Als kaartenmaker ben ik vaak buiten, dwaal ogenschijnlijk doelloos rond en probeer de dagelijkse realiteit van het landschap te begrijpen. Ik neem veel foto’s, niet om de schoonheid van het landschap vast te leggen maar om me te kunnen herinneren wat ik zie en hoe ik op dat moment denk over de plek. Deze aantekeningen heb ik nodig om me te binden met het land en een feltscape te kunnen maken.

Een feltscape is gemaakt van vervilt schapenwol en beeldt het landschap op cartografische wijze uit. Om van wol vilt te maken, moet je verschillende lagen wol met zeep en water bewerken zodat de vezels met elkaar verweven raken. Bij het maken van de viltlagen kijk ik hoe de natuur en de mens het landschap hebben gemaakt. Het bijzondere aan wol is dat hij tijdens het bewerken met zeep en water krimpt. Hij ondergaat een metamorfose. Landschap en bodem zijn ook gelaagd en worden continu herschreven. Denk aan hoe in het verleden op perkament lijnen van inkt weggekrast en weer toegevoegd werden – een palimpsest. Het aardoppervlak is kwetsbaar. Het land verdroogt, klinkt in, verzilt, overstroomt, oxideert. Sporen van cultivering in het oppervlak van land vertellen het verhaal van de bewoners en hun cultuur. Via de feltscapes ga ik in gesprek met de mensen die het landschap bewonen en bewerken. Ik stel vragen en bespreek wat ze op het land doen en wat je daarvan terugziet in het veld. Die verhalen leg ik vast.

Sloten, greppels en slenken

Tijdens de eerste veldbezoeken voor mijn masterscriptie werd ik volledig verrast door het reliëfrijke landschap van de Lionserpolder, met zijn onregelmatig gevormde percelen en karakteristieke greppelpatronen. Hoe kan dit landschap in de agrarische wereld van schaalvergroting nog steeds bestaan? Daarom zocht ik contact met de boeren die de polder bewerkten. Door die gesprekken werd mij duidelijk welke processen de bijzondere morfologie van de polder mede bepalen. Natuur en mens kunnen samen iets bijzonders van land maken. Het is geen poëtische of romantische ondertoon die je nu misschien proeft. Het is hard werken om landschap te maken en te onderhouden.
Lopend door de weiden van de Lionserpolder, met de kronkelige sloten, greppels, slenken en licht glooiend reliëf, bleek het moeilijk om mijn weg zonder GPS te vinden. De kerktorens van Jorwerd en Leons hadden als bakens kunnen functioneren als niet de sloten en diepe greppels voortdurend mijn voorgenomen richting veranderden. De Lionserpolder bleek een labyrint te zijn. Je moet boven het landschap worden uitgetild om inzicht te krijgen en kaarten zijn hier uitermate geschikt voor.
De Lionserpolder is een kleine, natuurrijke kleiweidepolder tussen de Friese dorpen Leons en Jorwerd. Hij is deels particulier bezit, deels eigendom van Natuurmonumenten en wordt door verschillende boeren beheerd als (agrarisch) natuurgebied.
Het landschap is dus eigendom van anderen. Tijdens mijn masteronderzoek werd ik me er steeds meer van bewust dat het meeste onbebouwde landschap in Nederland eigendom is van boeren, natuurorganisaties en enkele particulieren. Het klinkt misschien gek en zelfs naïef, maar voordat ik de master landschapsgeschiedenis deed, ervoer ik het groene landschap meer als van mijzelf. Als iets waar ik zelf deel van uit maakte. Tijdens mijn studie ben ik een illusie armer geworden; ‘ontmythologisering van het landschap’ is daar een mooie term voor.
Ondertussen weet ik dat veel mensen niet begrijpen hoe landschap is ontstaan, is gemaakt of wordt onderhouden. Vaak zijn ze wel nieuwsgierig naar het landschap waarin ze wonen, werken en recreëren. Ze willen zich binden met hun omgeving. Terecht, want mensen maken deel uit van het landschap; die twee horen bij elkaar. Maar er is een tweedeling tussen mens en omgeving ontstaan. De mens is het landschap van een afstand gaan beschouwen, als een kunstwerk dat je bekijkt. Je kunt naar landschap kijken: een uitzicht, een doorkijkje, de lichtval of de schaduwwerking op een bospad en daarvan genieten. Maar wanneer je binding wilt krijgen met een landschap, zoek je naar de sporen in de bodem. Je beseft dat dit geheel door de eeuwen heen is gemaakt door mens en natuur. Dan ben je geen getuige (beschouwer) meer maar maak je er zelf ook deel vanuit. Daarmee krijgt het landschap meer betekenis.

