De woorden die we gebruiken om de natuur te omschrijven laten haar pracht en zachtheid te weinig doorschemeren, vindt Mans Schepers.

Ik voel me soms wel een beetje een vreemde eend in de bijt als ik de columns van mijn Noorderbreedte-vrienden lees. Zij hebben verstand van architectuur, ontwerp, en stedenbouw. Van ruimtelijke ordening en gebiedsprocessen. Van dorpen en de mensen die er wonen. Hartstikke interessant allemaal. Helaas weet ik daar niets van en dat is wel een beperkende factor als je er iets over wilt schrijven.

Ik kijk en luister dus maar wat om me heen en hoop. Spits de oren voor inspirerende mensen en gekke gesprekken. Altijd alert op penprikkelende ergernissen en fascinerende mooi- en lelijkheden. En uiteindelijk lukt het altijd wel weer. En dat komt niet door mij, maar doordat de wereld wel levert. Er is zoveel om je over te verwonderen, om stom of tof te vinden. Meer dan zat om te vieren. Genoeg om bij te janken.

Wat je hoort of ziet heb je niet helemaal onder controle. Sommige dingen interesseren je geen reet, maar krijg je desondanks mee. Het hangt deels af van de bubbel waarin je zit. Maar, je zoekt ook zelf, bijvoorbeeld in de kringloop. En dan vooral naar boeken. Vaak gaan de boeken die ik grijp over landschap, natuur en geschiedenis. Vind ik leuk. Het helpt daarbij dan nog als het mooi geschreven en vormgegeven is. Sla vooral oude boeken open en je vindt echt schatten.

Hoewel. Openslaan. Soms hoeft het niet eens. Ik vond een parel uit 1928: De tooi der getijden. Nieuwe zwerftochten naar de bronnen van vreugde en schoonheid. Een boek vol prachtige verhalen over landschap en natuur van toen. Inhoudelijk, maar ook met zoveel zorg voor de taal. Het begint al op de papieren omslag met lovende woorden over eerdere boeken: ‘Mij dunkt het moet een voorrecht zijn dezen man eens een dagje bij zich in huis te hebben. Maar bij ontstentenis daarvan neem je voorloopig maar zijn boek. Het zal inderdaad glans en zonneschijn in uw kamer en in uw geest brengen.’ Nu snap ik best dat kritische kanttekeningen geen boekenkaften halen, maar deze recensent heeft het complimenteren wel uitgespeeld.

Tussen de kaft rusten honderden pagina’s aan schitterend proza over zandsteen met fijne glimmerschubjes, aalscholvers op de broedplaats en de groote harige spinnedooder tusschen ’t warrelnet van wortels. Het hele boek stemt tot weemoed en bescheidenheid. Weemoed naar een tijd die ik niet heb gekend. Met Natuuramnesie van Marc Argeloo in het achterhoofd vraag ik me af: zijn we misschien niet alleen vergeten hoe de natuur er vroeger uitzag, maar stiekem ook hoe je die natuur beschrijft op een manier die eerbied, zorg en liefde uitstraalt?

En dus past bescheidenheid. Het is allemaal zo schitterend verwoord. Waren deze natuurschrijvers van nature schrijvers? Zat in het dennebos zonder tussen-n een vroege Tjesse Riemersma woest te redigeren terwijl lauwe harsgeuren rondom hem hingen? Of namen ze gewoon meer de tijd om hier echt wat moois van te maken? Ik hoop en vrees dat het laatste tenminste een beetje waar is. Ik weet echt wel dat er nog steeds mensen zijn die heel mooi schrijven. Maar voor mezelf haal ik er wel uit dat de natuur van mij mooiere taal mag vragen als ik haar tot mijn onderwerp maak.

In deze wisselcolumn schrijven Nb-redactieleden ombeurten over wat hen bezighoudt in en om het Noorden.

Trefwoorden