Al generaties lang wordt er slachtafval verwerkt in de tegenwoordig niet meer zo erg stinkende Sonacfabriek in Burgum. En al generaties lang is het sociale en economische leven van het dorp er innig mee verweven.

De geur is zoetig, een beetje wee zo je wilt. Het doet denken aan biks, de voederkorrels die opa vroeger aan de konijnen gaf, en het drukt net een beetje tegen de verkeerde receptoren van het spijsverteringssysteem. Maar daar wen je aan, verzekert iedereen die bij de Sonac werkt of ermee te maken heeft.
Vroeger hing de geur van de kadaververwerkingsfabriek over heel Burgum en Sumar heen. Uit die dagen stamt de bijnaam ‘de stjonkfabryk’. Maar de stjonkfabryk stjonkt net mear sa, zeggen ze in Burgum en Sumar. Ze hebben tegenwoordig hoge pijpen en de modernste geurfilters. Ze verwerken al lang geen kadavers meer, maar dierlijke resten in delen en stukjes. Die worden niet verbrand, zoals mensen denken, maar ontvet en nog eens ontvet, waarna er poeder of meel overblijft voor allerlei nuttige toepassingen.
Als klein jongetje in Burgum zei Siebe Siebenga tegen zijn vader: heit, wat stjonkt it hier. Zijn vader zei dan: it stjonkt nei wurk, Siebe – het stinkt naar werk. En meneer Zuidema van de Molenweg, nota bene náást de fabriek, zei altijd: it stjonkt noait mear dan in noas fol – je kunt maar één neus stank tegelijk ruiken. Met andere woorden: niet mekkeren, Siebe jonkje. Wij vreten er hier van.

Grondstoffen

Sonac is een grote werkgever in Burgum/Sumar (Bergum/Suameer), Centraal-Friesland. Dik honderd man in de fabriek, tientallen in de ertegenover liggende kantoren en de waterzuivering erachter. Voor de eeuwwisseling, toen er nog complete kadavers verwerkt werden, draaide de fabriek onder de naam Rendac. En daarvóór heette het Nederlandse Thermochemische Fabrieken (NTF), in 1925 opgericht door de Amsterdammer José Vigeveno. De eerste fabriek opende in 1926 haar deuren in Sumar, ver van de hoofdstad.
De machines van de NTF gaven uitvoering aan de Vleeskeuringswet van 1922 die, ter voorkoming van ziektes, de vernietiging van afgekeurde kadavers in gemeentelijke destructiebedrijven voorschreef. De Destructiewet van 1957 wist de verspreiding van miltvuur met succes in te dammen. Tegenwoordig gaat voor consumptie afgekeurd vee (ouderdom, ziekte, ongelukken) in opdracht van de overheid naar Rendac in Son, Noord-Brabant. In Sumar wordt enkel nog dierlijk restmateriaal verwerkt: huid, haar, darmen, bloed, botten, hoeven, tanden, snavels.
Stof zijt gij, en tot nuttig meel zult gij wederkeren. Waar de leek een bloederige, stinkende vlees- en bottenprut ziet, zien Sonac, Rendac en Darling Ingredients – het Amerikaanse moederbedrijf – waardevolle grondstoffen. Niet voor niets is slachtafval niet gratis. In een lange productielijn van dampende, sissende leidingen en ketels wordt het omgezet in nieuw of beter leven: meststoffen, ingrediënten voor geneesmiddelen.

Stof zijt gij, en tot nuttig meel zult gij wederkeren’

Identiteit

Tegenwoordig ruik je de fabriek nog maar af en toe. ‘Bij mistig, windstil weer’, zegt Jelle van der Veen. ‘Dan blijft het hangen. Of bij zuidenwind.’ Van der Veen, die tot zijn pensionering vorig jaar zeven jaar bij Sonac werkte, is op bezoek bij zijn goede vriend Siebe Siebenga, amateur-dorpshistoricus en na veertig jaar postbode te zijn geweest ook in ruste. ‘Ze hebben tegenwoordig heel goede filters’, zegt hij.
Sonac hoort bij Burgum. De banden met het bedrijf lopen als die van een grote familie door het dorp heen. Bijna iedereen heeft er wel verwanten of bekenden werken. Behalve stank daalde er in de afgelopen eeuw voor vele guldens en euro’s sponsoring op Burgum en omstreken neer. De fabriek bepaalt deels de identiteit van het dorp. Ga bij VV Burgum langs de lijn staan en het gaat vroeg of laat over Sonac. Meestal vroeg.
‘Een práchtbedrijf’, zegt Van der Veen. ‘Sonac zorgt voor zijn mensen.’ De extraatjes, de feesten die hij heeft meegemaakt. Maywood, Saskia & Serge, wie heeft hij er níét gezien. En dan nog de maatregelen die het bedrijf genomen heeft om de overlast tot een minimum te beperken. Mensen die negatief over het bedrijf praten, zijn volgens Van der Veen niet ‘annex’ met Sonac.

