Je komt op een klapperend frisse lentedag – zon, wolken, wind – langs een wasmolen met klapperend frisse was en ineens ben je er weer: je kinderjaren, lang geleden. Moeder deed de was, op maandag en op andere dagen ook wel, OMO waste door en door schoon. Ineens ben je er weer, in die verloren tijd. Je ruikt de wereld weer zoals hij toen rook. Frisser, denk je. Je hoort het piepen in de wind van de aluminium molenarmen, ziet het groene gras waarin de molen stond, de gele Kaaps viooltjes die vader had geplant.
Geur is een teletijdmachine, dat is bekend. Een van de beroemdste passages in de literatuur is die waarin de hoofdpersoon van Marcel Prousts À la recherche du temps perdu zijn koekje, een madeleine, in de thee doopt en door de geur ervan wordt teruggevoerd naar zijn jeugd in het dorp Combray. In de hersenen zijn geur en herinnering buren en klopt de eerste bij thuiskomst altijd even bij de laatste op de deur. Zo ongeveer zit het.
Friese geur
‘Geuren raken ons op een manier die beelden niet kunnen’, zegt de Friese gedeputeerde Eke Folkerts op een maartse middag in Museum Joure. We zijn aanwezig bij de presentatie van Een neus voor erfgoed, een onderzoeksproject van onder meer de Fryske Akademy en het Meertens Instituut dat ‘de geuren van Friesland’ wil documenteren, bewaren en ontsluiten voor het publiek.
‘Als we het over erfgoed hebben, hebben we het altijd over dingen die we kunnen zien’, zegt Folkerts in een met Friese politici, onderzoekers en parfumeurs gevuld zaaltje. ‘Wij zijn heel blij met de motie die is ingediend waarin aandacht wordt gevraagd voor dat andere erfgoed.’
De gedeputeerde doelt op de motie van Statenlid en boerin Ursela Lolkema – net als Folkerts van de BBB en vandaag ook aanwezig in Joure – van oktober 2024, die oproept om de geuren en geluiden van het Friese platteland te erkennen als zintuiglijk erfgoed. ‘Je kunt denken aan de trekker, de koeien, de haan, de schapen en gras dat net is gemaaid, maar ook aan het gieren’, zei Lolkema destijds tegen Omrop Fryslân.
Aanleiding voor Lolkema’s motie waren terugkerende klachten van nieuwe plattelandsbewoners over geluids- en stankoverlast van het boerenbedrijf. Mensen van buiten het Noorden zijn die geuren en geluiden niet gewend, zei ze. ‘Wij zijn een plattelandsprovincie, het hoort bij onze cultuur. Als je ervoor kiest om naar het platteland te verhuizen, horen de geuren en geluiden van de boerderij erbij.’
Als je het hebt over het belang en de functie van geur gaat bij iedereen een lampje branden, zegt Folkerts. Maar wat is nou Friese geur? Ruikt Friesland anders dan Drenthe, Groningen, Brabant?
‘Ons geurwoordenboek krimpt omdat we de woorden niet meer nodig hebben’
Folkerts zag net een foto van de stjonkfabryk voorbijkomen, de slachtrestenverwerker uit Burgum. Lekker ruikt die niet, maar het hóórt bij Burgum. Zoals de geur van de koekjesfabriek bij Oudebildtzijl hoort, net als het zilte van het Wad bij aanlandige wind. Of wat dacht je van het Veenhoop Festival: bier, pis en zweet. Het trekt in het veen en vormt een geur die je alleen dáár ruikt. ‘De Zwarte Cross ruikt anders. Dat is echt zo.’

Snuffelsessie
Bij erfgoed denk je aan ‘oud’ en ‘eeuwig’. Geur is vaak kortstondig en, naar de aard, vluchtig – al blijft bijvoorbeeld de metro van Parijs of Londen altijd hetzelfde ruiken, die heerlijk vieze geur van de ingewanden van een grote stad. Behalve dat import-Friezen net safolle moatte jammerje zodra een boer zijn mest uitrijdt: hoe doe je dat eigenlijk, geuren koesteren, eren, laat staan bewaren? In een doosje, een geurenkabinet of -bank? En wie weet of bepaalt hoe iets precies ruikt? Is dat niet voor eenieder anders, net als met smaak?
De geurenwereld is nog grotendeels onontdekt terrein, zegt hoogleraar cultuurgeschiedenis en projectleider Inger Leemans in Joure. Ze waren met onderzoekers van het Meertens Instituut en NL-Lab sinds kort met geurerfgoed bezig, toen de motie-Lolkema werd aangenomen. In het project Een neus voor erfgoed worden ook de geuren van Friese steden meegenomen, van fabrieken, werkplaatsen, stadslandschappen, met hulp van professionals, leken én dieren; eigenlijk iedereen met een neus.
