‘Het terrein van de steenfabriek vertelt een verhaal over Gronings erfgoed’, zegt Hugo Dokter van Het Groninger Landschap over de weelderige lusthof, de tichelborg, en de ringoven waarin het vuur veertig jaar lang non-stop heeft gelaaid.In 1686 liet Johan Eeck Junior, de burgemeester van Groningen een buitenverblijf bouwen aan het Damsterdiep vlakbij Appingedam. ’s Winters woonde hij in de stad Groningen en zodra het warm werd, vluchtte hij naar zijn lusthof: Rusthoven. Want wanneer de zon fel boven de Martinitoren brandde, broeide de stad. Slachtafval in de open riolen ontbond rap en grachten en beerputten vol drek dampten uit in de hitte, wat een afschuwelijke geur verspreidde door de straten. Stank veroorzaakte ziektes, dacht men in deze tijd, dus wie het zich kon veroorloven, vluch…
‘Het terrein van de steenfabriek vertelt een verhaal over Gronings erfgoed’, zegt Hugo Dokter van Het Groninger Landschap over de weelderige lusthof, de tichelborg, en de ringoven waarin het vuur veertig jaar lang non-stop heeft gelaaid.
In 1686 liet Johan Eeck Junior, de burgemeester van Groningen een buitenverblijf bouwen aan het Damsterdiep vlakbij Appingedam. ’s Winters woonde hij in de stad Groningen en zodra het warm werd, vluchtte hij naar zijn lusthof: Rusthoven. Want wanneer de zon fel boven de Martinitoren brandde, broeide de stad. Slachtafval in de open riolen ontbond rap en grachten en beerputten vol drek dampten uit in de hitte, wat een afschuwelijke geur verspreidde door de straten. Stank veroorzaakte ziektes, dacht men in deze tijd, dus wie het zich kon veroorloven, vluchtte in de warme maanden naar een buitenverblijf.
Op het Damsterdiep achter Rusthoven voeren de turfschepen af en aan. Dit ‘Gronings Goud’ hield Nederland draaiende – het hield de huizen warm, bakte de broden en brouwde het bier – en was zelfs zo essentieel dat het Noordelijke landschap erdoor gevormd is. Om de turf vanuit de Drentse veengebieden naar het noorden te vervoeren, groef men waterwegen als het Stadskanaal en het Winschoterdiep, en als planten bij een oase ontstonden langs deze kanalen nieuwe nederzettingen; linten van huizen, boerderijen, molens en pakhuizen. Zo ook langs het Damsterdiep, de snelweg tussen de twee grote stadscentra van de provincie: Groningen en Appingedam. Rusthoven, hier direct aan gelegen, bevond zich aan de bron van de bedrijvigheid.
Een meerkoet dobbert in het kanaal en in de verte klinkt het gekakel van ganzen. Het Damsterdiep is ’s zomers een bron van voedsel voor de vleermuizen. ‘Wanneer ze straks uit hun winterslaap komen, voeden ze zich met de insecten die boven het wateroppervlak zweven’, vertelt Hugo. Dan wijst hij naar de bevroren weilanden aan de overkant van het diep. ‘Zie je dat die velden daar een stuk lager liggen? Die zijn afgeticheld door de jaren heen. Laagje voor laagje is de kleilaag er afgepeld voor de productie van baksteen.’
Toen Eeck Junior begin achttiende eeuw overleed wisselde Rusthoven in korte tijd meerdere keren van eigenaar en langzaamaan veranderde de functie van de plek. Het bleef een buitenverblijf voor de welvarende Groninger, maar in de loop van de eeuw vonden op het terrein steeds meer economische activiteiten plaats. De weelderige tuin maakte eerst plaats voor een veehouderij met koeien, en later werd er steeds meer geticheld. Dit laatste werkte goed, doordat de plek omgeven wordt door zeekleigrond, geschikt om bakstenen van te maken. Met het Damsterdiep als snelweg, turf als brandstof en klei als bouwmateriaal, lagen alle ingrediënten voor baksteenproductie binnen handbereik.
