Rechtsaf het klooster uit en dan gewoon de weg volgen. Ik had op de kaart gezien dat verdwalen onmogelijk zou zijn. Als ik na tien huizen het dorp uit wandel, is het meteen heerlijk leeg om mij heen: overal grasland en akkers, in de verte de dijk en daarachter het Wad waar een stevige wind vandaan komt.

Als ik de dijk nader, denk ik de zee al te horen. Eerst passeer ik nog een erf waar de weg overheen loopt. Het voelt alsof ik ongevraagd dwars door iemands huis wandel. Nog voor ik boven ben, blijkt dat ik niet de zee hoorde, maar het ritmische gezwiep van een windmolen net achter de dijk. Het uitzicht is weids. Links en rechts akkers en modder zover ik kijken kan. Recht vooruit, maar erg ver weg, opnieuw een dijk. Ik ben nog lang niet bij het Wad.

Later die week in 2019 leen ik een fiets waarmee ik naar de tweede dijk rijd om eindelijk het Wad te zien. Ergens in de verte zou het moeten liggen, tussen de kwelders aan mijn voeten en de blikkering in de verte die ik voor de zonverlichte zee houd. 

Collage van papier met schelpen, stenen en mos − geïnspireerd op de verhalen van Vermaas

WAT HET WAD

we praten, maar we lijken niets 

te zeggen en dat geeft niet

we zijn veilig, in de rug gedekt 

door groene dijken, voor ons 

honderdtachtig graden water

en een wad dat vol verhalen ligt

als we lang genoeg blijven 

wijkt de zee vanzelf, onthult 

wat zij bij vloed verbergt

als we goed genoeg kijken 

kunnen we zien wat het zand

en het slijk, wat de schelpen vertellen

luister en kijk met al je aandacht, 

want ze spreken maar even 

en het verhaal verandert steeds

Twee jaar geleden gaf ik mezelf na lang twijfelen een schrijfweek in Kloosterburen cadeau. Ik wilde niet alleen veel schrijven, maar ook elke dag het Wad zien, misschien zelfs wadlopen. Al op de eerste avond bleek dat de wegen in het Noorden langer zijn dan ze eruitzien. Ik zag het Wad maar één keer, en alleen uit de verte.

Ik wilde aan verhalen en gedichten werken, maar mijn aandacht verschoof al snel naar de poëzie. De gedichten lagen voor het grijpen tussen de rijpe appels in de kloosterboomgaard, de knusse huisjes van het dorp en de modderige kluiten op de verlaten wegen, maar mijn verhalen wilden niet vlotten. Ze bleven onbereikbaar, als die blikkerende belofte van de zee in de verte. Thuis bleef dat zo. Bij elk verhaal dat ik begon, leken de personages en de plot zich schuil te houden in de modder. 

Ondertussen raakte ik als meelezer betrokken bij de debuutroman van Janke Reitsma, Niets ontgaat ons. Ik bewonderde haar doorzettingsvermogen op momenten dat het verhaal leek vast te lopen, maar meer nog de manier waarmee ze het Wad tot leven bracht: de weidsheid en de vogels, het geluid van pootjes over het slijk, de geuren van de zee. Ik was een schrijfweek lang vlak bij het Wad geweest, maar in Reitsma’s tekst was ik er pas echt.

Het gedicht WAT HET WAD schreef ik voor haar boekpresentatie, twee jaar na mijn vruchteloze pogingen de Waddenzee te bereiken. Het was een cadeau voor de schrijfster, maar de woorden maakten ook in mij iets los. Ging ik beter kijken of kwam de zee dichterbij? Ineens komen de verhalen waar ik al een paar jaar omheen ploeter, stuk voor stuk vrij. 

Soms denk ik aan teruggaan naar Kloosterburen. Als ik dat doe, moet het zijn om lekker veel te schrijven, niet om het Wad te zien of te beschrijven. Dat is door Reitsma al veel beter gedaan dan ik ooit zou kunnen.

NOORDWOORD
Noorderbreedte geeft een podium aan literair talent van NOORDWOORD, de organisatie die vanuit de stad Groningen het enthousiasme voor literatuur aanwakkert. Elk kwartaal lees je één column in het blad en twee columns online. Nu Bauke Vermaas.