Hoe hoort een tuin, huis of berm er eigenlijk uit te zien? Wat meer 'rommeligheid' kan goed zijn voor de natuur, maar Mans Schepers merkt dat ideeën over orde en verzorgdheid sterker aan hem knagen dan hij zou willen.

Tien jaar geleden verhuisden we van de stad naar een dorp. Van een anonieme bovenwoning met uitkijk op het spoor, naar een gezinswoning met directe buren aan twee kanten. En een tuin. Toch anders dan een smal balkon op het oosten.

Wij moesten het nog een beetje leren, wonen in zo’n huis. We lieten ladingen grind en klinkers uit de voortuin verwijderen en vervingen dat door gras. Nu is die voortuin niet zo groot, dus vonden wij dat het maaien best met zo’n klassiek duwding kon. Op een mooie dag met een licht briesje deden we voortvarend de eerste ronde. Het duurde niet lang tot de buurman zich meldde: frisgroen gemaaide sprieten hadden al dwarrelend hun weg gevonden naar zijn strakke zwarte border. Dat heeft verder geen groot gedoe opgeleverd, maar we hebben geen duwmaaier meer. En de buurman heeft geaccepteerd dat wij mensen zijn die mos, paddenstoelen en blad waardevolle rommeligheid op ons gazon vinden.

Het is zinvol om dit soort ontmoetingen te hebben. Kleine confrontaties met lieve mensen die andere ideeën hebben over netheid. Die heus wel inzien dat onze ‘onverzorgde’ voortuin gewoon het plan is, maar dat daarom zelf nog niet mooi hoeven te vinden. Een soortgelijke ervaring had ik toen ik met een vriend naar wilde planten stond te kijken langs het fietspad. ‘Vreselijk hoe de gemeente dit laat verwilderen,’ zei een passante. Niet uit de berm geslagen wezen wij haar enthousiast op enkele prachtige orchideeën. ‘Dat vind ik geen orchidee,’ schamperde ze terug. Er zijn botanisch kennelijk meer werkelijkheden dan taxonomie.

Nu kun je dit soort andere perspectieven makkelijk afdoen als burgerlijkheid. Een term waarvan zich de taalkundige curiositeit voordoet dat het voorvoegsel ‘klein’ de overtreffende trap ervan oplevert: kleinburgerlijkheid. Vanuit een ‘leven en laten leven’-kijk op de samenleving zijn dit soort etiketten onnodig polariserend. Maar… Ik stelde laatst vast dat ik me juist op het kleinste en meest intieme ruimtelijke niveau – mijn eigen huis – het sterkst laat beïnvloeden door netheidsconventies.

En dan komen we bij de spin Sebastiaan. Waar het niet goed mee is gegaan. De laatste weken hebben wij thuis behoorlijk last van muggen. Die ons tarten in onze slaap. Als we al in slaap komen. Deels faciliteren we hun aanwezigheid door het vrij consequent verwijderen van spinnenwebben. Terwijl ik zelf helemaal geen last heb van spinnenwebben. Maar, zeker als er bezoek komt, bekruipt je dan toch zo’n ‘dat ziet er niet zo netjes uit’-gevoel.

En ergens vind ik dat irritant. In plaats van spinnen in een hoek, kruipen er beperkingen in mijn hoofd. Beperkingen die dus zowel mentaal steken, omdat ik het er eigenlijk helemaal niet mee eens ben, maar ook fysiek doordat ik ecologisch muggenbeheer willens en wetens de kamer uitveeg. Met lafhartige excuses aan Sebastiaan en een knipoog aan Annie M.G. Schmidt.


In deze wisselcolumn schrijven Nb-redactieleden ombeurten over wat hen bezighoudt in en om het Noorden.