De baksteenproductie verliep volgens de veldovenmanier. Mannen staken zeeklei uit de grond, maakten het nat en kneedden het, en drukten het vervolgens in een vormbak. De vorm van deze mallen verschilde per tichelaar, waardoor bakstenen uit deze tijd verschillende groottes hebben, afhankelijk van de producent. De gevormde klei legde men te drogen in de buitenlucht. Hierna stapelden ze de stenen in een groot gat in de grond: de veldoven. Ertussen stopte men turf, waarna het gat werd afgedekt en de turf in brand gestoken. Na het stoken moesten de gebakken stenen alleen nog langzaam afkoelen.
Als het hard waait kunnen vleermuizen hun voedsel niet uit het Damsterdiep halen. Dan moeten ze naar de meer beschutte vijvers verderop vliegen, maar met tegenwind kunnen ze die moeilijk bereiken. ‘Wat je dan ziet is dat ze gebruik maken van die boomtoppen daarzo’, zegt Hugo, wijzend naar vier keurige rijen bomen. ‘Die hebben we geplant in de vorm van de vier droogloodsen die er ooit stonden. Als aandenken.’
In 1804 kwam de borg in handen van tichelaar Jan Hendrik Sissingh, die een steenfabriek op het terrein bouwde en Rusthoven officieel omdoopte tot tichelborg. De baksteenproductie kon nu grootser aangepakt worden. Hiermee konden ze voldoen aan de groeiende vraag naar bakstenen door de opkomende industrialisatie en de bevolkingsgroei. De veldoven werd uitgebreid, en er verschenen arbeidershutten, opslagruimtes en droogloodsen op het terrein.
De klei droogde niet met koud weer, waardoor de productietijd beperkt werd van april tot oktober. Daarom verbleven in de arbeidershutten seizoenwerkers uit Duitsland, Lipskers genaamd. Dankzij Sissingh’s stenen verrezen in de lokale omgeving kerken en andere gebouwen.
Er was genoeg te bouwen. De industriële revolutie bereikte Nederland en met klei, turf en kanalen, ontving Groningen deze met open armen. Van de grond om de steenfabriek heen werd de klei laagje voor laagje van de bodem geschraapt, terwijl langs het Damsterdiep de ene fabriek na de andere verrees. De kersverse schoorstenen bliezen stoomwolken de lucht in en de reeds bestaande graansilo’s, molens en boerderijen breidden hun terreinen uit. Groningen groeide uit tot een welvarende industrieprovincie, waar gebouwd, gehandeld en gewerkt werd.
De verweerde, ronde muren van de ringoven staan er nog. ‘In de kamers van de oven houden de vleermuizen nu hun winterslaap’, vertelt Hugo. ‘De temperatuur is daar constanter, wat voor vleermuizen ideaal is. Het is er zelfs nu nog zo’n 14 graden.’ Die constante temperatuur is geen toeval; de ringoven is hiervoor gebouwd. Ooit draaide de oven non-stop, dag en nacht, bijna veertig jaar lang. Dat begon in 1924.
De steenfabriek maakte een sprong in de tijd. De eigenaar Berend van der Veen liet op het terrein een nieuw soort oven bouwen, wat het productieproces radicaal versnelde. Daarbij koppelde het terrein met de fabriek zich officieel los van het woonhuis, zodat er vanaf nu uitsluitend gefocust kon worden op de baksteenproductie.
De ringvormige oven bestond uit aaneengesloten kamers, met in het midden een groot vuur. Elke kamer had een buitendeur, waar de fabriekswerkers de stenen door in- en uitkruiden, en via een opening aan de bovenzijde gooiden ze hier turf (en later steenkool) bij. De kamers werden van elkaar gescheiden met een soort bakpapier, waardoor het vuur in één kamer kon blijven. Wanneer de stenen in een kamer gebakken waren, trokken de arbeiders het papier weg waardoor het vuur naar de volgende kamer sprong en een nieuwe bakcyclus begon. Zo bewoog het vuur langzaam door de ring van kamers.