Dampende ketel

In de voortuin van Siebenga staat een sierkruiwagen met grote pompoenen op een heldergroen gazon. Burgum gedijt onder de rook van Sonac. Werknemers hebben er huizen en hypotheken, doen er boodschappen, zijn lid van door Sonac gesponsorde verenigingen. Goede redenen om af en toe een neus dicht te knijpen. Als het andersom niet kan, dan past het dorp zich aan de fabriek aan. Siebenga toont historische foto’s van de Molenweg en de Uleflecht, verdwenen huizen en straten dicht bij de fabriek.
‘Hygiëne staat heel hoog in het vaandel’, zegt Van der Veen. Er is een ploeg alleen maar bezig met schoonmaken. Het afvalwater wordt gezuiverd in een waterzuiveringsinstallatie achter de kantoren. Pas als het zo schoon is dat je het bijna kunt drinken, wordt het in het Prinses Margrietkanaal geloosd. In de fabriek is een harde scheiding tussen de schone en de smerige kant. Aan de schone kant zijn douches en schone kleren. ‘Veiligheid gaat voor alles’, zegt Van der Veen. ‘Kijk, er hangen natuurlijk gassen. Je hebt een pieper bij je die dat detecteert. Als vlees in verre staat van ontbinding is, krijg je ammoniakgassen.’
Siebenga zag als schoonmaker ooit hoe een fotograaf – die niet ‘annex’ was met de NTF – bij een fabrieksrondleiding op een stellage klom, boven een dampende ketel, op zoek naar het perfecte plaatje. ‘Bám, daar lag hij. Van het stokje.’

Wildwestjaren

Voordat Pieter Bekkema 15 jaar geleden met de VUT ging, was hij 33 jaar vrachtrijder voor Rendac en de NTF. In die periode veranderde de vracht van hele kadavers in die van slachtafval, het transport van open wagens veranderde in dat van afgesloten containers. Bij boeren en slachthuizen in het hele Noorden haalde hij de dierlijke resten op. Tussen vee en de vitrine van de slager zitten beelden die we liever niet zien en waarvoor het gordijn in de loop der jaren is dichtgetrokken. Maar Bekkema heeft destijds een uitgebreid kijkje achter de schermen gekregen.
Onderweg hield hij notities bij, een soort dagboek kun je zeggen. Op tafel thuis in Burgum liggen gestencilde boekjes die hij ervan heeft gemaakt, geïllustreerd met foto’s. ‘Verhalen van een chauffeur van de “Stjonkfabryk”’, staat erop. Op de foto zien we Bekkema bij zijn grijpwagen, blauwe werkjas aan, pet op.

In het begin ging het met een lier, vertelt hij. Je bond een kabel om het beest en lierde het de laadbak in. Later kreeg hij een grijper. Dat vergemakkelijkte het werk. Bij de boeren stonden kadaverbakken aan de weg. Het slachtafval zat in aluminium vaten van 200 liter. ‘Die moest je naar de auto rollen/draaien en op een lift zetten’, schreef hij op. En: ‘Bij sommige slagers stonden soms wel 80 tot 100 vaten. Dit was dus zwaar werk.’
Hij trok een koe en een schaap met zijn lier uit de sloot. Ontweek de tanden van valse honden. Beleefde het trieste einde van Matje, het paard dat de arrenslee op de ererondes in schaatsstadion Thialf trok. In de zomer moest hij eens naar een kalvermesterij. ‘Bij warm weer zetten de kadavers op’, staat er te lezen. Hij zette voorzichtig de grijper in een opgezwollen kalf, takelde het op en bám! Spat dat beest zo uit elkaar. Bekkema onder de warme, in ontbinding verkerende smurrie. En de boer maar lachen. Gelukkig: ‘Na een lekkere douche en schone kleren was ik weer lekker fris.’
Decennia na dato lezen Bekkema’s avonturen als verhalen over de wildwestjaren van de dierlijk-afvaldestructie van destijds. Tegenwoordig is het systeem geolied met hygiëne. Overal in de keten zijn brandmuren ingebouwd, er zijn bijna geen gaatjes meer waardoor ziektes zouden kunnen ontsnappen. Op fabrieksrondleidingen voor oud-medewerkers betraden Bekkema en oud-collega’s een wereld van machines, looproutes en vooral: regels. Nergens was nog slachtafval te zien.

