‘Ik heb shovel leren rijden,’ vertelt Susanne Luurs enthousiast. ‘De terreinbeheerder van de vloeivelden hier bij de oude Suikerunie-fabriek heeft het me geleerd. Buiten de expositieruimte bouwt Luurs een houten constructie op, het begin van een kleibad waar ze zich tijdens de expositie vier uur lang in onderdompelt. ‘Eigenlijk wilde ik een nog groter bad maken, zodat ook de bezoekers erin kunnen, maar dan moesten er ook douches komen.’

We gaan naar binnen. ‘Hier komt ook klei omheen’, zegt ze, wijzend naar drie beeldschermen waar eerdere performances op afspelen. Eromheen staan weckpotten met zoet en zout water uit het Hogeland. ‘Kijk, in het zoute water is alles gestorven. Als je de pot openmaakt stinkt het enorm naar zwavel. In de zoete potten leeft nog van alles’, zegt Luurs terwijl ze een larve met haar ogen volgt. Het werk broeit, leeft, en geurt.

Hoe kwam je op het idee voor dit project?

Toen ik voor een project een tijd in Hornhuizen verbleef, gingen we met een tiental van Minerva naar de boerderij vlak voor de dijk. Daar ligt het erf van Harm de Vries — zestiger, platgronings — die samen met de Wageningen Universiteit werkt aan duurzame methoden om het land vruchtbaar te krijgen. Dat doet hij niet met mest, maar met wilde bloemen.

Na de koffie trokken we zijn kleurrijke land op. Het stond er vol met klaproos en korenbloem. Toe Harm stil hield en zijn schop in de grond zette, zei hij: ‘Nu gaan we eerst de aarde proeven.’

[Ze lacht en houdt haar duim en wijsvinger een eindje uit elkaar.] Een klein stukje hoor. Het knarste en knasperte een beetje, maar ik slikte het door. Je proefde en rook aan de grond dat het schoon en vruchtbaar was. Hier bij het Hoendiep stinkt de aarde.

Je leert een landschap niet kennen door er alleen maar naar te kijken. In de geschiedenis van de kunst is het zien dominant gemaakt. Denk aan de klassieke landschapsschilderijen, daarin is het perspectief aangenomen van iemand die op een afstandje naar het landschap kijkt. Er zijn verdwijnpunten, dichtbij zijn de kleuren feller, achterin dof. Kijken creëert afstand.

Als kunstenaar wil ik daar iets mee. Ik schilder ook wel hoor, maar ik wil me onderdompelen in het landschap, niet afstand nemen, maar er onderdeel van zijn. Als kind was ik al volledig wild, ik kwam altijd helemaal besmeerd thuis. Dat heb je niet als je alleen maar kijkt, dan blijf je schoon.

Eigenlijk speelt het vieze dus een belangrijke rol in je werk?

Ik ben inderdaad meer van het vieze! Reinheid, afstand, ze geven je ook het idee dat je controle hebt over het landschap. Misschien moeten ze sneuvelen voor een nieuwe verhouding tot de natuur.

Je doet ook iets met het figuur van ‘de heks’. Wat trekt je daar zo in aan?

Hekserij is voor mij een andere verhouding met het landschap. Vrouwen werden heksen genoemd als ze in bossen leefden, en aten wat ze konden plukken. Ze hadden een gebrek aan afstand tot het land. Ik vind hun leven, maar ook het onbegrip daarvoor interessant. Al zeg ik niet dat iedereen weer een heks moet worden hoor. [Ze lacht.]