Ja, ik woon in een dorp. En ik kan nog steeds overweg, denk ik, met de boeren in mijn omgeving. Laatst vroeg een aardappelteler uit de buurt of ik bij hem en zijn collega’s over landschapspijn wilde praten.

Met lood in de schoenen ging ik ernaartoe. Want kort voor onze afspraak had ik in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden een interview gepubliceerd met grutto-onderzoeker Egbert van der Velde. Die vertelde dat hij zich een oude man voelt, na zes jaar veldonderzoek. Vijf maanden per jaar is hij buitenuit te vinden. ‘En als het klaar is, moet ik er echt van bijkomen.’
Hij hoort het als de grutto’s hun kuikens kwijt zijn. ‘Ze huilen, ze vliegen rond en slaan alarm als je in het land staat terwijl je ziet dat er niks te verdedigen valt. Ja, wat dan? Dan wil ik er weg.’
De gruttokenner sprak ook over spanningen in het land. Over de intensivering, over steeds grotere landbouwmachines en jonge vogels die kapot gemaaid worden. ‘Ik wilde altijd naast de boeren staan’, zei hij. ‘Ik wilde bijdragen aan een nieuw natuurinclusief bedrijfsmodel, maar sinds een jaar of drie zijn steeds minder boeren bereid om kleine inspanningen te doen. En ondertussen gaat er veel geld om in het agrarisch natuurbeheer en kalft de weidevogelstand steeds verder af.’
Het stond in de krant en ik was niet over een nacht ijs gegaan. Ik had commentaar gevraagd bij de grutto- krite waarmee Van der Velde samenwerkt. Ik had ervoor gezorgd dat er tegelijkertijd een artikel over de achtergrond van ons huidige landbouwsysteem in de krant kwam. Maar de verschroeiende woede die het interview opriep, verbaasde me toch weer.
Een lezer schreef me een brief op advies van zijn therapeut. Hij was altijd trots geweest op zijn werk in de landbouwsector en nu gaf hij mij de schuld van zijn depressie. Dus. Pffff. Vlak voor het voorgesprek met de aardappelboeren in mijn omgeving ging ik maar even liggen. En inderdaad, de melkveehouder naast wie ik even later schoof, keek me duister aan. Maar zijn woede bekoelde en uiteindelijk werd het zoals altijd weer gezellig.
Mijn achterbuurman vertelde dat hij middelvinger van passanten krijgt als hij zijn aardappels bespuit: ‘Ik stop nu altijd even, als ik iemand aan zie komen.’
Burgers zijn het contact met boeren kwijt, hoorde ik. Tijdens vergaderingen van dorpsbelang wordt altijd over grote landbouwvoertuigen geklaagd, maar nooit over grote auto’s en motoren.
Ik luisterde. En aan het einde van de avond zei ik dat het misschien raar klinkt maar dat landschapspijn een kans is. Landschapspijnlijders willen immers weer verbinding voelen met boeren.
‘Stel je eens voor dat er kilometers aan bloeiende akkerranden langs de landerijen liggen. Stel je eens passerende elektrische fietsers voor met opgestoken duimen.’
Ze luisterden. Maar met meer bloemen krijg je wel meer insecten, zei iemand, en met meer insecten moet je meer spuiten. Ik ademde in en weer uit. We komen er heus wel, dacht ik. Maar soms vrees ik van niet. 

Jantien de Boer (1965) is journalist en columnist bij de Leeuwarder Courant. In 2017 verscheen bij Atlas Contact haar boek Landschapspijn.