Dit, op deze plek. Je kunt decennialang voorbijgaan aan de studentenflatjes op de hoek Helperzoom-Goeman Borgesiuslaan in Groningen zonder er acht op te slaan. Onooglijke appartementjes zijn het. Beton, dakpannen, balkons formaat winkelwagen. Alles ademt ‘goedkoop’. Het gebouw wekt amper indrukken, of het moet een soort vage spleen zijn, naast het gevoel dat dit hier, in de lommer van Groningen-Zuid, een fremdkörper is.
Maar dit ís dus iets. Een studentencomplex van 177 wooneenheden ontworpen door architectenbureau Sterenberg, meldt de site Post’65.nl, over architectuur en stedenbouw in de periode 1965-1990. Het complex is kenmerkend voor de studentenhuisvesting die in die warme jaren van pakjes shag, zitkuilen en wandtapijten overal werd gebouwd. Erg nodig, functioneel en relatief comfortabel. Een tijdsbeeld, aan betekenis winnend naarmate de jaren vorderen.
Want verrek ja, als je beter kijkt: het gemak waarmee zoveel woningen in de omgeving zijn ingepast, die grote ramen in het groen. Het heeft wel wat.
Minder knuffelig
‘Leer het zien’, staat voor op de nieuwe brochure over post-’65-architectuur in Groningen van Erfgoedvereniging Heemschut. Ik probeer uit alle macht een Cruijffcliché te vermijden, maar hij dringt zich te sterk op en is te zeer van toepassing op post-’65-architectuur: je gaat het pas zien als je het doorhebt.
Veel mensen zijn nog niet zo ver. Ze vinden post-’65-bouw flets en vooral lelijk, gedrochtelijk zelfs, vergeleken met een geïnternaliseerd Anton Pieckachtig (of aardiger gezegd: klassiek) ideaal misschien, of vanuit een neiging zich te conformeren aan wat miljoenen anderen ook vinden. Gebouwen van voor 1940 zijn zoals gebouwen eruit horen te zien, vinden we, hoe ouder hoe beter. Op vakantie fotograferen we de schots en scheve schattigheid van eeuwenoude straatjes, want die zijn ‘authentiek’. Post-’65-erfgoed is minder knuffelig, zegt Heemschutdirecteur Karel Loeff bij de presentatie van de brochure Post 65 in Groningen op een januarimiddag in het Groninger Museum. Toen de erfgoedvereniging in 2018 begon met een post-’65-werkgroep, constateerde die dat er nog amper overheidsbeleid op dat terrein bestond. Veel nieuwerwetse schoonheid is zonder scrupules gesloopt omdat stadsplanners die niet herkenden, omdat kosten zwaarder wogen dan esthetiek of vanuit de hardnekkige opvatting dat wat oud is bescherming behoeft en recentere bouw vervangbaar is. Ook in architectuur en stedenbouw komt de liefde vaak met de jaren, en helaas vaak te laat.
Vuile bakstenen muurtjes
De plaats van handeling van de presentatie siert niet toevallig ook de cover van de brochure. Het Groninger Museum is echter een vlag die de lading niet helemaal dekt, geloof ik, omdat de ontplofte architectendroom in het Verbindingskanaal tegenover het Groninger Hoofdstation landelijk bekend is, breed gewaardeerd wordt en je er onmogelijk omheen kunt. Je kunt het niet níét zien, kunt er moeilijk niets van vinden.

© Sieka de Wit


Dat ligt anders bij de doopsgezinde kerk in Stadskanaal (1967), verderop in de brochure, volgens de tekst een ‘juweeltje uit de beste tradities van het functionalisme’. Op de foto een plat gebouwtje met veel glas, dat toch donker is door het overhangende dak. Vuile bakstenen muurtjes die opmerkelijk genoeg geen functie hebben, gras dat aan in sluimertoestand uitgezeten preken doet denken.
Geen liefde op het eerste gezicht. En je moet er moeite voor doen, wil de liefde op een volgend gezicht groeien. Iemand moet je erop wijzen, je er wijzer over maken. Dat geldt ook voor de ‘experimentele woningbouw’ in de wijk Tuikwerd in Delfzijl: jaren 70-woonerfhuizen, gewoon als stoeptegels. Of de – in Nederland – universele laagbouw van uitbreidingswijk Corpus den Hoorn, Groningen. Of de in een hoek van Haren verstopte verpleeghuiskamers van De Zonnehof, het laatste adres voor de meeste bewoners.
Leer beter te weten, koester en bescherm, is de boodschap. Bij groen post-’65-erfgoed is het nóg moeilijker te zien. Het is er gewoon, het is wat het is, kun je denken – of niet denken – tussen de dubbele rijen lindes bij de verdwenen borg Nittersum, Stedum. Maar het is ooit ontworpen en aangelegd, in dit geval door landschapsarchitect en oud-medewerker van Noorderbreedte Wim Boetze, vandaag een van de sprekers.
Verschraling
Het is benauwd in het auditorium van het museum, het programma van de Post 65 in Groningen-presentatie is middagvullend. Het zaaltje zit propvol professionals – ambtenaren, architecten en stedenbouwkundige adviseurs – die een gezellig weerzien beleven met koffie, koek en onder luid geroezemoes. Alle aanwezigen zien het al lang, de waarde van post-’65-erfgoed, de noodzaak het te beschermen. Het is in de wereld búíten de eigen kring van voorlopers waar het ‘missiewerk’ te verrichten is, zegt Heemschutdirecteur Loeff.