Ontwerper Lotte Meeuwissen heeft een ‘snuffelmeubel’ gemaakt dat de komende anderhalf jaar op een snuffeltour door de provincie gaat. De geuren zijn niet voorzien van tekst en uitleg, ruikers mogen deze zelf thuisbrengen en vertellen wat in hen opkomt. Bij een eerdere snuffelsessie in een bibliotheek zei een jongetje tegen zijn moeder, nadat hij een geur even op zich had laten inwerken: ‘Mam, dit ruikt naar verliefdheid.’ Geurerfgoed kan bestaan uit gekoesterde geuren, zegt Inger Leemans. Die ruiken niet per se lekker, vooral niet voor wie ze gewoon ruikt zoals ze ruiken, ontdaan van betekenis en associaties. Maar de vrijkomende, in een kleine ruimte opgesloten gezeten hebbende kopergeur als je je trompetkoffer opendoet, zegt Leemans, díé ruikt naar je jeugd, naar de ontelbare uren heerlijk muziek maken, of naar een onafzienbare tijd saaie plicht, als je móést oefenen. Die ruikt naar wat je in je hoofd hebt.
Neuswijsheid
De presentatie van het geuronderzoek vindt plaats op een voormalig fabrieksterrein tegenover het hoofdgebouw van het museum. Het is de plek waar de Jouster ondernemer Egbert Douwes en zijn vrouw Akke Thijsses in 1753 een winkel in koffie, thee en tabak begonnen, producten die tot ‘de genoegens van het dagelijks leven’ behoorden. Nog steeds denken mensen bij Joure aan Douwe Egberts en de geur van vers gebrande koffie; een onderstreping van de gedachte dat geur de identiteit van een plek op z’n minst mede vormt.
Geurerfgoed gaat over het belang en de functie van geuren, zegt Leemans. En over geurlandschappen: het Wad, de Noordzee, een historische locatie. Is de Notre-Dame in Parijs na de brand in 2019 en de restauratie nog dezelfde kathedraal als ervoor, nu de geur van eeuwenlang in stenen getrokken vroomheid is gewist?
Beoefenaars van oude beroepen en ambachten – molenaars, mijnwerkers, worstenmakers – bezaten veel neuswijsheid, zegt Leemans. ‘Maar wordt die wijsheid overgedragen, of vervliegen zowel die geuren als de kennis die we erover hebben gehad?’ Vóór de uitvinding van moderne conserveringsmiddelen waren in het Nederlands wel twintig preciseringen van het woord ‘muf’ gangbaar, want: van belang voor de volksgezondheid. Ons geurwoordenboek krimpt omdat we de woorden niet meer nodig hebben.
‘Het verleden gaat léven met geur’
In musea sta je bij een vitrine en denk je: tja, schaal, pot, scherf, zegt Leemans. Het gaat léven met geur. Bij een tentoonstelling in het Mauritshuis in Den Haag konden bezoekers ruiken hoe een gracht in de zeventiende eeuw rook. Het Kunstmuseum in die stad herschiep de lucht van kamfer, patchoeli en tabaksrook van Piet Mondriaans Amsterdamse atelier – ‘Wetenschappers: musea moeten geuren en meuren’, schreef Architectenweb, refererend aan standpunten van Leemans.
Geurenwandeling
In het interactieve deel van de presentatie laat hoogleraar Sophie Elpers van het Meertens Instituut – evenals projectleider Leemans deelgenoot van het onderzoeksproject Odeuropa van onderzoeksgroep NL-Lab – de deelnemers ruiken aan hardpapieren geurstaafjes die ze in potjes met oplossingen van ‘historische geuren’ heeft gehouden.
‘Wat is dit?’, vraagt Elpers. De groep ruikt aan blotters. De geurkartonnetjes ruiken kruidig, zoetig, exotisch, naar vakanties in het Zuiden. Je wilt de geurrijkdom met preciezere woorden te lijf, maar ons ontbreekt het vocabulaire. ‘Ruikt lekker’, zegt iemand.
Het blijkt mirre. Kraamcadeau bij de geboorte van Jezus, rituele reuk in ruim tweeduizend jaar kerkgeschiedenis. Egyptische farao’s werden gebalsemd in mirre. Maar niet alle parfumflesjes van Elpers’ historical scent collection ruiken lekker, maar bijvoorbeeld naar het leer van oude paardenzadels, soepel gemaakt met urine. Eén rondgaande blotter ruikt naar rotte adem. De gedachten gaan naar een scheikundeproef vroeger op school.
De geurenwandeling – nog een onderdeel – leidt naar een gereconstrueerde ijzerwarenfabriek op het museumterrein. Metaal, roest, stof, smeerolie. In beeld komt de ijzerwerkplaats-aan-huis van mijn oom en tante in Franeker, jaren zeventig. De inventaris werd bewaakt door een grote hond, een bouvier, herinner ik me. Oom moest hem altijd vasthouden als wij in de buurt waren. Je mocht niet zomaar de tuin in lopen.
Later heb ik er nog een keer met een vriend gelogeerd tijdens de Elfstedentocht van 1985, die met die plassen op het ijs. Van Benthem won. Mijn neefje zag Jos Niesten voorbijkomen. Dries van Wijhe deed ook mee – Dolle Dries uit Oosterwolde. De bouvier van oom en tante was toen trouwens al lang weg.
De deuren die opengaan door geur. ‘Geur is een heel andere manier om door de wereld heen te lopen’, zegt Inger Leemans. Wat blijft hangen is een opmerking van gedeputeerde Eke Folkerts, over ‘die ene dag dat je de lente ruikt’. Hij ligt alweer achter ons, helaas, die ene heerlijke dag waarop ‘alles rök noar een neije tied’, zoals Daniël Lohues zingt. Beter opletten volgend jaar.
