Het was vorige week alweer meivakantie. In deze periode heb ik, eind jaren zeventig van de vorige eeuw, voor het eerst gekampeerd. Samen met mijn vader, moeder en broertje gingen we met onze vouwwagen, een Paradiso, naar Luxemburg. Mijn broertje en ik waren de hele dag buiten. Hutten bouwen, voetballen, nieuwe vriendjes maken en met onze ouders wandelen door de natuur of door onbekende stadjes. Bij slecht weer werd er getekend of gekaart in de voortent. ’s Avonds las ik in mijn eigen tentje, met een zaklamp, nog een paar strips voor het slapengaan.
Het was genieten. Ook stak ik het nodige op tijdens die eerste vakantie: hoe je een vuurtje maakt, een tent opzet of zelf pannenkoeken bakt. Het was een eenvoudige vakantie, maar het voelde rijk.
Anno 2026 gaan we in Nederland steeds vaker op vakantie, verder weg, en worden de vakantieverblijven alsmaar luxer. Een camping zonder kant‑en‑klare safaritent met houtgestookte hottub lijkt nauwelijks nog te tellen. Eigenlijk tellen campings überhaupt steeds minder mee. De afgelopen jaren zijn er velen opgekocht door grote recreatiebedrijven. Ontdaan van het bestaande groen en de aanwezige stacaravans worden de voormalige campings volgebouwd met nieuwe kunststof chalets die van alle gemakken zijn voorzien.
Daarnaast is er een tendens dat door veranderende belastingregels veel particulieren oude zomerhuisjes van de hand doen. Deze huisjes komen vervolgens veelal in handen van superrijken die de in afmeting bescheiden huisjes slopen en vervangen door onder architectuur gebouwde vakantievilla’s, compleet met thuisbioscoop en privéspa. Last but not least kennen we allemaal de pittoreske dorpen en steden, in binnen‑ en buitenland, die door recreatieve verhuur veranderen in ‘vakantieparken’.
Deze ontwikkelingen zijn niet zonder gevolgen. Ook in het Noorden tasten ze landschap en natuur aan en verdwijnen duisternis en stilte. Daarnaast zuchten sommige steden, dorpen en gemeenschappen onder de recreatieve druk. Er zijn minder vaste bewoners die naar elkaar om kunnen zien. Dagelijks rollen er koffers door de straten. Woningen en tuinen worden door de verhuurders onderhoudsarm ingericht met kunststof en beton, zodat ze eenvoudig te exploiteren zijn. En met feestende vakantiegangers als buren is het met de nachtrust gedaan.
Het tegenovergestelde komt ook voor. Superrijken hoeven hun vakantievilla’s helemaal niet te verhuren. Hun villa’s staan, op enkele weken per jaar na, leeg, met spookachtige vakantieparken als gevolg. Alsof dit allemaal nog niet genoeg is, veroorzaakt ons massale gereis schade aan het milieu en bedreigen al die verschillende recreatieve ontwikkelingen geregeld erfgoedwaarden. Zo zijn bijvoorbeeld door sloop en vervangende nieuwbouw in het Friese Merengebied veel zomerhuisjes uit het begin van de vorige eeuw verdwenen.
Terugdenkend aan mijn eerste vakantie vraag ik me af hoe het zover heeft kunnen komen. Het is gissen. Hebben we misschien meer vakanties nodig om bij te komen van de snelheid waarmee ons dagelijkse leven zich afspeelt? En waarom geven we onze vakanties eigenlijk zo’n materialistische invulling? Denken we nou echt dat we, omringd door spullen en luxe, een fijnere vakantie hebben? Of willen we hiermee vooral aan anderen laten zien hoe succesvol we zijn?
Ik weet het eerlijk gezegd niet. Maar wat ik wél weet, is dat we met ons vakantiegedrag onze leefomgeving uitputten en gemeenschappen ontwrichten. Oók weet ik dat dit helemaal niet nodig is. De belangrijkste les die ik geleerd heb tijdens mijn eerste vakantie is dat je maar heel weinig nodig hebt om gelukkig te zijn.
