Begraven worden op een mooie open plek in het bos, een bloemenakker of veldrand – op natuurbegraafplaatsen kan het. In plaats van grafstenen vind je er boomschijven en soms worden graven helemaal niet gemarkeerd: na de dood ga je letterlijk op in de natuur.
Het idee om in de natuur op te gaan is niet nieuw. De beroemde schilder Edvard Munch schreef bijvoorbeeld al: ‘From my rotting body, flowers shall grow and I am in them, and that is eternity.’
Over de grens
Begraafplaatsen staan midden in de samenleving: ze maken deel uit van het dagelijks leven. Al wandelend door het Neustädter Friedhof in Hannover zag ik dat met eigen ogen. Het is een oude begraafplaats midden in een stadswijk. Mensen wandelen er, kinderen spelen er en anderen doorkruisen de plek als onderdeel van hun route. Op het Neustädter Friedhof komen dood en leven samen, maar hoe werkt dat als een begraafplaats een natuurgebied is? Die vraag vormde het vertrekpunt van mijn onderzoek.
In de Nederlandse literatuur wordt de (natuur)begraafplaats zelden benaderd als een landschappelijk element: een groene ruimte waarin cultuur en natuur verweven zijn. Buitenlandse onderzoeken doen dit wel. Tijdens mijn studie schreef ik over het Wiener Zentralfriedhof en de frictie tussen natuurbescherming en monumentenzorg op de verwilderde Joodse begraafplaats Berlin- Weißensee. In mijn scriptie onderzoek ik hoe de combinatie van de funeraire functie en de natuurfunctie tot uiting komt in de landschappelijke vormgeving en ligging van natuurbegraafplaatsen, en welke beheerkeuzen daarbij gemaakt worden. De inspiratie voor deze scriptie komt dus feitelijk van over de grens.
Hoog en droog
Nederland is in feite een grote delta: vanuit het oosten monden rivieren uit in de Noordzee en het IJsselmeer. Natuurbegraafplaatsen bevinden zich vooral op hoger gelegen zandformaties in het oosten van ons land: van noord naar zuid zijn dat het Drents Plateau, de stuwwallandschappen van de Veluwe en Salland, en het Achterhoeks en Brabants Plateau. Deze bodems wateren goed af en dat is belangrijk, want wetgeving stelt eisen aan de grondwaterstand. In een natuurgraf dat niet geruimd wordt, is het namelijk van belang dat het stoffelijk overschot uiteindelijk vergaat. Daarvoor zijn droge bodems wenselijk. Ook lager in de delta liggen natuurbegraafplaatsen daarom op de zandige, hoger gelegen delen.
Soms liggen locaties ook op kunstmatig opgehoogde gronden, zoals een wierde of een ophoging in een uiterwaard. Als locaties niet aan de gestelde eisen voldoen, worden bodemophogingen aangelegd of watergangen gegraven. Opvallend is ook dat natuurbegraafplaatsen voornamelijk zijn aangelegd in (voormalige) productiebossen. Die bossen zijn meestal in de negentiende en twintigste eeuw aangelegd voor de houtproductie en om tot stuifzand gedegradeerde heidegebieden opnieuw in cultuur te brengen. In de van oorsprong rechthoekige aanplantingsvakken van naald- en loofhout, draagt natuurbegraven bij aan meer biodiversiteit. Zandige akkers en weilanden zijn net zo geschikt. Een sprekend voorbeeld daarvan is Koningsakker bij Arnhem. Toch blijken die open locaties vooralsnog minderaantrekkelijk.
Twee visies
Wat wordt ervaren als natuur valt en staat met sfeerperceptie: hoe voelt een plaats aan? Scandinavische landschapsbegraafplaatsen streven naar een optimale beleving van lokale landschappen. Duitse Waldfriedhöfe werden aanvankelijk in bossen aangelegd als eervolle rustplaatsen voor soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Voor de sfeerbeleving op natuurbegraafplaatsen zijn hier twee visies belangrijk. Enerzijds die van de gift theory, die begraven ziet als teruggave aan de natuur en onderdeel van de levenscyclus. Anderzijds die van de Denkmaltheorie (monumenttheorie), die uitgaat van een besef van eindigheid en behoefte aan herinnering. Op basis hiervan zijn natuurbegraafplaatsen op te delen in twee groepen. De grootste groep is vooral geïnspireerd op de gift theory – die noem ik de ‘algemene’ natuurbegraafplaatsen. Landschappelijke inpassing, natuurlijke uitstraling en biodiversiteit staan hier centraal. Grafrust en natuurbescherming zijn voor altijd geborgd, omdat men een graf koopt voor eeuwig. Nabestaanden kunnen hun dierbare gedenken in de zich ontwikkelende natuur. Grafmarkeringen dienen vergankelijk te zijn, maar soms mag een grafboom worden geplant, die dan gelijk bijdraagt aan vegetatieverjonging of -diversificatie. Initiatiefnemers zijn onder meer natuurbegraaforganisaties, landgoedeigenaren en kerkelijke instanties.