© Pier Bosch

‘Je moet mensen een beetje helpen om niet alles plat te slaan tot mooi of lelijk, om daaraan voorbij te kijken’, zegt Peter Michiel Schaap, directeur en geducht commentator bij architectuur- en stedenbouwplatform GRAS, in zijn bijdrage aan de middag. Het Groninger Museum bijvoorbeeld vindt Schaap het allerlélijkste en tegelijkertijd het allerbéste gebouw van Groningen. ‘Omdat het heel veel dingen in zich oplost. Het is veel meer dan alleen een museum.’
Schaap toont foto’s van het voormalige bankgebouw aan de Rode Weeshuisstraat in Groningen, van een school in De Wijert en van de vroegere Technische School aan de Van Schendelstraat in dezelfde Groningse wijk. Dat laatste gebouw is van architect Jo Vegter, van wie in Groningen onder meer het sociëteitsgebouw van Vindicat aan de Grote Markt werd afgebroken (2014) én het oude Nieuwe Stadhuis (1994), een feestelijke gebeurtenis die gepaard ging met muziek, poëzie en vuurwerk.
De genoemde drie zijn de enige gemeentelijke monumenten van de honderd gebouwen uit de periode 1965-1990 die door GRAS zijn opgenomen in de online catalogus Staat in Groningen. De andere 97 hebben geen status, in een enkel geval alleen de vrijblijvende kwalificatie ‘karakteristiek pand’. Een ‘boterzachte bescherming’, zegt Schaap.



Bij een gebouweninventarisatie zaten ze er bij GRAS over na te denken, vertelt hij: waar komt het idee toch vandaan dat de meest recente tijd bouwkundig gezien de minst interessante is? ‘Deels is het gewoon tijd. Je hebt tijd nodig om dingen te laten rijpen, als goede kaas.’ Maar deels ligt het ook aan de verschraling van de bouwcultuur in recentere tijden, zegt hij: meer markt, minder architect, sneller en goedkoper.
Schaap geldt als warm pleitbezorger van het behoud van cultuurcentrum De Oosterpoort (1971) in de stad Groningen. Dat zou afgeschreven en gedateerd zijn, en door plannen voor een nieuw muziekcentrum bij het station overbodig, maar het wordt in de nu gewijzigde plannen tóch gerestaureerd. En wat betreft het nabijgelegen KPN-complex: afgezet tegen de cultuurhistorische kwaliteit ervan en inpassing in de buurt is dat ‘een behoorlijke klootzak in de binnenstad’, zegt Schaap, die nooit verlegen zit om een leuke tekst. Maar ook dat complex verdient als jaren 80-relikwie opname in de Groninger gebouwencanon.
Vernieuwingsdrang
‘Normaal gesproken heb je een soort waarderingscurve van stijlen’, zegt DAAD-architect Rob Hendriks in zijn bijdrage. ‘Die komen vaak met een ritme van vijftig jaar terug.’ Maar de cyclus van ‘wanneer waarderen we iets, wanneer is het niet meer in de mode en wanneer komt het weer terug’ wordt steeds korter, constateert hij. De herwaardering van ‘post-’65’ vanaf 2015 past in Hendriks’ patroon, én valt erbuiten omdat ze sindsdien aan momentum lijkt te winnen.
Voor de oude bibliotheek van Winschoten kwam de hernieuwde liefde te laat. Het knusse boekengebouw uit de jaren zeventig viel ten prooi aan de vernieuwingsdrang. Ongehoord, vindt Hendriks, want met zijn hoekjes en nissen, niveauverschillen, gangetjes en zitkuilen had het gebouw perfect een nieuwe functie inclusief die van bibliotheek kunnen krijgen.
Architect van de verdwenen bieb is Cor Kalfsbeek, die zijn architectenbureau in 1997 overdroeg aan drie medewerkers, onder wie Hendriks. Die maakte met DAAD Architecten een boekje over het werk van de oude meester, dat hij vandaag heeft meegenomen. ‘Die is weg, die is weg, die is ook weg’, zegt hij erdoorheen bladerend. ‘De bibliotheek van Eelde is ondertussen ook weg, en de school in Ten Boer gaan ze binnenkort slopen.’
‘Het architectonisch beeld verdwijnt in een mist van spontane verwilderingen’
Het is het lot van een hele generatie post-’65-architecten, zegt Hendriks: de vele gewiste bladzijden in hun portfolio’s. Heemschut afdeling Drenthe bepleit erkenning als monument van Kalfsbeeks dorpshuis (‘multifunctioneel centrum’) De Brinkhof in Norg, volgens Hendriks een ‘ongehoord aangenaam en nog steeds volop levend gebouw’, waar ‘een soort flexibiliteit in zit die heerlijk aansluit op welke tijd dan ook’.
De Brinkhof is heel gedateerd, maar tegelijk tijdloos, zegt Hendriks. Het klinkt als een recept voor monumentaliteit. Bij de meeste gebouwen gaat het tijdelijke na verloop van tijd in het tijdloze over. Het gaat vanzelf. Bij ‘groene’ bouwsels gaat het nog harder dan bij ‘rode’ – gemaakt van niet-levende bouwmaterialen. Een groen ontwerp is enorm aan verandering onderhevig, zegt Wim Boetze, de laatste spreker. ‘De natuur staat niet stil.’
De tand des tijds laat zich gelden, zegt Boetze. ‘Het architectonische beeld verdwijnt in een mist van spontane verwilderingen’ waar natuurclub IVN misschien gelukkig mee is, maar de landschapsarchitect minder. Op het scherm naast hem zien we beeld van het fietspad de ‘Laan van Nittersum’ in Stedum, een kaarsrechte kilometer waar de natuur vier keer per jaar een nieuw decor inricht en de tijd het werk geduldig voortzet, nu het uit handen van Boetze is.
De brochure Post 65 in Groningen is te bestellen en te downloaden op heemschut.nl