De huizen in de straat zijn in de jaren zeventig gebouwd voor NTF-personeel. Met het mannenkoor is Bekkema met een NTF-vlag naar Amerika geweest. Elk jaar is er een reisje voor oud-personeelsleden, elke vijf jaar een jubileumfeest. En elk jaar haalt hij een kerstpakket op. Hij heeft 33 jaar voor Sonac en voorgangers gewerkt. Mocht hij komen te overlijden, zegt hij, dan heeft zijn vrouw nog 33 jaar nadien recht op een kerstpakket.

Waardevol

Bij de receptie van de Sonackantoren staat een vitrine met eindproducten in glazen potten en cilinders. Potjes met vet, talg en reuzel. Verenmeel, haarmeel, hoefmeel, bottenmeel en kippen-bloedmeel. ‘Een schepje bij de rozen doet wonderen’, had Siebe Siebenga gezegd.
‘Bij Sonac noemen ze slachtafval geen afval’, zegt directeur Richard Dijkstra. ‘Wij noemen het dierlijke bijproducten. Waarom die naam? Omdat er heel veel waardevolle nutriënten in zitten. Wat in de volksmond afval is, zijn voor ons hoogwaardige ingrediënten waar we nog heel veel mooie dingen van kunnen maken.’ Van een geslachte koe, varken of kip eten we in West-Europa maar zestig procent op, stelt Dijkstra. Van de veertig procent ‘restproduct’ – koppen, poten, botten, oren, ogen, veren, vet, ingewanden – maakt Sonac nuttige dingen voor mens, dier en aarde. ‘Wij dragen bij aan een circulaire wereld. Wij hebben geen restproduct. Wij waren al circulair voordat dat gemeengoed werd.’
Dijkstra heeft een placematgrote praatplaat laten maken waarop het bedrijfsproces wordt gevisualiseerd. ‘Toen ik hier vier jaar geleden kwam als directeur, zei ik: jongens, we doen hier eigenlijk zoiets moois, dat moeten we meer laten zien.’ Op de plaat lopen stromen, pijlen en kringlopen van de boerderij naar de slachterij, van de slachterij naar de consument en terug naar diervoeding, naar de landbouw, naar de farmaceutische industrie. In de productielijnen van Sumar zitten dierlijke onderdelen waarvoor de westerse consument zijn kieskeurig geworden neus ophaalt, maar die – in de woorden van Dijkstra – goed verwaardbaar zijn. ‘Je moet er iets mee,’ zegt Dijkstra, ‘met die veertig procent resten.’
Je moet er ook snél iets mee, want het betreft de bedervende resten van de 5000 koeien, 45.000 varkens en 1,5 miljoen kippen die dagelijks in Nederland worden geslacht.

Trots

‘Dit is een heel specifieke business. Wij zijn, met Noblesse Proteins in Wijster, de enige in Nederland die dit kunnen. Je kunt slachtafval niet naar een gewone afvalverwerker brengen, want het is heel raar spul om te verwerken, het degradeert heel snel.’ In Sumar komt het terecht in negen verschillende productielijnen, die onderdeel uitmaken van ‘stromen’: voor diervoeding (het ‘dierlijk eiwit’ in honden- en kattenvoer), voor meststoffen en voor ‘toepassingen’ in medicijnen of cosmetica.
Dat het bedrijf bij tijd en wijle ‘waarneembaar’ is, zegt Dijkstra, komt door de snel geurende aard van de grondstoffen. Dat blijft. ‘We investeren continu om die waarneembaarheid tot een minimum te beperken. We zitten hier tussen twee woonkernen in. Als je green field zou gaan bouwen, zou je het niet op eenzelfde manier hier doen. Maar het is historisch zo ontstaan. We willen een goede buur zijn. Dat is ons bestaansrecht.’

Op de bakstenen fabrieksgevel tegenover Dijkstra’s kantoor prijkt nog altijd het oude NTF-logo. Het bedrijf is er trots op, zegt hij, dat van sommige families in Burgum en Sumar inmiddels de derde of vierde generatie bij de fabriek werkt. Er fietsen schoolkinderen voorbij. Een meisje knijpt haar neus dicht. Maar de meesten van hen zoeven voorbij alsof er niks aan de hand is. Zij fietsen hier elke dag, ze zijn het gewend.