Boerenhandschrift

In het onbedijkte landschap van voor het jaar 1000 heeft de dynamiek van het getij vrij spel gehad en de basis gelegd van de Lionserpolderbodem. De slenken en prielen die toen zijn ontstaan, werden door de boeren gebruikt om de eerste gegraven afwateringen op aan te sluiten. Oude sloten zijn daarom nog steeds te herkennen aan hun natuurlijke loop.
De boer maakte handig gebruik van het reliëf dat al in het landschap aanwezig was.

Het reliëf zorgde er zelfs voor dat sommige percelen de bijnaam ‘Alpenland’ kregen. Al kan die naamgeving ook komen door de Europese subsidie voor het maaien van percelen met reliëf. Het boerenwerk verandert de bodem, dus verdiep ik me daarin (taskscape): maaien, hekkelen, greppelen, dammen aanleggen en onderhouden, greppelbuizen doorsteken, egaliseren, terpen afgraven, draineren et cetera. Ik ga met de boeren in gesprek over dat werk en bereid me voor door historisch onderzoek te doen naar de cultivering van de kleigrond (matterscape). En ik maak de eerste feltscapes – wollen verbeeldingen van de percelen. Ik zoek parallellen tussen de bewerking van de harde kleigrond en verschillende lagen wol. Via die route verbind ik mij met het landschap en zijn bewoners.
Uit de vele gesprekken met de boeren van de Lionserpolder leer ik dat greppelland maaien meer tijd kost dan een weiland zonder greppels maaien. De boer moet als het ware slalom rijden met de maaier om beschadiging van de open greppels te voorkomen. De markant gevormde greppelsystemen zijn in het verleden met de hand gegraven voor de afvoer van water naar de grotere sloten. Als ik een feltscape maak, ervaar ik de complexiteit van de greppelsystemen en de zware arbeid van de aanleg ervan. Er zijn boeren in de Lionserpolder die nog steeds gebruikma­ken van deze oude greppelsystemen. Elk jaar worden de greppelgaten schoongemaakt en de greppelbuizen doorgestoken zodat het water weer kan stromen.
De werkzaamheden op oud greppelland kosten de boeren veel tijd, maar hier krijgen ze ook wat voor terug. De bodemkwaliteit van oud land is veel beter dan van een klei­bodem waarin moderne drainagesystemen zijn aangelegd. Zware grondbewerkingen verstoren het bodemleven en hiermee de waterhuishouding. Een zware kleigrond als de Lionserpolder heeft dan veel tijd nodig om te herstellen. Wat dat betreft gaan deze boeren duurzaam om met het werk van hun voorgangers en behouden ze op deze manier bijzonder landschappelijk erfgoed voor ons.
De feltscape landt op de keukentafel, kantoorvloer of gewoon op het land. Voor een buitenstaander is hij een abstracte afbeelding gemaakt van vilt, maar de boer herkent de gelaagdheid van zijn land erin. Zo prikkelt het kunstwerk tot een verdiepend gesprek over de relatie tussen bewerker en land. De feltscape maakt verhalen los die nieuwe lading geven aan de band tussen bewerker en land. Een feltscape is geen topografische kaart waarop exact locaties kunnen worden aangewezen, hij laat het handschrift zien van de boer zelf, de sporen van zijn werkzaamheden in de grond en de aarde die hij beroert. Het zachte materiaal van de feltscape nodigt uit tot aanraken. Dit voelen, contact maken met land; dat wil ik mensen laten zien en ervaren.

Cora Jongsma studeerde in 2017 met haar scriptie Matterscape, Taskscape, Feltscape af als landschapshistoricus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze is nu ‘kaartenmaker in vilt’. In haar blog (feltscape.blog) vertelt ze onder andere over fire-stick farming en een voedselbos.