Daartegenover staat een kleinere groep die ik de ‘alternatieve’ natuurbegraafplaatsen noem. Die komen vooral voort uit de Denkmaltheorie en zijn vaak verbonden aan bestaande begraafplaatsen of crematoria. Hier zijn graftermijnen beperkt, maar verlengbaar. Vanuit het perspectief van ‘eindigheid en herinnering’ zijn hier meer vrijheden omtrent grafmarkeringen en decoraties: een fysiek gedenkteken zoals een gegraveerde steen of een beeldje of bloemenperk is vaker toegestaan. Inkomsten bevorderen hier eerder de continuïteit van de begraaffunctie dan van de natuur.
Natuurbegraven in het Noorden
Ook in het Noorden groeit het aantal natuurbegraafplaatsen. In de Bremer Wildernis, Gaasterland, wordt natuurbegraven deels ingezet om een voormalige robiniakwekerij om te vormen tot gevarieerde en beleefbare natuur. Tegelijkertijd biedt het de lokale gemeenschap een plaats voor herdenking. De locatie moest gedeeltelijk wel worden aangepast om aan de grondwaterstandeisen te voldoen. Waterstagnerende keileem ligt in de Gaasterlandse stuwwal op sommige plekken namelijk dicht aan het oppervlak.
Een ander voorbeeld is Kardinge Groeit, waar een weiland tussen Beijum en Zuidwolde bij de stad Groningen wordt omgevormd tot ruim 38 hectare natuur. Het wordt een open landschap met natte buffers en bosjes, bloemenvelden en solitair staande bomen. Het gebied biedt ruimte voor rust, recreatie en begraven.
Kardinge Groeit is een voorbeeld van de ontwikkeling van natuurbegraafplaatsen op plekken die niet meteen voor de hand liggen. Vanwege de grondwaterstandeisen komen in Friesland en Groningen vooral de uitlopers van het Drents Plateau in aanmerking. Veenontginningen met (voormalige) veen-op-zandbodems liggen vaak diep en kleipolders zijn meestal relatief nat, waardoor grotere ingrepen nodig zijn om locaties geschikt te maken. En daaraan hangt een kostenplaatje.
‘Natuurbegraven biedt een verdienmodel dat natuur ontwikkelt en langdurig beschermt’
Een blijvertje?
Is natuurbegraven een modeverschijnsel of een blijvende verandering? Veel wijst op het laatste. Nu klimaatopgaven, duurzaamheid en ruimtekrapte hot topics zijn, biedt natuurbegraven een verdienmodel dat natuur ontwikkelt en langdurig beschermt. Vooral voor natuurorganisaties en andere grootgrondbezitters is dat verleidelijk.
Natuurbegraven vormt een aantrekkelijk alternatief voor cremeren en asstrooien en op korte termijn lijkt er nog voldoende ruimte te zijn voor nieuwe locaties. Op de lange termijn kan natuurbegraven tegen grenzen aanlopen vanwege demografische en planologische druk. Zodra die grenzen bereikt worden, kan worden overwogen om locaties te ‘hergebruiken’: nieuwe graven toestaan waar reeds eerder natuurbegrafenissen hebben plaatsgevonden. De meervoudige functie van natuurbegraafplaatsen vergroot hun maatschappelijke waarde en versterkt de toekomstbestendigheid van deze bijzondere plekken.
SUZE KUIPERS
Woonplaats Hurdegaryp
Geboortedatum 3 augustus 2003
Studierichting Landschapsgeschiedenis en Archeologie
Waarom voor deze studie gekozen Tijdens mijn studie archeologie leerde ik hoe vrijwel elk gebied tot op zekere hoogte ‘gemaakt’ en ingericht is op basis van culturele overtuigingen. Mijn interesse werd ook gewekt voor landschapsstructuren die zich meer op lokaal niveau bevinden: urban green spaces zorgen voor multifunctionele plekken die op meerdere punten (waaronder biodiversiteit, volksgezondheid, esthetiek) iets voor de maatschappij betekenen.
Ik ben het liefste bezig met het bestuderen van de landschappelijke gelaagdheid in een actueel kader, om mensen bewuster te maken van ons landschappelijk en cultuurhistorisch erfgoed. Ik trek daarbij graag het veld in om dit erfgoed actief en on site in de buitenlucht te beleven.