Een vuur verwarmen tot 1200 graden kostte enorm veel brandstof, dus het was van groot belang dat deze nooit uitging. De brandmeester, die op het terrein woonde, moest dit bewerkstelligen. Deze liep over de brandschuur, die om de ringoven heen zit, heen en controleerde via de brandgaten op de schuur of het vuur nog aan was. Veertig jaar lang heeft het vuur gelaaid en zijn er non-stop stenen geproduceerd. Met deze continuïteit maakten de Lipskers plaats voor mannen uit de regio, die dag in dag uit, het hele jaar door, werkten in de fabriek. In de zomermaanden werd extra hard gewerkt om voorraad aan te leggen zodat de productie in de wintermaanden kon doorgaan. De mannen tichelden de grond aan de overkant van het Damsterdiep af en een transportband die over het kanaal lag, voerde het naar het terrein; naar de zagerij en de grote droogloodsen.
Het was zwaar werk en de arbeidsomstandigheden waren slecht. Sommige arbeiders kwamen uit Groningen. Deze liepen twintig kilometer naar de fabriek, sjouwden daar de hele dag klei of werkten in de hete brandschuur met bonkende machines, waarna zij weer aan hun vier uur durende terugweg konden beginnen. De volgende begonnen zij weer vóór het aanbreken van de morgen aan de route langs het Damsterdiep. Mannen waren op hun zestigste vaak af; opgebrand.
We lopen langs een met graffiti bespoten muurtje, gemaakt van bakstenen waar ‘made in Holland’ in gekerfd staat. ‘Deze batch stenen zou naar Amerika gaan, maar op het laatste moment werd dit gecanceld’, vertelt Hugo. ‘Dus zijn ze op eigen terrein gebruikt.’
Aan de rand van het terrein ligt een heuveltje, overgroeid met gras. ‘Hier ligt een berg groenlingen’, zegt Hugo. ‘Stenen die gedroogd maar nog niet gebakken zijn. Ze lagen al klaar, maar zijn overwoekerd geraakt.’ Het vuur van de ringoven hebben ze nooit gehaald.
De fabriek bereikte in de jaren vijftig haar hoogtepunt. Na de tweede wereldoorlog was er een enorme vraag naar bakstenen, en dus draaide de fabriek op volle toeren. Men produceerde nu niet meer voor de bouw van een lokale kerk of molen, maar voor de wereldmarkt.
Maar na deze industriële gloriedagen begon de aftakeling. Grote zeeschepen en spoorwegen zorgden ervoor dat goederen nu globaal getransporteerd konden worden, waardoor goedkopere bakstenen nu uit regio’s ver weg gehaald konden worden. Het Damsterdiep werd te klein voor de groeiende wereldeconomie en langzaamaan verschrompelde de Groningse industrie: fabrieken legden een voor een het loodje, slechts een enkele overleefde. Bovendien kelderde de vraag naar bakstenen door de opkomst van betonplaten. Dit alles betekende het einde voor steenfabriek Rusthoven, die in 1961 haar deuren moest sluiten.
Een aantal jaar later viel het oog van een sloophandelaar uit Haren op de ijzeren machines in de oude fabriek, en om deze in handen te krijgen, trok hij het dak eraf. Asbest waaide over het terrein. De herontwikkelingsplannen werden afgeblazen.
Korte tijd brandden kampvuren en klonk er gitaarmuziek vanuit de oude schuren, door hippies en stadsnomaden die hun thuis hadden gemaakt van dit voormalig lusthof. Maar toen zij vertrokken, nam de natuur het over. Onkruid overwoekerde de oude schuren en wiste de sporen van de fabriek uit. Vanaf de weg was slechts nog berenklauw te zien. De vleermuizen betraden ongemerkt de ringoven.
In 2019 kwam het terrein in handen van Het Groninger Landschap, die het bevrijdde van de berenklauw. ‘Sommige andere oude steenfabrieken in Nederland zijn overgeleverd aan de natuur, terwijl anderen weer helemaal gerestaureerd zijn. Wat wij doen zit daar een beetje tussenin’, zegt Hugo. ‘Wij willen de plek stilleggen ter nagedachtenis aan de korte Groningse industriële bloeiperiode.’
De vleermuizen helpen hierbij. Op het terrein leven zeven verschillende soorten, die allen beschermd zijn. Al sinds het verval hebben ondernemers de plek willen slopen, maar vanwege de vleermuiskolonies werd dit verboden. Samen met Het Groninger Landschap beschermen zij de geschiedenis van stinkende steden, turfschepen en industriële bloei.
