Toen ik voor mijn studie een aantal jaren in Nijmegen woonde had ik een kleine tuin achter mijn huis. Hoewel mijn moeder al jarenlang een prachtige tuin onderhoudt, was het in Nijmegen dat de tuinkoorts ook op mij oversloeg. Ik bracht veel van mijn tijd door in de tuin samen met een schele buurkat die ik Winter noemde. Samen keken we naar de veranderende tuin. Ik weet niet of Winter het ook zo ervoer, maar het maakte mij dolgelukkig.

Eenmaal terug in Groningen lukte het mij niet om een woning te vinden met tuin en met een balkon van slechts twee vierkante meter leek het mij niet handig om een tuin te bouwen op drie hoog. Berichten van de onderburen over modder en water op hun balkon nadat ik de planten had watergegeven maakten deze beslissing overigens makkelijker. Daarom besloot ik samen met twee vrienden vrijwilliger te worden bij stadstuin Toentje.

Voedselfabriek

Wie anno 2021 nog niet weet dat vergroening van de stad een belangrijk thema is heeft onder een mossige steen gelegen. Al in 2014 besprak Leonie Wendker de beweging naar stadslandbouw in het Noorderbreedte artikel Kip in de stad. In haar stuk bevraagt Wendker of stadslandbouw een hype is of een blijvende ommekeer in onze omgang met voedsel. Haar antwoord is dat we op een kantelpunt zitten waar pioniers van de stadslandbouw het veld aan het ontdekken zijn.

Nu negen jaar later, kijk ik op de interactieve kaart van EetbaarGroningen.nl en vult de stad zich met gekleurde bolletjes waar eetbare stadsinitiatieven te vinden zijn. Groningen-stad telt zo’n vijftig tuininitiatieven. Van tuinbakken waar kinderen zelf kruiden leren verbouwen tot buurtinitiatieven en pluktuinen.

Het ontbreekt de stad blijkbaar niet aan groene initiatieven. Dat is mooi, want vergroening biedt allerlei voordelen: lokaal geteelde producten, verkoeling voor de grond, een mooi uitzicht, etc. Maar naarmate ik meer lees over groene initiatieven in de stad kan ik niet loskomen van het idee dat er een focus lijkt te liggen op de productiviteit van de omgeving. Het succes van stadslandouw wordt getoetst aan de hand van oogst en opbrengst waardoor de omgeving eerder klinkt als een lokale voedselfabriek.

Die term, ‘voedselfabriek’, kom ik tegen in een beleidsstuk uit 2016 van de gemeente Groningen, over de waarde van groen, genaamd ‘Groningen klimaatbestendig’. Verder somt het stuk de waarden van groen als volgt op: carboncompensator, insectenhotel, airconditioner, zonnescherm en luchtfilter. Natuurlijk zijn deze dingen niet onwaar, maar het zijn niet de woorden waar ik aan denk als ik een boom zie.

Groentje in Toentje

Zodoende raakte ik in contact met Jos Meijers, oprichter van Toentje. Toentje is een moestuin in de Oosterparkwijk die produceert voor de Voedselbank en naast diverse groenten en kruiden ook een bloementuin onderhoudt aan de rand van het Oosterpark. Van Jos leerde ik dat mijn ongemak met stadslandbouwproductiviteit niet geheel terecht was. Hij vertelde dat de gemeente Groningen inderdaad bezig is met het vergroenen van de stad, maar dat het niet makkelijk is om als beginnend hobbytuinier een stuk grond te regelen. De gemeente wil best meedenken, maar stelt daar tegenover dat er een duidelijk plan van aanpak klaarligt waarin de baten van het landgebruik goed omschreven staan.

Ik begreep door de uitleg van Jos beter waarom er zoveel gesproken werd over productiviteit. Een productieve tuin kan op de lange termijn zichzelf financieel onderhouden en is daarmee een duurzamer project voor de gemeente. Daarnaast is een tuin een grote verantwoordelijkheid: in de lente wordt het land klaargemaakt voor de zaaiperioden, in de zomer en herfst wordt er geoogst en moet het land bijgehouden worden. Jos vertelde dat er in het verleden initiatieven sneuvelden doordat de werklast onderschat werd. Daardoor had de gemeente dan extra werk aan het gebied. Een tuin initiatief moet dus kunnen laten zien dat het iets opbrengt voor de gemeente, en veelal is dit in termen van opbrengst of productiviteit.

Ik bleek een leek op het gebied van stadstuinieren: mijn eigen tuin stichten is dus misschien nog niet zo’n goed idee. Om ervaring op te doen als amateurtuinier meldde ik me daarom aan bij Toentje.

Grasspriet of lelie

Vanaf de eerste week was het de taak van mij, Tjesse en Marieke (de twee eerdergenoemde vrienden met wie ik dit avontuur samen aanging), om de overwoekerde bloementuin begaanbaar te maken. Het gras was het aan het winnen van de lelies, en het kleefkruid van de rozenstruik. Het pad, amper zichtbaar, was overgroeid met kleine plantjes en de aangestampte modder voelde aan als klei.

Ergens tussen het hoge gras steekt Marieke haar hand op en vraagt: is dit gras of een lelie? In haar hand houdt ze een kluit groene sprieten waarvan de taxonomische details ons onbekend zijn. Gelukkig loopt Margien, de coördinator van de tuin, verderop en tien tellen later weten we enigszins onderscheid te maken tussen grasspriet en lelie. Bonus kennis: Margien laat ons zien wat een weegbree is.

Ik zie de weegbree nu overal in de stad staan. Zo leerde ik dat we de wereld zien aan de hand van wat we erover weten.

Mag het iets meer zijn?

Als vrijwilligers leerden we al gauw de eerste lessen van tuinieren. Want een wekelijkse bezoek aan de tuin werd te niet gedaan door de opkomende planten die veel sneller groeiden dan dat wij werken konden. Hoewel we langzaam kleine aanpassingen maakten in de bloementuin, veranderde de tuin zichzelf sneller en veel mooier dan wij deden. Onze bijdrage was maar klein en toch fietsen we elke vrijdagmiddag weg met een brede glimlach op ons gezicht. In de bloementuin maakten we deel uit van een omgeving die groter was dan wijzelf.

Wat ik verder leerde:

  • Hoe een artisjokplant eruit ziet;
  • Wormen en slakken op durven pakken;
  • Minder jeuk krijgen wanneer ik tegen distels en brandnetels aanloop;
  • Nier meer spastisch reageren door naderend gezoem;
  • Lachen als een trotse ouder wanneer ik de eerste bloemknoppen op zie komen.

In deze eerste periode als vrijwilliger bij Toentje kreeg ik meer inzicht in wat een stadstuin allemaal kan zijn. Er groeiden mooie tomaten in de kas van Toentje, en de hopbakken, die met elke regenbui een meter de lucht in leken te gaan, werden gebruikt om lokaal bier te brouwen. Maar meer dan deze duidelijke productiviteit gaf de tuin naast oogst ook lessen over zorg en aandacht. De tuin is een fijne plek om naar te kijken en om in te werken.

Mijn uitgangspunt voor stadstuinieren is de verwondering van wat een tuin allemaal kan zijn. Meer dan productieve grond in een urbane setting is het stadsgroen deel van mijn directe leefomgeving. In deze blogserie probeer ik in woorden te vatten hoe ik deze omgeving ervaar en waarneem. In de volgende blog schrijf ik over tuinieren als activisme.