuit schaarste aan land micro-maatschappijen in de vorm van woonwijken.

Wat is hierbinnen de rol van de kunstenaar en Kunst met een hoofdletter? Internationale critici beoordelen Nederlandse kunst vaak als te con­ceptueel en te weinig ambachtelijk. Dat geldt zeker voor kunst in de openbare ruimte.
Als kunstenaar en als commissie beeldende kunst heb je je te voegen naar een brave new world in aanbouw. Daar moeten kunstenaars be­hoorlijk veel lenigheid voor tonen en ze moeten conceptueel meedenken in lijn met het openbaar product.
Maar onder het mom van Kunst mag je wel afwij­ken van het streven naar soberheid en doelmatig­heid, de Nederlandse ontwerpmores. Dat weet ik uit eigen ervaring en ik kreeg dat bevestigd in een gesprek met Mathijs Dijkstra, de landschapsarchitect van Park Meerstad en woonwijk Groenewei. In expressieve zin heeft Kunst het mogelijk gemaakt om dit nieuwe Groningse park boven het maaiveld te laten uitsteken, letterlijk. Opgroeiende kinderen kunnen er veilig verdwijnen in de plooien van Moeder Aarde, bloemenboeket­ten plukken die inheems zijn zoals in de tijd van de Verkade-albums en hun weg als met een onzicht­bare hand terugvinden via het centrale witte pad. De kunstenaar, Jeroen Doorenweerd, heeft de rol mogen spelen van een natuurkracht, onbesuisd, onnavolgbaar maar betoverend. De landschapsarchitect heeft hiermee een danspartner gekregen die veel woester is dan het agrarische landschap om de woonwijk heen. Hij heeft maar een rechte streep hoeven trekken door de deining van de kunstenaar, daarbij alle aangesneden heuvels doen stollen in wit beton.

We staan aan de vooravond van een nieuwe periode van woonwijkmania


Park en Kunst vormen al sinds de Renaissance een ongelooflijk sterk koppel. Vaak combineert een alzijdige ontwerper beide. In onze tijd en zeker onder de Nederlandse identiteitspolitiek heb je nog altijd een beroepsmatige kunstenaar nodig om een ontwerp alzijdig te maken. Zo is het dan maar. Maar deze scheiding heeft dus ook een andere reden. Om de grens van soberheid en doelmatigheid – het Nederlands maaiveld – te doorbreken, is een spel nodig met de autonomie van de kunstenaar, een kunstbudget en een door kunst bevrijdde beeldtaal.

Toen en straks

In grote lijnen is de rol van kunst binnen een team van ontwerpers in de loop van een eeuw verschoven van een sociaal-economisch project naar een beleggingsproduct. Het vroeg-modernisme (1900-1940) wilde nog een evenwichtige en sociale welvaartsstaat helpen vormgeven. Het wilde een gesamtkunstwerk maken, met een parkachtige openbare ruimte, ingevlochten sociale voorzieningen en hoeken of pleintjes waar het midden- en kleinbedrijf een logische aanloop kon verwachten van bewoners. Het midden-modernisme (1940-1980) scheidde woonstraten van winkels en sociale voorzieningen. Het schiep een overdaad aan parkeergelegenheid en kijkgroen met ruimtelijke sculpturen. Het laat-modernisme hanteerde vooral onder invloed van de landelijke vinex-opgave (1990-2010) een meer integrale benade­ring op een regionale schaal. Bijvoorbeeld door ontwerpopgaven voor water, natuur, openbaar vervoer of een fusie van gemeenten te combi­neren. Het aanstaande tijdvak (2020-2050) zal een vergelijkbare integrale benadering kennen. Richtinggevend is energie lokaal opwekken en opslaan, hittestress bestrijden en een gezonde leefstijl stimuleren met meer beweging en meer lokaal geproduceerd voedsel. Dat valt ook te zien aan de ontwikkeling van toonaangevende woonwijken in China.

China achterna

Wat is, met al deze larger than life ambities, nog de rol van de beeldend kunstenaar? Ik verwacht dat hij nog wel een tijdje zal moeten strijden tegen het ideaal van sober- en doelmatigheid.
Maar als China de voorbode is van ontwikke­lingen zoals de USA dat lang was, wachten ons andere tijden. Lees de hilarische roman Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Daarin past de nieuwe Chinese eigenaar (en belegger) het oude hotel onbesmuikt aan aan de vette clichés uit de Europese geschiedenis, zonder oog te hebben voor de subtiele betekenisgeving van lokale identiteit. Dan kan het zijn dat kunstzinnige overdrijving juist de hoofdvorm wordt, op zoek naar de ultieme expressie van een nieuw soort ecomodernisme. Maar dat kan alleen als die paar rijken op aarde Nederlandse woonwijken als een goede mondiale belegging zien. Zoniet, dan zal het een harde dobber blijven om voorbij soberheid en doelmatigheid iets te ontwikkelen wat past in de onzekere budgetten van onze eigen economie. Zoals ook de roerige voorgeschiedenis van Meerstad laat zien (wat rond 2001 een megawijk van ruim negenduizend woningen zou worden, werd na de financiële crisis in 2008 een groot verlies voor met name de overheid).
Hoe ver staan we af van een post-vinex-tijd­perk met een nieuw-expressionistische rol van de kunstenaar? In theorie kan het nog in de nieuwe delen van Meerstad. Een historisch detail toont dat het twintig jaar geleden al gekund had: een onderzoek van Wageningen Universiteit uit 2002 laat zien dat er gestudeerd is op een multifunctionele stadsuitbreiding, inclusief landbouw (Alterra 2002: Meerstad met of zonder landbouw?). Daarmee zou Meerstad zelfs China te vlug af zijn geweest. Ook sleutelt Studio Roosegaarde al ruim vijftien jaar aan een verregaande vermenging van technologie en openbare ruimte, om daarmee serieuze klimaat­problemen op te lossen. Kunstenaar Paul de Kort heeft samen met ontwerpbureau H+N+S een 33 hectare groot park ontworpen bij Schip­hol dat serieus geluidsoverlast vermindert (park Buitenschot). Studio Marco Vermeulen maakt in Brabant ondertussen snel furore met zijn plan om Brabantse bossen aan te planten en te beheren om er vele huizen van te bouwen. Op de veengrond rond Meerstad is meer dan genoeg lisdodde te telen om huizen te isole­ren en daarmee een relatie te leggen tussen de woonwijk en een productief landschap erom­heen. Kunst ingezet als serieus geïntegreerde discipline om opgaven te verbreden. Regionaal bouwmateriaalgebruik, slimme technologie en het oprekken van het begrip ‘park’ naar ‘voed­selnetwerken met korte ketens’ vormen het laaghangende fruit voor een intensieve verwe­venheid van ontwerp, kunst, ambacht en tech­nologie. Hiermee kunnen de tijden van een geïn­tegreerd Berlage-atelier weer gaan herleven. Op naar de roaring twenties van de 21e eeuw!

Dr. ir. Paul A. Roncken is zelfstandig landschapsarchitect, lector aan de Wageningen Universiteit en provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit van de provincie Utrecht. Hij promoveerde in 2018 op een tienjarig onderzoek naar de betekenis van het sublieme voor het ontwerp van natuur en landschap: Shades of Sublime, over het ontwerpen van meervoudige betekenisgeving. Hij is medeoprichter en bedenker van het digitale participatiemiddel swipocratie.nl en vanaf 2021 directeur van Nature-college, een leeromgeving voor natuurrelaties.

Dit essay is afkomstig uit de Noorderbreedte-special bij Nb #3 2020: Park Meerstad